Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
In de vorige lessen over de Galatenbrief kwam het volgende naar voren:
• In habBeriet haChadasjah (B”CH; het Nieuwe Verbond) is geen plaats voor Isra‘El exclusivisme
• Als een talmied (leerling van de Here Jezus) toetreedt tot het Judaïsme, dan veracht die daarmee de door de Here Jezus verkregen verzoening met God en breekt die met het B”Ch!
• Aanhangers van Judaïsme zijn onder een vloek van de zondemacht en kunnen onmogelijk de Torah juist navolgen. Judaïsme veronderstelt dit ook en biedt er geen uitkomst voor. Ware Torahnavolging, zoals die door God oorspronkelijk bedoeld is, kan immers alleen na verlossing van de zondemacht en verzoening met Hem
• Judaïsten willen de talmiediem in de regio Galaten doen geloven dat zij behoren toe te treden tot het Judaïsme, want anders zouden ze niet gered worden. Dit is een valse bewering om de hiervoor genoemde reden. Maar die bewering is echter veel ernstiger. Het ontkent namelijk de verlossing van de zondemacht en gaat daarmee in tegen het evangelie van de Here Jezus
• Volgens Paulos heeft Torahnavolging van het B”Ch een dodende werking voor het vlees, maar ook leven/groei van de spirituele mens
• Iemand, zijnde onder de zondemacht, kan door Torahnavolging geen definitieve, blijvende verzoening met God verkrijgen. Een gelovige echter die met God verzoend is – de Here Jezus was de Eerste Mens Die dat was – zal door Torahnavolging God in beweging zetten. Maar aan die Torahnavolging moet wel geloofsvertrouwen vooraf gaan
• Paulos benadrukt dat alleen de functie van de Verbondstorah wijzigt door het B”Ch, maar niet verplichting tot Torahnavolging. Er bestaat immers geen Verbond van God, zonder een bijbehorende Torah
H4 (vervolg): Paulos komt weer terug op de periode waarin de Galaten nog ‘vipioi – onmondig/kinderlijk waren’ (zie 4:1, 3). Toen dienden ze goden die dat eigenlijk niet waren. Het Griekse woord edouleusate – ‘in dienst gestaan van’ is afgeleid van het woord doulos – slaven staat. Dat wijst erop dat zij eigenlijk ook niet anders konden. Ze stonden onder/waren in de macht van een bezitter. Dit is logischerwijs zeker van toepassing op de niet-Joodse Galaten die toen nog heidens waren. Maar Paulos maakt geen onderscheidt tussen Isra‘Eliem en die dat niet zijn en dat is vooral een forse belediging van zijn Isra‘Elitische volksgenoten (vers 8).
Hij stelt hier tegenover dat zij daarna:
– God hebben leren kennen (gnontes)
– Door God gekend zijn (gnoosthentes)
Dit staat in contrast met de staat van ouk eidotes – ‘niet toegeven’ (aan God) uit vers 8. Dit woord eidotes is niet gebaseerd op gnoosis – kennis, waarmee de woorden in dit vers in verband staan.
Paulos noemt die afgoden, net als in vers 3, stoicheia – ‘elementen/bovenmenselijke krachten’, waarover hij zegt dat zij:
– astheni – zwak/ziek zijn
– ptoocha – extreem arm zijn
Terwijl onwetende/kinderlijke mensen zoveel betekenis aan deze elementen toeschrijven. Bijvoorbeeld in het animisme (verering van natuurfenomen) en pantheïsme (veelgodendom). Paulos zegt dus eigenlijk dat de ongelovigen extreem simplistisch en bijgelovig zijn in hun beeld van het bovennatuurlijke. Daarom verbaast hij zich er ook zo over dat sommige Galaten begeren (thelete – zich er op focussen) weer slaaf (douleoen) van deze elementen te worden. Dezelfde staat weer oppakken van voor hun bekering (vers 9).
