Haftarah – Devariem – Woorden (van Mozes)

Print Friendly, PDF & Email

Haftarah Devariem gaat over de parallel tussen de weerspannigheid van Isra‘El tegen God in de tijd van Mozes en in de tijd van Jesaja.

Jesaja’s visioen over Judahs en Jeruzalems toekomst
Jesja’jahoe (Jesaja) kreeg van Godswege een visioen (chazon) over Jehoedah (Judah) en Jeroesjalajim. Bij het begin van het uitspreken ervan riep hij de Schepping (hemel en aarde) op als getuige (Js 1:2). God stelde Zich voor als Schepper van het volk Isra‘El, maar Hij verweet hen dat ze afvallig (pasja’) van Hem waren geworden.

Gedomesticeerde dieren weten maar al te goed wie hun eigenaar is en leven daarnaar. Isra‘El echter niet. Nee, zij waren een zondige natie (goj chote‘), een van misdaad beladen volk (’am kévéd ’awon), een geslacht van boosaardigen (zéra’ mere’iem) en zonen van verdorvenheid (baniem masjechietiem). Een soortgelijke vaststelling deden de Here Jezus en Zijn discipelen zo’n 800 jaar later ook (Mt 23:25, 37; Jh 7:19; Hnd 7:51). Daarom was de Here Jezus immers tot Isra‘El gezonden; om hen van hun doodlopende weg te doen keren. Maar Isra‘El heeft ook toen opnieuw geweigerd te gehoorzamen, net als in de dagen van Jesja’jahoe. Daarom volgde opnieuw de verwoesting van de Tempel en Isra‘Els tweede verbanning van Godswege die tot op de huidige dag voortduurt (al bijna 2000 jaar; Jh 15:6).

God vroeg door Jesja’jahoe na hoeveel slagen, die Hij hen zou toebrengen, Isra’El zich eindelijk zou bekeren. Maar omdat ze dat niet deden kondigde Hij de slag aan: Hun Land zou een woestenij worden, hun steden zouden in brand gezet worden en hun akkers zouden geplunderd worden door buitenlanders. Alles zou een woestenij worden. Jesja’jahoe stelde vast dat het een genade zou zijn als God daarna nog een rest (saried) aan Isra‘El zou overlaten (vs 9).

Regeerders van Isra‘El, die aan Sodom (Sedom) en Gomorah (’Amorah) werden gelijkgesteld, kregen het volgende onderricht (Torah) voorgehouden: Waarom brachten zij nog die grote hoeveelheid Tempeloffers? God had er geen behagen meer aan, omdat die niet uit liefde en ontzag werden gebracht. Het waren gaven van valsheid (minchat-sjaw‘) geworden. Sterker nog, God verafschuwde die offers. Hij haatte die en was die beu (vss 13-14). Hij riep op dat ze zich eerst zouden reinigen, hun werken van boosheid zouden wegdoen en zouden leren goed te doen, juist te handelen, de geweldenaar zouden richten en barmhartigheid betonen aan de zwakken (vooral wezen en weduwen). God hield ze opnieuw het principe van Zijn koninkrijk voor: zegen en vloek (vss 19-20). Als ze zich zouden bekeren, dan zou Hij hen weer aannemen.

Jesja’jahoe laat een weeklacht horen over Jeroesjalajim. Hoe is zo’n verheven stad vervallen tot een plaats van hoererij, doodslagers en dieven! Een plaats waar Gods barmhartigheid verbannen was. Daarom zou God, de Here God van de hemelse legerscharen (ha‘Adon HaSjem Tseva‘ot), de Gevleugelde (‘avier) van Isra‘El, Zich bekoelen aan Zijn tegenstanders (tsariem) en wraak nemen op Zijn vijanden (‘ojeviem) onder Isra‘El. Hij zou hen Zelf bekeren (vs 27). Deze profetie is tot op heden onvervuld, maar de vervulling zal worden gemarkeerd door de komst van de Messias.

