Parasjah Mas’ej (opbreekplaatsen)

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Nm 33-36) geeft de verblijfplaatsen op de Uittochtsroute, als getuigenis voor volgende generaties, Gods instructies voor de Inname van het beloofde Land met de Landsgrenzen, de nadere instructies over de Levietensteden en de bepalingen voor de doodslaander. Aan de hand van een algemene bepaling worden de gebieden van de dochters van Tselofchad veiliggesteld.

Mozes geeft een overzicht van de plaatsen waar de Isra‘Eliem hun kamp opbraken (mas’ej) naar de mondelinge opdracht van God (33:2). Isra‘El verliet Mitsrajim (Egypte), terwijl de inwoners hun eerstgeborenen aan het begraven waren. Ze lieten een land achter dat God volkomen (tien keer) geslagen had, maar niet compleet verwoest. Isra‘El zou Mitsrajim ook in de komende generaties als buurnatie houden.

Uittochtsroute revisted

Vanuit hun verzamelpunt bij Ra’meses liet God hen vijf plaatsen aandoen, waarna ze middendoor de zee (vetoch-hajjam; vs 8) trokken. In de woestijn aan de andere kant legerden ze zich op zeven plaatsen voordat ze uiteindelijk in de woestijn Sienaj aankwamen. Opvallend is dat hier de berg Gods, Chorev (Horeb), en hun verblijf van ruim een jaar daar niet wordt genoemd. (Er wordt bij geen van de hier genoemde plaatsen iets over de verblijfsduur gesteld, maar wel gebeurtenissen ter plaatse beschreven.) Van de zeven plaatsnamen zijn er twee die niet eerder waren genoemd: Dafqah (kloppen) en ‘Aloesj (kneden). Deze namen zijn interessant, omdat tussen de woestijnen Sien en Sienaj aan Isra‘El het Man – het wonderlijke meel – werd gegeven. De twee plaatsnamen lijken in verband te staan met de verschillende manieren waarop ze het Man bereidde (11:8).

Na het opbreken uit de woestijn Sienaj vervolgt Mozes met de plaatsen op weg naar het beloofde Land. Aan de drie eerder genoemde plaatsen – Qivrot hatTa ‘awah (11:35), Chatserot (12:16) en Qadesj (13:26; 20:22) worden achttien niet eerder genoemde plaatsnamen toegevoegd. Die laten zien waar God Isra‘El deed verblijven tijdens hun straftijd van veertig jaar in de woestijn. Opvallend is dat het eerste verblijf bij Qadesj, waarvandaan de 12 verspieders uitgingen, niet wordt genoemd, maar alleen het tweede verblijf daar (vss 36-37).

Opvallend is dat opnieuw (20:24-29) uitgebreid Aärons sterven op de berg Hor wordt genoemd (20:22-29). Er staat dat dit in het veertigste jaar na de Uittocht op de eerste dag van de vijfde maand (juli-augustus) gebeurde. Aäron leefde 123 jaar. Daarmee komt vast te staan dat Aäron, net als Mirjam, ouder was dan Mozes (vergelijk Dt 31:2). Hieruit blijkt ook dat de tocht vanaf het eerste verblijf in Qadesj tot aan de dood van Mozes in Isra‘Els straftijd van veertig jaar valt (14:34). De Inname van het beloofde Land had dus eigenlijk bij het eerste verblijf in Qadesj moeten gebeuren (Dt 1:21).

Vanaf de eerder genoemde confrontatie met de koning van ’Arad (21:1) worden acht plaatsen genoemd. Tussen Hor en ‘Ovot, op de weg naar Jam Soef (21:4), worden twee niet eerder genoemde plaatsen genoemd (vss 41-42): Tsalmonah (Schaduwrijk) en Foenon (Afwending (van God)). Het lijkt erop dat in Foenon het incident plaatsvond met de vurige slangen (21:6). Daarna volgen opnieuw drie niet eerder genoemde plaatsnamen: Dievon (Wegkwijning), ’Almon Divlatajim (Vijgenwereld) en Nevo (Profetenberg). Opvallend hierbij is de toevoeging ‘Gad’ aan de plaatsnaam Dievon. Dit wijst erop dat deze door de Isra‘Eliem verwoeste plaats in Mo‘av (21:30) later door de stam Gad werd herbouwd (32:34-35).

Toen Isra‘El hun laatste stopplaats voorafgaande aan de Inname van het beloofde Land had bereikt – de ’aravah van Mo‘av – strekte hun kamp zich tussen twee plaatsen uit: Bejt haJesjimot (Huis van de verlatenheid) en ‘Avel haSjittiem (Veld van de acaciabomen). Zo omvangrijk was Isra‘El.

