Parasja Lekh lekha: wandelen in geloof

Karen en Yair Strijker maakten in 2013 alijah naar Israël.
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Parasja Lekh lekha, Ga, gij. Genesis 12:1-17:27. Uit de Haftara lezen we Jesaja 40:27-41:16 en we lezen Romeinen 4:1-25.

We zijn aangeland bij de geschiedenis van Abraham, tegen wie God sprak: ‘Ga, gij, uit uw land en uit uw maagschap en ga naar het land dat Ik u wijzen zal.’ Er zijn buiten-Bijbelse verhalen over de geboorte van Abraham ten tijde van de grote koning Nimrod, die als astroloog al had voorzien dat er iemand na zijn generatie zou opstaan die de Levende God zou dienen. Omdat Nimrod zich bedreigd zou hebben gevoeld, zou hij alle zwangere vrouwen in die tijd in zijn paleis hebben laten opsluiten en als bleek dat ze een jongetje baarden, dan zou dat kleintje omgebracht worden. Hetzelfde verhaal als bij Moshe (Mozes) en Jehoshua (Jezus). Wat wel in de Bijbel staat is dat zowel Abraham, Moshe en Jehoshua in Egypte verbleven; de laatsten als baby en Abraham als man.

Veel gebeurt er in deze parasja: de scheiding van Lot omdat hun bezit te groot was geworden en Lot neemt het beste deel. Was Abraham teleurgesteld? We weten het niet, maar vrijwel direct na de scheiding belooft God aan Abraham het gehele gebied, waar hij ook keek, dat zou zijn nageslacht toebehoren. Het is het gebied van wat nu Samaria (of politiek gezien de Westbank) heet en waar wij wonen. Wij wonen hier letterlijk in een belofte. Geen wonder dat er zoveel strijd om dit gebied is; de satan zal alles wat God beloofd heeft proberen kapot te maken, wetende dat hij nog maar weinig tijd heeft.

Wanneer Lot in de problemen komt in het slechte Sodom en zelfs afgevoerd wordt, komt Abraham hem te hulp en daarbij wordt hij gesterkt door Melchizedek, Malchitsedeq מלכיצדק de Koning-Priester en voorgestalte van Jehoshua, die hem brood en wijn geeft. Hij is de koning van Shalem, Jeruzalem. Shalem שלם betekent onder meer: vol zijn, de maat is vol. (Toen Jehoshua de straf aan het kruis voor onze zonden had ondergaan, riep Hij: “Het is volbracht, shalem שלם, de maat van de straf is vol!”). Abram krijgt de belofte van een kind uit zijn eigen lijf (15:4) en ook al wordt Ishmael uit de slavin Hagar geboren, God belooft opnieuw een zoon, ditmaal uit Sarai. En daarbij verandert God de naam van Abram naar Abhraham, wat dan betekent: vader/oorsprong van vele volken.

Sarai krijgt ook een naamsverandering en daar staan we wat langer bij stil, want dit is prachtig: de laatste letter in haar oorspronkelijke naam is een jod י. De jod kan in de Hebreeuwse grammatica dienstdoen als het persoonswoord hij en dus is de naam Sarai best mannelijk te noemen. De he ה in het Hebreeuws is als er een a-klank bijkomt een vrouwelijke uitgang, denk maar aan de vrouwennamen: Deborah, Rebekkah, Leah. Feit is dat Sarai geen kinderen kan krijgen. Maar God grijpt in: haalt de mannelijke jod weg en vervangt deze voor de vrouwelijke he ה. Haar naam wordt Sarah, dit is blijkbaar genoeg om haar wél vruchtbaar te maken en binnen het jaar baart ze Izaak, Jitschaq יצחק, wat overigens betekent: hij zal lachen/hij lacht. ‘Wie het laatst lacht, lacht het best,’ zal God gedacht hebben.

En dan Jesaja: wat een belofte! ‘Die de Aanwezige verwachten zullen alle kracht vernieuwen, net als Abraham, die menselijk gesproken veel te oud was om nog een kind te krijgen. En dan de volken: God roept hen op om wapens te maken tegen het volk Israel, het moet toch niet gekker worden?! Maar het is bedoeld om hen voor eens en voor altijd te onderwerpen. Door wie?: ‘Ik heb U (Israel) tot een scherpe, nieuwe dorsslede gesteld (vs. 15-16)…’ Samen met Israel zal Hij de volken wannen en wegstormen. Het volk want en Hij stormt, Hij werkt heel, heel vaak door het weer heen.

Paulus haalt in Romeinen 4 het geloof van Abraham aan. Het is geen gemakkelijk hoofdstuk zo op het eerste gezicht, men moet echt meditatief lezen om eruit te halen wat hij hier werkelijk bedoelt. Zo op het eerste gezicht lijkt het dat de werken niet tellen, maar niets is minder waar. Denk maar aan Jacobus die in hoofdstuk 2:18 zegt: ‘Toon mij uw geloof uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.’ Het gaat dan ook niet om een vergelijking tussen werken en niet werken, maar het gaat om een opsomming van een volgorde: werken moeten uit geloof voortkomen en niet andersom! Geloof zonder werken is dood.

Ook wat betreft de besnijdenis; die komt voort uit geloof alleen; daardoor heeft het alleen zin als het voortkomt uit het wandelen in de voetstappen van Abrahams geloof (vs. 12). Abrahams geloof werd hem tot rechtvaardiging tsedaqa צדקה gerekend; hij geloofde dat God uit het niets, iets kon creëren, zelfs een kind. Aan ons de taak om zoals Abraham, God onvoorwaardelijk te geloven. In Hem, Die zelfs Zijn eigen Zoon uit de dood heeft opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Shabat shalom!

Yair en Karen Strijker van Studiehuis Reshiet maakten november 2013 met hun kinderen Ruth en Shmuel alija naar Israël. Na een roerige tijd in Sde Tsvi, hemelsbreed 16 kilometer van Gazastad, verhuisden ze januari 2015 naar Na’ale in Samaria, waar ze volgens de profetie van Jeremia 31:6 de volken oproepen naar Jeruzalem te komen om ‘te leren van onze God’. 

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Leave a comment

Your email address will not be published.


*