Sjabbats­lezingen: Verhard je niet als God spreekt

Harp Koning David Zal de farao wel naar mij luisteren? dacht Moses. Dan zegt God aan Moses en Aäron goddelijk gezag toe, een volmacht om namens Hem te spreken en op te treden. Hij geeft kracht aan hun woorden en daden.

Zal de farao wel naar mij luisteren? dacht Moses. Dan zegt God aan Moses en Aäron goddelijk gezag toe, een volmacht om namens Hem te spreken en op te treden. Hij geeft kracht aan hun woorden en daden.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Wa’era (En Ik verscheen) zijn:
✡ Torahlezingen: Exodus 6:2 – 9:35,
✡ Profetenlezing: Ezechiël 28:25 – 29:21,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Openbaring 16:1-21.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
Het gebeurde op de dag dat de HEERE tot Mozes sprak in het land Egypte, dat de HEERE tot Mozes sprak: Ik ben de HEERE. Spreek tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot u spreek. Toen zei Mozes voor het aangezicht van de HEERE: Zie, ik ben niet welbe­spraakt. Waarom zou de farao dan naar mij luisteren?
Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao tot een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn. Ú moet alles wat Ik u gebieden zal tegen Aäron zeggen, en Aäron, uw broer, moet tot de farao spreken, dat hij de Israë­lieten uit zijn land moet laten gaan. Maar Ík zal het hart van de farao ver­har­den en Mijn teke­nen en Mijn wonde­ren in het land Egypte talrijk maken. De farao zal niet naar u luiste­ren, maar Ik zal Mijn hand op Egypte leggen en Mijn legers, Mijn volk, de Israë­lieten, uit het land Egypte weg­lei­den onder zware straf­ge­rich­ten. Dan zullen de Egyp­te­na­ren weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn hand over Egypte uitstrek en de Israë­lieten uit hun midden wegleid.
Toen deden Mozes en Aäron zoals de HEERE hun geboden had. Dat deden zij. Mozes was tachtig jaar oud en Aäron drieën­tachtig jaar oud toen zij tot de farao spraken.
En de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron: Als de farao tot u spreekt: Doe voor uzelf een wonder­teken, dan moet u tegen Aäron zeggen: Neem je staf en werp die neer voor de farao; en de staf zal tot een slang worden. Toen kwamen Mozes en Aäron bij de farao en deden precies zoals de HEERE geboden had. Aäron wierp zijn staf neer voor de farao en voor zijn dienaren en hij werd tot een slang. Maar de farao op zijn beurt riep de wijzen en de tove­naars, en ook zij, de Egyp­tische magiërs, deden met hun bezwe­rin­gen hetzelfde. Want ieder wierp zijn staf neer en zij werden tot slangen, maar de staf van Aäron verslond hun staven.
Het hart van de farao verhardde zich echter, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.

Exodus 6:27 – 7:13 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
En u, mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. U zult een woord uit Mijn mond horen en u moet hen namens Mij waar­schu­wen. Als Ik tegen de godde­loze zeg: Godde­loze, u zult zeker ster­ven, en u hebt niet gespro­ken om de godde­loze te waar­schu­wen voor zijn weg, dan zal die godde­loze in zijn onge­rech­tig­heid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Maar wat u aangaat, als u de godde­loze voor zijn weg gewaar­schuwd hebt om hem daarvan te bekeren en hij zich niet van zijn weg bekeert, dan zal híj in zijn onge­rech­tig­heid sterven, maar ú hebt uw leven gered.
Ezechiël 33:7-9 (HSV)

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Saulus nu, die tegen de discipelen van de Heere nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hoge­priester toe en vroeg van hem brieven voor Damas­cus, gericht aan de syna­go­gen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeru­za­lem zou brengen. En terwijl hij onder­weg was, gebeur­de het dat hij dicht bij Damas­cus kwam. En plotse­ling omscheen hem een licht vanuit de hemel, en toen hij op de grond geval­len was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is hard voor u, met de hielen tegen de prikkels te slaan. (…)
Maar richt u op en sta op uw voeten, want hier­toe ben Ik aan u versche­nen: om u aan te stellen als dienaar en getuige zowel van de dingen die u gezien hebt als van die waarin Ik nog aan u verschij­nen zal; en Ik zal u ver­los­sen van dit volk en van de heide­nen, naar wie Ik u nu zend, om hun ogen te openen en hen te beke­ren van de duis­ter­nis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij verge­ving van de zonden ontvan­gen en een erfdeel onder de gehei­lig­den door het geloof in Mij. Daarom, koning Agrippa, ben ik die hemelse verschij­ning niet onge­hoor­zaam geweest.

Handelingen 9:1-6 en 26:16-19 (HSV)

Verhard je niet als God spreekt
Als de Israëlieten al niet naar mij willen luisteren, nadat ze het teken hebben gezien van de staf die een slang werd, zal de farao dan wel luiste­ren? vroeg Moses. ‘Toen zei de HEERE tegen Moses: Zie, Ik heb u voor de farao (tot) een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn”.‘ (7:1).
God geeft aan Moses en Aäron goddelijk gezag, een volmacht, om namens God te spreken en op te treden. Hij geeft hun woor­den en daden kracht, Hij staat achter de woor­den van Moses en handelt in de plagen over Egypte, die Moses aankon­digt. Hij handelt wan­neer Aäron zijn staf op de grond werpt en die voor de ogen van de farao in een slang veran­dert. Hij toont zijn almacht over de tover­kunsten van de Egyp­tische wijzen en tove­naars, wanneer Aärons slang de slangen van de tove­naars verslindt: God is mach­ti­ger dan de Egyp­tische goden, door wie de tove­naars hun kunsten uitvoeren.