Paulos geeft voorbeelden van hoe dat terugvallen in de oude staat dan zichtbaar wordt: het waarnemen van dagen, maanden, vaste tijden en jaren. Hier gaat het natuurlijk niet om Bijbelse gedenk- en/of feesttijden[1]. Dit blijkt uit de verbinding die hij maakt met het woord stoicheia – ‘natuurfenomenen’ in het vorige vers.
Toegegeven, Bijbelse gedenk- en/of feesttijden hebben wel een zeker verband met natuurfenomenen. Zo vallen bijvoorbeeld de hoofdfeesten Pésach en Soekot precies tijdens volle maan en eigenlijk zijn deze feesten weer verbonden met ro’sj chodesj (nieuw maan)[2]. Maar alle Bijbelse gedenk- en/of feesttijden staan in verband met daden in het verleden die God volbracht of in het heden volbrengt aan Zijn volk. Voor wat het laatste betreft op Jom Kipoer – Verzoendag. Van belang is echter dat God ervoor koos de Bijbelse gedenk- en/of feesttijden in verband te brengen met een natuurfenomeen en niet andersom. Met dat gegeven dat Hij de schepper is van de natuurfenomenen.
Ander argumenten dat Paulos het niet over Bijbelse tijden heeft is het noemen van:
– kairous – gunstige tijden (om dingen juist wel te ondernemen)
– eniautous – jaren
Twee zaken die in de Bijbel niet in verband staan met gedenk en/of feesttijden[3].
Maar het zou ook te eenvoudige zijn om aan te nemen dat Paulos doelt op heidense gebruiken. Sterker, het ligt voor de hand dat hij zich richt tegen de Judaïsten. Dat is immers het hoofdthema van deze brief. Met andere woorden, dat hij het heeft over proto-Judaïsme (Jodendom van niet-wederomgeboren gelovigen), wat steeds meer gebaseerd werd op niet-Bijbelse, maar menselijke (lees: Farizese en later rabbinale) bepalingen (Bijvoorbeeld Mat 23:4, 23). Een Jodendom dat de Bijbelse Torah ging aanranden en het verkeerd/krom uitlegt door groeiende onbekendheid ervan.
Paulos vraagt zich opnieuw af of zijn zendingswerk mislukt is (zie vers 1:10). Hij stelt zelfs dat hij vreest voor hen (foboumai humas) die de Judaïsten navolgen. Zij dreigen weer onder de vloek van God te komen (zie verzen 1:8-9; 3:10), maar ze doen het dan met kennis van het evangelie. Dan weegt die vloek zwaarder, want ze keren zich dan af van wat God hen had gegeven (verzoening). Zij die niet meer onmondig waren (door de wedergeboorte) kiezen er voor om weer te gaan leven alsof ze ‘onder’ de zondemacht waren. Dat is spotten met God! Paulos weet dat hij niet verantwoordelijk is voor hun dwaling. Toch doen sommige vertalingen het overkomen alsof Paulos wel verantwoordelijk zou zijn (vers 11).
Dan volgt een persoonlijk en intiem gedeelte in de brief (verzen 12-20). Paulos opent met een bede dat er weer zicht mag komen op de band tussen hen en Paulos. Hij brengt daarbij zijn eerste bezoek aan hen in herinnering. Toen hebben ze niets gedaan waardoor hij bezorgt over hen zou zijn (vers 12). Dat, terwijl hij bij dat eerste bezoek, ziek was. Hij heeft het over:
– astheneian tis sarkos – zwakheid/ziekte van het lichaam (vers 13)
– ton peirasmon humoon en ti sarki mou – de felle beproeving in mijn lichaam (vers 14)
De gelovigen in de Galaten regio hebben niet gereageerd:
– eksouthenisate – neerkijkend (op zijn zwakke staat)
– ekseptusate – vanuit verachting
Ze ontvingen hem juist als vertegenwoordiger van de Here Jezus, wat hij ook is (vers 14).
