Haftarah – Pienchas – (Guldenmond)

Print Friendly, PDF & Email

Haftarah Pienchas gaat over de parallel tussen het twijfelen over de toekomst van Mozes en van de profeet Elia.

Elia’s nieuwe levensvisie
God zond de profeet ‘Eliejahoe (Elia) de koning van het 10-stammenrijk, ‘Ach‘av (Achab), achterna tot bij zijn residentie in de stad Jizre’‘El (1 K 18:46). Dit gebeurde meteen nadat ‘Eliejahoe de afgoderij van Ba’al op de Karmel een gevoelige steek had gegeven. Hij had daar aangetoond dat de God van de Bijbel regeerde in Isra‘El en niet Ba’al. Toen ‘Ach‘av zijn vrouw ‘Iezévél (Izebel) had verteld wat er was gebeurd stuurde ze meteen een dreigende boodschap naar ‘Eliejahoe. Ze zou hetzelfde met hem doen als wat hij met de priesters van Ba’al had gedaan; laten doodslaan met het zwaard.

Toen ‘Elijahoe dat hoorde vluchtte hij in paniek naar het uiterste zuiden van het beloofde Land en vroeg God om hem te doden (19:4). Maar God zond een engel die hem voedsel gaf en hem opdroeg naar de berg Gods, Chorev (Horeb), te gaan. Daar aangekomen sprak hij God aan over de goddeloze staat van Isra‘El, hoe zij al Gods profeten gedood hadden en vervolgens zijn leven bedreigden. God maakte Zich toen kenbaar aan hem zonder dat Hijzelf aan hem verscheen. Maar ‘Eliejahoe bleef ontmoedigd. Toen gaf God hem drie belangrijke opdrachten die met elkaar in verband stonden. ‘Eliejahoe ging daardoor weer in geloof op pad om die opdrachten te doen. Hij was niet bevreesd meer.

Parallellen
Sidra‘ Pienchas (Nm 25:10-30:1) gaat over de zegenende woorden die God sprak over Pienchas (Pinehas) in verband met zijn optreden tegen de hoererij van Isra‘El met de buurvolken. God reageert daarentegen fel tegen de misdaden van Midjan tegen Isra‘El en geeft opdracht hen als vijanden te beschouwen en oorlog tegen hen te voeren.

Vervolgens gaf God de uitzondelijke opdracht om Isra‘El opnieuw te tellen nu ze op het punt stonden de Jordaan over te trekken en het beloofde Land in te nemen. Ook gaf hij een uitbreiding van de bepaling over de overdracht van landsbezit. Het moest familiebezit blijven. Ook als er geen mannelijke erfgenaam zou zijn (27:8-11).

Toen gaf God aan Mosjéh (Mozes) de opdracht om de berg ’Avariem te beklimmen om het beloofde Land te bekijken. Daarna zou hij sterven, net zoals ‘Aharon, zijn broer, eerder op een bergtop was gestorven (20:24-29). Het was Gods straf om hun zonde (20:12; 27:14). Mosjéh maakt zich echter druk om zijn opvolging. Hij vond dat Isra‘El naast God toch een mens nodig had als herder (ro’éh). Daarom gaf God de opdracht om Jehosjoea’ apart te wijden als aanvoerder, hoewel hij dat al was.

God herhaalde en voegde toe aan de bepalingen voor de vuuroffers (Ex 29:38-42; Lv 23) die gebracht moesten worden in het centrale heiligdom. Op de twee dagelijkse offers, op Sjabbat, op Ro‘sj Chodesj (Nieuwe maansdag), op Pésach (Pasen), op Sjavoe’ot (Pinksteren), op Jom Teroe’ah (Dag van het geschal), op Jom Kippoer (Verzoendag), op Soekot (Loofhutten) en op Jom haSjemienie ’Atsérét (De afsluitende achtste dag).

De haftarah (1 K 18:46-19:21) heeft de parallel met het gebrek aan vertrouwen in God van zowel Mosjéh toen God hem bekendmaakte dat zijn dood aanstaande was en ‘Eliejahoe, die ook dacht dat hij zou sterven. In beide gevallen liet God blijken dat Hij hun zorgen voor de toekomst deelde. Mosjéh kreeg de opdracht om Jehosjoea’ als ‘opvolger’ aan te wijzen, hoewel alleen de Messias Mosjéh kan opvolgen. Geen mens zou ooit nog zo’n band met God hebben zoals Hij met Mosjéh had tot de komst van de Messias (Ex 33:11; Nm 12:8; Dt 18:15). Evenzo, kreeg ‘Eliejahoe van God de opdracht om ‘Eliesja’ (Elisa) als ‘opvolger’ aan te wijzen, hoewel ‘Eliejahoe altijd tot Isra‘Els grootste profeten zou behoren.

Er is ook een parallel tussen Pienchas en ‘Eliejahoe. Pienchas ijverde voor God toen Isra‘El hoereerde met het heidendom van de omringende volken, waarvan de afgoderij met Ba’al Pe’or het allerergste was. Zo ijverde ‘Eliejahoe voor God toen Isra‘El afgoderij bedreef met Ba’al in zijn dagen (1 K 18:19-45). Beiden wendde Gods toorn over Isra‘El af. Het is niet voor niets dat God over een individueel, patriarchaal Verbond spreekt met Pienchas (Nm 25:12-13) en ‘Eliejahoe door God wordt gesommeerd om naar de berg van Gods Verbond, Chorev (Horeb), in de Sinaj (Sinaïwoestijn) moest gaan (1 K 19:8).

Torahgedeelten

De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah:

• 25:11 IJver (qana‘) voor God (2 Kor 11:2) kan Zijn toorn over Gods volk afwenden (verzoening (kapar) geven (vs 13)).
• 25:13 Het verbond van sjalom dat God met Pienchas en diens nageslacht sloot is met de verwoesting van de Bejt hamMiqdasj (Tempel) in 70 CE op non-actief gesteld.
• 25:17 Alle heidenen/natiën die zich kwaadaardig opstellen tegen Gods volk moeten als vijanden worden beschouwd en indien nodig gewapenderhand bestreden worden (H31; Opb 18:6).
• 26:53-56 Gods erfdeel wordt naar omvang van behoefte en door God (door middel van het lot (goral); Hnd 1:26) toebedeeld.
• 25:62 Gods dienaren – de Lewiejiem (Levieten) – staan buiten Zijn volk. Voor hen gelden andere (godsdienstige) bepalingen.
• *27:8-11 Vanuit de levenspraktijk komen verbeteringen van Gods bepalingen tot stand (2 Tim 3:16; Tit 1:5).

De met een * aangegeven bepaling is door de rabbijnen vastgesteld als mitswah uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen 6 mitswot.

Volgende week: Mattot over de parallellen in verband met Gods woorden aan Mozes en aan Jeremia.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties

Be the first to comment on "Haftarah – Pienchas – (Guldenmond)"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*