Parallellen
Sidra‘ Devariem (Dt 1:1-3:22) gaat over de opening van de lange toespraak van Mosjéh (Mozes) aan Isra‘El op de oostelijke oever van de Jordaan tegenover Jeriecho. Hij herhaalde wat hen sinds hun vertrek bij Chorev (Horeb) in de Sienaj (Sinaïwoestijn) was overkomen tot op die dag. Hoe zij weerspannig waren geweest tegen God en Hij een hele generatie verbood om het beloofde Land in te gaan om het te beërven.

Deze haftarah (Js 1:1-27) is de 3e en laatste rouwhaftarah in verband met Tisja be‘Av (9de dag in de vijfde Joodse maand); de herdenking van de verwoesting van de Bejt hamMiqdasj (De Tempel). Het heeft een parallel met de ernstige weerspannigheid van Isra‘El in de tijd van Mosjéh (Nm 13-14) met Isra‘Els ernstige weerspannigheid in de tijd van Jesja’jahoe. Zoals in de dagen van Mosjéh een generatie de toegang tot het beloofde Land werd ontzegd (Heb 3:11), zo werd in de dagen van Jesja’jahoe een generatie het bezit van het beloofde Land ontnomen. Natuurlijk is dat laatste nog erger dan het eerste, want Isra‘El had inmiddels al meer dan 700 jaar genoten van het wonen in het Land. Het grote verschil tussen iets niet krijgen wat nog nooit bezit was geweest of iets ontnemen wat heel lang bezit was geweest. Daar kwam nog bij dat hun Land voor hun ogen geroofd, geplunderd en verwoest zou worden. Ook zou de straf geen 40 jaar, maar 70 jaar buiten het beloofde Land duren. Bijna het dubbele.

Een ander parallel is dat in de weerspannigheid de leiders van Isra‘El het lieten afweten. Zowel in de dagen van Mosjéh als in de dagen van Jesja’jahoe. Immers, in de tijd van Mosjéh waren het alleen de stamhoofden Jehosjoea’ (Jozua) en Kaleb die van zich lieten horen ten gunste van Gods wil, terwijl het volk tegen Mosjéh en Aharon (Aäron) in opstand kwamen. De overige verspieders, allen stamhoofden (Nm 13:3), zette aan tot weerspannigheid en Isra‘Els leiders sloten zich niet aan bij de partij van God. Ze namen geen afstand van de wil van het volk. In de tijd van Jesja’jahoe volgden Isra‘Els leiders ook de wil van het tegen God weerspannige volk.

Torahgedeelten

De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah:

• 1:6 Gelovigen moeten de Aanwezigheid van God op gepaste tijd weer verlaten om uit te gaan om hun roeping en opdracht te vervullen.
• *1:9-18 Als Gods volk te groot wordt voor een messiaans leider, dan moeten hoofden, oversten en rechters worden aangesteld (Ex 18:17-26; Hnd 6:3).
• 1:30-31 God leidt Zijn volk en strijdt voor hen.
• 1:34 Ongeloof van gelovigen maakt God boos, zodat Hij hen straft (Hebr 3:11).
• 1:39 Soms zijn onwetende kinderen beter af in Gods oordeel dan volwassen gelovigen.
• 1:41-43 Gelovigen kunnen in (weerspannig) enthousiasme overmoedig tegen Gods wil in gaan.
• 1:45 God luistert niet altijd naar Zijn volk.
• 2:4-5, 9, 19 Gelovigen mogen hun ongelovige familie niet uitdagen, aanvallen of bezit van hun (af)nemen, maar hen rechtvaardig behandelen.
• 3:18 Gods volk moet onderlinge broederschap hebben.

De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen 2 mitswot.

Volgende week: Wa‘etchannan over de parallellen in verband met de verkondiging van Gods uniekheid door Mozes en Jesaja.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties

Be the first to comment on "Haftarah – Devariem – Woorden (van Mozes)"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*