Als het mogelijk was zouden ze hun eigen ogen aan hem geven. Blijkbaar leed Paulos aan een oog/zicht probleem bij het voorlezen. Maar hij vraagt zich af wat er over is van hun zegen (ho makarismos humoon)? (vers 15). Dan komt hij terug op het hoofdthema van deze brief. Hebben de Galaten zich tegen hem gekeerd omdat hij hun terechtwijst over hun navolgen van de Judaïsten? Zien ze dan niet dat die Judaïsten hen willen wegroven (buitensluiten) uit de geloofsgemeenschap (ekkleisai), zodat ze in plaats van de Here Jezus de Judaïsten gaan navolgen (vers 17).
Paulos noemt een algemene regel: Het is goed om steeds zelotisch (dzelousthai) te zijn in het juiste (kaloo). Dat moet niet afhangen van hem (vers 18). Hij noemt hen zijn kinderen waarvoor hij opnieuw geboorteweeën lijdt totdat in hen de Here Jezus gevormd is (morfoothi). Dit is een belangrijke opmerking voor Bijbelleraren en zendelingen. Het onderrichten van (nieuwe) talmiediem is een ding, maar het vorm krijgen van een vroom leven is een andere zaak. Dat is minder eenvoudig, duurt langer en geeft strijd (kosten) (vers 19).
Hij verlangt om in deze gevaarlijke tijd voor de geloofsgemeenschappen in de Galatenregio ter plekke aanwezig te zijn, maar ook dat hij hen weer op een minder strengere manier zou kunnen aanspreken. Zijn toon (foonin) zou kunnen veranderen (allaksai). Hij spreekt zijn twijfel uit over de redding (aporoumai) van de Galaten. Hij betwijfelt dus eigenlijk hun voorafgaande verlossing van de zondemacht. Dat ze nog niet wedergeboren waren. Hij zegt dat niet in termen van enkelingen, maar van de meerderheid (vers 20).
Vervolgens richt hij zich (verzen 21-31) schijnbaar direct tot de binnensluipers – de Judaïsten – in de geloofsgemeenschappen, want hij noemt hen thelontes – zij die willen/wensen/begeren (om zich toe te leggen op een wetmatigheid). Iets wat nauwelijks van toepassing is op gelovigen Joden, want die zijn door hun volksverband (beriet mielah – besnijdenis) verplicht de Torah na te volgen. Dat heeft niets te maken met willen, wensen of begeren. Het gaat dus niet om de Judaïsten, maar om een grote groep Galatische (niet-Joodse) talmiediem. Volgens Paulos begrijpen zij de Torah (van het B”Ch) niet (vers 21).
Hij herhaalt voor hen de geschiedenis van ‘Avraham (Gn 16:15; 21:2) en zijn twee ‘zonen’[4] (vers 22). De eerste zoon was verwekt uit menselijke overweging (klein geloof eigenlijk). De tweede zoon werd van Godswege verwekt, zoals Hij beloofd had (epangelias). De eerste zoon was verkregen bij een slavin, maar de tweede zoon bij ‘Avrahams eigen vrouw (vers 23). Tot zover de letterlijke Bijbelgeschiedenis. Paulos openbaart hierover een diepere betekenis (allegoroumena). Volgens hem vertegenwoordigen die twee geboorten ook twee verbonden (diathikai):
– die door Mosjéh werd bemiddeld: die slavernij voortbrengt[5]
– een Verbond dat onbenoemd blijft, maar hij bedoelt natuurlijk het B”Ch
Het Mozaïsche verbond brengt hij in verband met Hagar (vanuit menselijk initiatief; vers 24)[6].
Het volgende belangrijke vers heeft helaas diverse varianten in de manuscripten, wat aangeeft dat er later weer gerommeld is met de oorspronkelijke tekst. Paulos zegt hier waarschijnlijk dat de nakomelingen van Hagar in verband staan (sustoichei) met de toetreders tot Gods verbond gesloten in de Sinajwoestijn. Deze hebben een godsdienst overgeleverd die resulteerde in het eerste eeuwse Jodendom in de dagen van Paulos. Hij stelt dus dat dit Jodendom feitelijk illegitiem en on-Geestelijk is (vers 25)[7].
