Haftarah – Sjoftiem – Beslechters

Haftarah Sjoftiem gaat over Gods orde die ingesteld moest worden in Israël en die Hij na het herstel van Israël uit de ballingschap volledig zal instellen.

God bemoedigt Isra‘Els vromen en kondigt het herstel aan
God bemoedigde Zijn profeet Jesja’jahoe (Jesaja) en het vrome Isra‘El die hij bij Hem vertegenwoordigde (Js 51:12). De Isra‘Elitische overheid en diverse Isra‘Elitische machthebbers bedreigden en vervolgden Jesja’jahoe en de vrome volksgenoten om hun woorden en daden. Vooral omdat Menasjeh (Manasse) op het punt stond koning te worden. Dat dateert deze geschiedenis rond 698 BCE. Maar God riep hen op niet te vrezen, want het waren slechts machten die zouden vergaan als gras (40:7-8). God was echter de Schepper van hemel en aarde. God zou haast maken om de verdrukte Isra‘Eliem bij te staan en te beschermen (51:14-16). Hij zou de natiën (metafoor: de zee) erbij betrekken en de vromen de juiste woorden geven om te spreken.

Dan volgt een toekomstprofetie dat God het vrome Isra‘El (metafoor: Jeruzalem) zou oproepen om hun verbanning te verlaten (vanaf vs 17). Het is God Die hen zou terughalen, want onder de zonen van Isra‘El zou niemand ertoe in staat zijn. God noemde Isra‘El ellendig (’anie) en bedwelmd (sjechoer) door de gramschap die Hij hen had laten drinken. God zou daarna echter hen (de heidenen) dit laten drinken die Isra‘El gevangen hielden. Er zou dus een moment komen waarneer God Zich zou keren tegen hen (heidense natiën) die Isra‘El in gevangenschap hadden gevoerd en/of hielden.

God hield het vrome Isra‘El een toekomstperspectief voor van een Jeruzalem dat helemaal naar Gods wil zou zijn (52:1). Daartoe zou Isra‘El uit hun verbanning worden geroepen. Voor de terugkeer van Isra‘El zou niet betaald worden, want ze waren immers ook zonder te betalen door God weggegeven. Sterker, Hij zou allen die Isra‘Els God bespot hadden bestraffen.

Er zou een boodschapper (mevasser) komen die Isra‘Els herstel aan Tsion zou bekendmaken. Het moment dat God Zijn belofte zou gaan vervullen. Dan zouden diegene die lang daarnaar hebben uitgezien juichen. Zelfs de puinhopen van de stad Jeruzalem zouden dan opgeroepen worden om te juichen. God zou Zijn volk troosten (nacham) en lossen (ga‘al). Heel de mensheid zou kennis nemen van Gods redding (jesjoe’ah) van Isra‘El.

Opnieuw zou God er dan bij Isra‘El op aandringen om hun verbanning te verlaten, om niet langer het onreine (van de heidenen) aan te raken maar zich te reinigen (vs 11). Isra‘El zou echter niet in haast vertrekken, want God zou hun voorhoede en achterhoede zijn. Er zou daarom geen reden zijn tot haast, maar Gods macht zou daarin getoond worden.

Parallellen
Sidra‘ Sjoftiem (Dt 16:18-21:9) gaat over Gods bevel aan Mosjéh (Mozes) om een rechtsbestel in Isra‘El te laten functioneren via Tempel kohaniem (Isra‘Elitische priesters). Wie schuldig is moet naar de Verbondsvoorwaarden bestraft worden. Mosjéh werd ook de voorwaarden voor het koningschap gegeven. De plaats van de Lewiejim (Levieten) werd bepaald, hoe omgegaan moest worden met hen die opriepen om als de heidenen te gaan leven, het profetenambt, de vrijsteden, het omgaan met landroof, met getuigenverklaring, oorlogsbepalingen en de regeling bij een onbekende moordenaar.

De haftarah (Js 51:12-52:12) heeft, net als de vorige haftarah, geen parallel met de sidra‘. Toch is er een verband met Gods orde die in Isra‘El ingesteld moest worden zodra ze een natie zouden zijn wonende in het beloofde Land. Die orde bestond uit het naleven van de Verbondsvoorwaarden en het handhaven ervan door rechtspraak. Isra‘El is tweemaal van Godswege verbannen omdat ze die orde lieten verwateren, zich ertegen verzette en het aanpaste naar een heidense ordeningen. Zoals aangekondigd zou die verachting van Gods orde bestraft worden.

Wat de sidra‘ tekst niet noemt, maar wel in de haftarah tekst naar voren komt, is dat God zelf die orde volledig zal vaststellen in Isra‘El. Met andere woorden, het hangt niet alleen van Isra‘El af om de orde te handhaven. God zal het uiteindelijk Zelf handhaven en daarmee aan de mensheid tonen dat het om een goddelijke en geen menselijke orde gaat. Om te voorkomen dat de menselijke zwakheid het opnieuw fout zou laten lopen, zou God uiteindelijk op aarde Zijn Messias aanstellen om die orde op langere, maar afgeperkte termijn te waarborgen.

De profetie van Jesja’jahoe over het herstel van Isra‘El gaat zowel over de terugkeer uit de eerste verbanning als over de definitieve terugkeer uit de laatste verbanning. Dat dit zo is blijkt daaruit dat wat Jesja’jahoe profeteert meer deels vervuld is na de eerste terugkeer (6de eeuw BCE). Het vooruitzicht dat Jeruzalem alleen nog toegankelijk is voor besnedenen (ook van hart) en (geestelijk) reine mensen (gelovigen die klaar zijn voor de eredienst/volkomen de Verbondsvoorwaarden navolgen) is immers nog niet voorgekomen in de geschiedenis.

Torahgedeelten

De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah:

• *16:18-19 Gods volk zal Zijn orde op juiste wijze handhaven via bekwame leiders.
• *16:21-17:7 Gods volk moet niet compromitteren met het heidendom, maar wie dat wel doet zal uit Zijn volk verwijderd worden.
• *17:15-20 Bepalingen voor het Isra‘Elitisch koningschap.
• *18:9-22 Bepalingen voor uitspraken over wat in de toekomst zal gebeuren (toekomstprofetie).
• *19:14-21 Gods volk mag grenzen niet overschrijden en geen valse getuigenissen afleggen in een (godsdienstige) rechtszaak. Wie dat wel doet zal uit Zijn volk verwijderd worden.

De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen 30 mitswot.

Volgende week: Kie-tetse‘ over het verband tussen Gods Verbondsvoorwaarde en Zijn trouw aan dat Verbond.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Wees de eerste die reageert op "Haftarah – Sjoftiem – Beslechters"

Geef een reactie