Instructies voor de Inname

In hun legerplaats aan de Jordaan gaf God aan Mozes instructies over de Inname van het beloofde Land (vs 51). De Kanaänieten moesten voor hen uit verdrijven worden en al hun afbeeldingen (maskiejotam), hun gegoten beeltenissen (tsalmej massechotam) en hun offerhoogten (bamotam) verwoest en vernietigd. Deze laatste twee woorden geven aan dat het grondig moest gebeuren. Wat ze ervan zouden nalaten zou tot doornen in hun ogen, weerhaken in hun zijden en kwelling aan het Land zijn. Ook zou God dan Isra‘El aandoen wat Hij de Kanaänieten door de Isra‘Eliem aandoet; uit het Land verwijderen (vs 56; Lv 18:28; 20:23). De Isra‘Eliem moesten het Land in bezitnemen (jarasj) en er gaan wonen, want God had het hen daartoe gegeven. Het Land moest met het lot (goral) verdeeld worden. De grote stam meer leefgebied en de kleine stam minder.

Grenzen van het beloofde Land

God stelde opnieuw (Gn 15:18-21), maar hier naar de situatie in Mozes dagen, de grenzen van het beloofde Land vast (34:2). De uiterste zuidrand vanuit de Dode Zee (Jam-hamMélach). (Ermee rekening houdende dat de Dode Zee toentertijd veel verder naar het zuiden reikte dan vandaag.) Van daar uit, via een aantal plaatsen, in zuidwestelijke richting, waaronder Qadesj Barnea’ (Wuivend koren), naar de Middellandse zee. Die zee zou ook de westgrens van het Land vormen. De noordgrens zou lopen van de Middellandse zee over het Libanongebergte, door de Orontesvallei (huidige Syrië), over het Anti-Libanongebergte en door de achterliggende vallei zwaar het zou eindigen bij een plaats. De oostgrens zou vandaar naar het zuidwesten lopen om oostelijk van het meer Kinnérét (meer van Galilea) uit te komen. Van daar zou de Jordaanrivier en diens instromende rivieren en de Dode Zee de natuurlijke oostgrens vormen. Het gebied binnen deze grenzen zou verdeeld moeten worden aan Isra‘Els negen en een halve stammen. ‘El’azar, de kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester), en Jehosjoea’ zouden de algemene landsverdeling doen. De verhevenen (nasie‘) van elke stam de gebieden daarbinnen. Opnieuw getuigen de namen van die verhevenen van vroomheid, zoals ‘Éliedad (vs 21; Mijn God heeft liefgehad), ‘Élietsafan (vs 25; Mijn God heeft beschermd) en Pedah‘El (vs 28; Losgekocht van God).

Steden voor de Lewiejim en de doodslaander

De Isra‘Eliem moesten aan de Lewiejim (Levieten) 48 steden geven (35:2; Lv 25:32), waaronder 6 vrijsteden (’arej hammiqlat; vs 6) voor de doodslaander (harotseach). Rondom die steden moest hen grond (migrasj) worden gegeven met een vastgestelde omvang voor hun beesten van al hun levende bezit. Opnieuw zou de regel gelden dat de grote stam meer en de kleine stam minder voor deze steden aan de Lewiejim geven zou.

Heel praktisch volgen hier meteen de godsdienstige bepalingen voor de doodslaander. Deze bepalingen waren heel belangrijk, want het bloed van doodslag zou het land verontreinigen terwijl God Zelf in dat Land verbleef.

Behoud van de gebieden van Menasjéh

De hoofden (ra‘sjej) van de zonen van Gil’ad kwamen tot Mozes en vroegen wat er zou gebeuren met het beloofde Landsaandeel van de dochters van Tselofchad (27:7; zie sidra‘ Pienchas), als zij zouden trouwen met een man uit een andere stam (36:3-4). Mozes leidde van Gods algemene bepaling (27:6-11) de regel af dat deze dochters alleen mochten huwen met leden van de eigen stam om zo hun Landsaandeel binnen de eigen stam te houden (vs 9). Het is opvallend dat dit boek eindigt met het afleiden van regels van Gods algemene bepalingen. Zeker ook een hint voor volgende generaties.

In de volgende parasjah geeft Mozes een terugblik op de Uittocht vanaf de berg Gods.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Mas’ej (opbreekplaatsen)"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*