Door het hemelse Jeroesjalajim te contrasteren met het aarde Jeroesjalajim doet hij hetzelfde met de Tempel in de hemel, waar de Here Jezus kohen gadol (Isra‘Eltisch hogepriester) is, en de Tempel die op aarde stond. Dat hij het Jeroesjalajim van ‘boven’ (anoo) ‘vrij’ (eleuthera) noemt, wordt in traditioneel christelijke uitleg opgevat als vrij van verplichting om de Torah na te volgen. Dit is echter een nogal valse/onjuiste interpretatie. Paulos heeft het daar niet over en gaat ook tegen zijn betoog in[8]. ‘Vrij’ betekent hier legitiem, Geestelijk en naar Gods wil[9]. Dat zijn natuurlijk de nakomelingen van Jitschaq (d.i. hij die naar Gods wil (‘vrij’) geboren is uit Sarah en niet die geboren is naar menselijke overweging uit Hagar[10]) (vers 26).
+++
[1] Helaas beweert de christenheid dit juist wel en daarmee toont het ook een simplistisch/onmondig (on-Geestelijk) Bijbelbegrip.
[2] Waarmee ook het belangrijkste Bijbelse gedenkmoment Jom Kipoer (Verzoendag) en de periode van voorbereiding ervoor vanaf Jom Teroe’ah (Dag van hoorngeschal) is verbonden.
[3] Met uitzondering van het Sjabbatsjaar. Maar het ligt niet voor de hand dat Paulos alleen dit specifieke Bijbelse gedenkmoment bedoelt.
[4] Jisjma’e‘El (Ismaël) gaf al heel jong blijk van een vleselijke houding (Gn 21:9), waardoor hij net als de latere ’Esaw zich buiten het vrome nageslacht van ‘Avraham plaatste.
[5] Hoe kan Paulos zo negatief zijn over Mosjéh, terwijl de Mozaïsche Torah geïntegreerd is in de Torah van de B”Ch? Het volledige antwoord voert hier te ver, maar het korte antwoord is dat hij bedoelt dat Mosjéh feitelijk een Weg biedt in de gegeven omstandigheden (d.i. onder de zondemacht), zonder dat dit verlossing ervan geeft. Mosjéh leert slechts ‘doe dit en je zult [van Godswege] (over)leven’. Maar het was wel de door God gegeven Weg, terwijl heidenen in slavernij van demonen zijn. Het is altijd beter slaaf van God te zijn. Maar Mosjéh geeft geen perspectief op groei en spirituele ontwikkeling zoals God dat bedoelt. Het is in wezen gericht op werken van mensen. Hoe anders is de Geestvervulde Torahnavolging van het B”Ch.
[6] Deze allegorie van Paulos is, zoals elke allegorie, twijfelachtig. Ten tijde van ‘Avraham bestond het Mozaïsche verbond nog lang niet. Het werd pas ruim 400 jaar later door God gegeven. Er was in ‘Avrahams tijd geen noodzaak voor een ander verbond dan dat wat God met hem persoonlijk gesloten had. Het is natuurlijk wel zo dat Gods verbond met ‘Avraham opgenomen (geïntegreerd werd) in Zijn latere verbond dat Mosjéh bemiddelde.
[7] Iets wat de Here Jezus en andere apostelen ook stelden.
[8] Zie vers 21, waarin hij het erover heeft dat Torah nagevolgd moet worden, zonder te specificeren wie (Jood of niet) het betreft. Die verplichting betreft immers alle gelovigen, zoals Paulos. Ook de Here Jezus en anderen leerden dat herhaaldelijk.
[9] Precies de definitie van wat Torah is en voorstaat. Maar dan wel beoefent door gelovigen die verlost zijn van de zondemacht.
[10] Dit veroordeelt hen dus die beweren nakomelingen te zijn van Hagar (d.i. moslims).
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 4:7-26


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 4:7-26"