Sjabbats­lezingen: Door God zelf gezonden

Torahrol Wanneer God zelf tot je spreekt, door zijn verschij­ning, een droom of een profetie, dan kun je maar beter gaan. Dan hoef je niet te zien naar wat je niet kunt, of naar je leeftijd, want God zal voorzien in wat nodig is voor zijn opdracht.

Wanneer God zelf tot je spreekt, door zijn verschij­ning, een droom of een profetie, dan kun je maar beter gaan. Dan hoef je niet te zien naar wat je niet kunt, of naar je leeftijd, want God zal voorzien in wat nodig is voor zijn opdracht.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Shemot (Dit zijn de namen) zijn:
✡ Torahlezing: Exodus 1:1 – 6:1,
✡ Profetenlezing: Jesaja 27:6 -28:13, 29:22-23, Jeremia 1:1 – 2:3,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: 1 Korinthe 14:13-25.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Een gedeelte uit de Torahlezing
En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoon­vader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb. En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd. Mozes zei: Laat ik nu naar dat indruk­wekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt.
Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, hier ben ik! En Hij zei: Kom hier niet dichter­bij. Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond. Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.
De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun ge­schreeuw om hulp vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed. Daarom ben Ik neer­geko­men om het volk te redden uit de hand van de Egyp­te­na­ren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land dat over­vloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaä­nie­ten, de Hethie­ten, de Amo­rie­ten, de Fere­zie­ten, de Hevie­ten en de Jebu­sie­ten. Nu dan, zie, het geschreeuw om hulp van de Israë­lie­ten is tot Mij geko­men. En Ik heb ook de onder­druk­king gezien waar­mee de Egypte­na­ren hen onder­druk­ken. Nu dan, ga op weg. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.
Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg.
En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israë­lie­ten kom en tegen hen zeg: De God van uw vade­ren heeft mij naar u toe gezon­den, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? 14 En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israë­lie­ten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezon­den. Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israë­lie­ten zeggen: De HEERE, de God van uw vade­ren, de God van Abra­ham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezon­den. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn Naam ter gedach­te­nis, van gene­ra­tie op gene­ra­tie. Ga, verza­mel de oudsten van Israël en zeg tegen hen: De HEERE, de God van uw vade­ren, is aan mij versche­nen, de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij zei: Ik heb zeker naar u omge­zien en naar wat u in Egypte wordt aange­daan. Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de onder­druk­king van Egypte leiden naar het land van de Kanaä­nie­ten, de Hethie­ten, de Amo­rie­ten, de Fere­zie­ten, de Hevie­ten en de Jebu­sie­ten, naar het land dat over­vloeit van melk en honing. Dan zullen zij naar uw stem luiste­ren, en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte, en u moet tegen hem zeggen: De HEERE, de God van de Hebreeën, is naar ons toe geko­men. Nu dan, laat ons toch drie dag­rei­zen ver de woestijn intrek­ken, opdat wij de HEERE, onze God, offers brengen.

Exodus 3:1-18 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Het woord van de HEERE kwam tot (Jeremia): Voordat Ik u in de moeder­schoot vormde, heb Ik u gekend; voor­dat u uit de baar­moe­der naar buiten kwam, heb Ik u gehei­ligd. Ik heb u aan­ge­steld tot een profeet voor de volken.
Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben nog maar een jongen.
Maar de HEERE zei tegen mij: Zeg niet: Ik ben nog maar een jongen, want overal waar­heen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles wat Ik u gebie­den zal, zult u spreken. Wees niet bevreesd voor hen, want Ik ben met u om u te redden, spreekt de HEERE. Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij: Zie, Ik geef Mijn woor­den in uw mond. Zie, Ik stel u op deze dag aan over de volken en over de konink­rij­ken, om weg te rukken en af te breken, om te vernie­len en omver te halen, maar ook om te bouwen en te planten.

Jeremia 1:4-10 (HSV).

Gedeelten uit het Nieuwe Testament
Een stuk uit de toespraak van Stefanus:
En toen er veertig jaar verstreken was, verscheen de Engel van de Heere aan (Mozes) in de woestijn van de berg Sinaï, in de vlam van een bran­dende doorn­struik. Toen Mozes dat zag, verwon­der­de hij zich over wat hij zag; en toen hij ernaar­toe ging om het te bekijken, kwam er een stem van de Heere tot hem: Ik ben de God van uw vade­ren, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes begon erg te beven en durfde het niet te bekijken. En de Heere zei tegen hem: Maak de sanda­len aan uw voeten los, want de plaats waarop u staat, is heilige grond. Ik heb de mishan­de­ling van Mijn volk, dat in Egypte is, heel goed gezien, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neer­ge­daald om hen daaruit te verlos­sen; en nu, kom, Ik zal u naar Egypte zenden.
Die Mozes, die zij afgewezen hadden toen zij zeiden: Wie heeft u tot een leider en rechter aangesteld? Hém heeft God als leider en verlos­ser gezonden door de hand van de Engel Die aan hem versche­nen was in de doornstruik. Deze heeft hen uitgeleid, terwijl hij wonde­ren en teke­nen deed in het land Egypte, in de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar. Dit is de Mozes die tegen de Israë­lie­ten gezegd heeft: De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik; naar Hem moet u luisteren. Hij is het die in de woestijn tijdens de samen­komst van het volk bij de Engel was Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en bij onze vade­ren, en Hij was het die de levende woorden ontving om die aan ons door te geven.