In 2 Timotheüs 3:8 worden de namen van de tovenaars genoemd: De naam Jannes betekent ‘onder­druk­ker’, de naam Jambres ‘weer­span­nige’. Samen met de farao zijn ze tegen­stan­ders van de God van Israël. Een profe­ti­sche afbeelding van satan en zijn twee beesten, de anti­christ en politieke wereld­leider en de valse profeet, de reli­gieuze wereld­lei­der. Zij vormen een namaak-drie­ëen­heid.

De slang van Aaron verslond de andere slangen. Dat is een duidelijke boodschap voor de farao: Uit­eindelijk zal het Joodse volk jou en je volk verslinden en zal er niets overblijven van jullie, indien je blijft weigeren om het Joodse volk te laten gaan.

Maar de farao was niet onder de indruk van de staf, die zomaar in een slang veranderde. Het hart van de farao is onvermurwbaar. Hij weigert het volk te laten gaan. Daarmee roept de farao de eerste van de tien plagen over zijn land af: het water van de Nijl, de levensader van Egypte, verandert in bloed. Nog negen andere plagen volgen, voordat de farao zich gewonnen geeft en de Israëlieten laat vertrekken.

Koning Saul beschouwde zijn schoonzoon David als zijn rivaal, nadat deze grote overwinningen had behaald op de Filistijnen, en hij wilde hem doden. Bij een achter­vol­ging met zijn leger moest koning Saul even poepen, en deed dat in de grot, waarin David en zijn mannen zich hadden verbor­gen. Maar David weigerde de gezalfde van de Heer te doden, en confron­teer­de Saul daarmee, en Saul toonde berouw: ‘Hij zei tegen David: Jij bent recht­vaar­di­ger dan ik, want jij bent goed voor mij geweest, en ik ben slecht voor jou geweest. Je hebt vandaag verteld dat je mij goed gedaan hebt; want de HEERE had mij in jouw hand over­ge­le­verd, maar je hebt mij niet gedood. En wanneer iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan ongehinderd gaan? Moge de HEERE jou belonen voor het goede dat je mij vandaag gedaan hebt’. (1 Samuël 24:18-20)

Maar het berouw van koning Saul duurde niet lang: ‘Toen stond Saul op en trok naar de woestijn Zif, en met hem drieduizend man, de beste van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan de weg ligt; maar David bleef in de woestijn en zag dat Saul achter hem aan kwam naar de woestijn’. (1 Sam 26:2-3)
Ook toen spaarde David het leven van koning Saul, en nam alleen de waterkruik en de speer mee van de slapende koning, en confronteerde hem daarmee – vanaf een veilige afstand.
Toen zei Saul tegen David: Geze­gend ben je, mijn zoon David; wat je ook doet, je zult ertoe in staat zijn. Toen ging David zijns weegs, en Saul keerde terug naar zijn woon­plaats. Maar David zei in zijn hart: Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weg­ge­vaagd worden. Er is voor mij niets beters te doen dan met spoed te ontko­men naar het land van de Filis­tij­nen. Dan zal Saul zijn hoop omtrent mij op­ge­ven om mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël, en zo zal ik uit zijn hand ontko­men. (1 Samuël 26:25 – 27:1)
David had geen vertrouwen meer in de woorden van koning Saul. Zijn hart was verhard.

In het boek Handelingen van de Apostelen komen we nog een Saul tegen, de overijverige farizeeër Saulus, die de gemeente van Davids zoon Jezus vervolgt, tot in Damascus toe. Maar wanneer Jezus aan hem verschijnt, komt Saulus tot inkeer en opent zijn hart voor Jezus. God maakte hem tot zijn apostel Paulus, die de halve toenmalige wereld is rondgereisd om van Jezus te getuigen en gemeenten te stichten.

In de dagen van Moses en Aäron was het Egypte, dat een bedreiging vormde voor de Israëlieten, en een waarschuwing ontving. In onze dagen is het (o.a.) Iran dat de Staat Israël bedreigt, en nu (met hulp van de Verenigde Staten) al flinke waarschuwingen heeft gekregen. Door de aanhoudende protesten van de bevolking (ten koste van honderden doden en gewonden) wankelt het fanatieke islamitische bewind. Zal het luisteren?
Door het bedreigen en beschieten van Israël heeft Iran een zware schuld op zich geladen. Zie Jeremia 49:34-39.

Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, indien u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals bij de verbit­te­ring, op de dag van de verzoe­king in de woestijn. (Hebreeën 3:7-8)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Handelen in Gods naam, Exodus 5-6,
Verhard uw hart niet, Exodus 6, 8, 9,
God ontfermt zich over wie Hij wil, Exodus 6-7,
Oorlog tegen de Egyptische afgoden, Exodus 7,
Luister naar Gods waarschuwingen, Exodus 7.
Bronnen o.a. ‘De dagen verkort’, Paul van Teeffelen; uitleg van rabbijn Shimon Evers.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Verhard je niet als God spreekt"

Geef een reactie