Beveel deze dingen en onderwijs ze. Laat niemand u minach­ten vanwege uw jeugdige leeftijd, maar wees een voor­beeld voor de gelo­vi­gen in woord, in wandel, in liefde, in geest, in geloof en in reinheid. Blijf bezig met het voor­lezen, met het verma­nen, met het onder­wij­zen, totdat ik kom. Veron­acht­zaam de gena­de­gave niet die in u is en die u gege­ven is door profetie, met hand­op­leg­ging door de raad van ouder­lingen. Overdenk deze dingen, leef erin, opdat uw vorde­rin­gen op elk gebied open­baar worden. Geef acht op uzelf en op de leer. Volhard daarin. Want wanneer u dat doet, zult u zowel uzelf behou­den als hen die u horen.
Handelingen 7:30-38, 1 Timotheüs 4:11-16 (HSV)

Door God zelf gezonden
Al enkele generaties lang zuchten de Israëlieten onder de slavendienst, die ze in Egypte moeten verrichten. Ze roepen in hun nood tot God – waarom hoort Hij niet?
Maar de Heer luistert wel naar hun klagen. Hij was iemand aan het vormen voor de moeilijke taak, leiding te geven aan zijn volk. Hiervoor had Hij Moses op het oog. Te vondeling gelegd in een biezen kistje in de Nijl, gevonden door een prinses, opgevoed aan het hof van de farao om een leider te zijn.
Toen Moses zich zijn ware identiteit als Hebreeër realiseerde, had hij getracht iets aan die onderdrukking van zijn volksgenoten te doen. Hij doodde een Egyp­ti­sche opzichter en moest vluchten. Het was niet Gods tijd, hij handelde niet in Gods opdracht.

Moses vluchtte naar de Midianieten, een verwante stam. Daar werd hij schaapherder, een in Egypte veracht beroep. In zijn nieuwe rol als schaapherder leert Moses geduld, omgaan met eigenwijze schapen en hun kudde­gedrag, en over­leven in de wilder­nis. Wanneer hij later het volk van Israël moet ‘weiden’ is hij ook als een herder. Moses zal dan blijken een goede herder te zijn.
Veertig jaar leeft Moses zo in de woestijn. Ontdaan van macht en eigen­dunk maakt God hem bruik­baar voor zijn doel.
Dat deed Hij ook bij Jakob, David, Petrus en Paulus. De heilige Geest werkt vaak via vertra­ging, afbraak en mis­luk­king. Voor het geloofs­leven is de woestijn dan ook een betere leer­school dan de route van succes. Van succes leer je niet zoveel. Het is eerder riskant, je gaat heel wat van jezelf denken en jaagt door het leven. In de woestijn kan God tot het hart spreken. Opmer­ke­lijk: de Hebreeuwse woorden voor ‘hij spreekt’ (medaber) en ‘woestijn’ (midbar) bevatten dezelfde letters, מדבר.
Dan roept God Moses vanuit brandend struik­gewas: ‘Ik zal u naar de farao zenden, en u zult mijn volk, de Israë­lie­ten, uit Egypte leiden’. Moses is hele­maal niet enthou­si­ast over die opdracht. Is het beschei­den­heid? Ziet hij naar zijn tekort­ko­min­gen, zijn stot­te­ren, zijn hoge leeftijd? En wat moet hij tegen de Israëlieten zeggen, hoe moet hij hen ervan overtuigen dat de HEERE hem heeft gezonden?
God is niet onder de indruk van al Moses’ bezwaren. Hij zelf zal meegaan en het volk leiden.

Ook Jeremia, Gideon, Timotheüs en zoveel andere dienst­knech­ten van God aarzelden en hadden bezwaren toen God hen riep voor een taak. Maar wanneer God iemand uitkiest, weet Hij wat Hij doet en wie Hij kiest, en Hij geeft met de opdracht ook de vaardigheden en moed die daarvoor nodig zijn.

Maria zei: Zie de dienares van de Heere, laat met mij geschieden overeenkomstig uw woord. (Lukas 1:38)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Zijn we voorbereid op verdrukking en lijden?, Exodus 1,
Een kind dat er niet mocht zijn, Exodus 1 en 2,
Wachten op Gods tijd, Exodus 2,
Als God je roept, moet je gaan, Exodus 4.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Door God zelf gezonden"

Geef een reactie