De Bijbel staat vol van profetische zegeningen, uitgesproken door mensen die gedreven werden door de heilige Geest. Die bepaalden het leven van Abraham, Esau, Jakob en Johannes de Doper, en het lot van veel volken.
De Bijbelgedeelten voor de komende sjabbat Toledot (Geslachten) zijn:
✡ Torahlezing: Genesis 25:19 – 28:9,
✡ Profetenlezing: Maleachi 1:1 – 2:7,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Romeinen 9:1-13.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Gedeelten uit de Torahlezing
Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden, zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd. De kinderen stootten in haar lichaam tegen elkaar. Toen zei zij: Als dit zo is, waarom overkomt mij dit? En zij ging de HEERE raadplegen. De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
Eens had Jakob soep gekookt, toen Ezau uit het veld kwam en moe was. Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom. Toen zei Jakob: Verkoop mij dan eerst je eerstgeboorterecht. Ezau zei: Zie, ik ga toch sterven; wat moet ik dan met het eerstgeboorterecht? Toen zei Jakob: Zweer het mij eerst. En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerst-geboorterecht.
Wanneer Izak oud geworden is, wil hij zijn oudste zoon Esau zegenen. Maar Rebekka weet dat Gods zegen en de belofte aan Abraham voor de jongste zoon bestemd zijn. Zij verkleedt Jakob als Esau, en die verrast zijn vader met geroosterd geitenvlees.
Hij zei: Ben je echt mijn zoon Ezau? (Jakob) antwoordde: Dat ben ik. Toen zei Izak: Zet het wat dichter bij me. Dan kan ik van het wildbraad van mijn zoon eten, zodat mijn ziel je kan zegenen. Hij zette het dicht bij hem en hij at. Hij bracht hem ook wijn en hij dronk ervan. Zijn vader Izak zei tegen hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon! Hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen rook hij de geur van zijn kleren en zegende hem. Hij zei: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de HEERE gezegend heeft. Moge God je geven van de dauw van de hemel, van de vruchtbare streken van de aarde: overvloed van koren en nieuwe wijn. Volken zullen je dienen, naties zullen zich voor je buigen. Wees heerser over je broers, de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen. Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt, en gezegend wie jou zegent!
Enige tijd later kwam Esau zijn vader verrassen met echt wildbraad, en hij verwachtte de zegen.
Izak, zijn vader, zei tegen hem: Wie ben je? Hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau. Toen beefde Izak van grote en hevige schrik en zei: Wie was het dan die een stuk wild gejaagd en het mij gebracht heeft? Ik heb overal van gegeten voordat jij kwam, en ik heb hem gezegend, en gezegend zal hij zijn. Toen Ezau de woorden van zijn vader hoorde, gaf hij een zeer luide en bittere schreeuw, en zei tegen zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!
Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt u alleen maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau begon luid te huilen. Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tegen hem: Zie, van de vruchtbare streken van de aarde zal je woongebied zijn, en van de dauw van de hemel van boven. Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen. Maar als je tot macht komt, zul je zijn juk van je nek afrukken.
Genesis 25:21-23, 29-34, 27:24-29, 32-34, 38-40 (HSV).
Een gedeelte uit de Profetenlezing
Na oordeelsprofetieën over tal van volken, ook over Israël, volgen profetieën over het herstel en herleven van Israël als Gods eigen volk
De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen. Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor. Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet het! Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen. Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het bijbehorende been. En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen. Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen. Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.
Ezechiël 37:1-10 (HSV)
Gedeelten uit het Nieuwe Testament
Zoals ook in deze tijd Joodse vaders doen, legde Jezus zijn handen op de hoofden van kinderen en zegende hen.
En ze brachten kinderen bij Hem, opdat Hij hen zou aanraken, maar de discipelen bestraften degenen die hen bij Hem brachten. Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk van God. Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het beslist niet binnengaan. En Hij omarmde hen, legde de handen op hen en zegende hen.
Na de geboorte van Johannes de Doper sprak zijn vader, de priester Zacharias, profetische woorden:
En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde: Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zaligheid voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten, om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond, de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.
En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden, want je zult voor het aangezicht van de Heere uit gaan om Zijn wegen gereed te maken, en om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven in de vergeving van hun zonden, door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft, om te verschijnen aan hen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en om onze voeten te richten op de weg van de vrede.
Markus 10:13-16, Lukas 1:67-79 (HSV)
Een profetische zegen heeft kracht
In de Bijbel komt meermalen een zegen met een profetische belofte voor, zoals bij de roeping van Abram: De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. (Genesis 12:1-3)
Die zegen ging over op zijn zoon Izak: ‘Het gebeurde na de dood van Abraham dat God Izak, zijn zoon, zegende’ (Genesis 25:11a).
Toen Izaks vrouw Rebekka zwanger was van een tweeling, gaf de HEERE haar deze profetische woorden: ‘Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.’ Woorden die waarheid zijn geworden in de nakomelingen van haar twee zonen.
Dan komen we bij het bekende verhaal, hoe Jakob – aangezet door zijn moeder, die Gods profetische woorden zelf waar wilde maken – de grote zegen van het eerstgeboorterecht aan zijn broer Esau weet te ontfutselen. Met een paar gebraden bokjes, Esau’s kleren en geitenvellen over zijn armen, zet Jakob zijn vader ‘wildbraad’ en wijn voor, en ontvangt de zegen die voor zijn broer bestemd was.
Maar wat past die zegen wonderlijk goed bij hem! Jakob kreeg zegeningen van vruchtbare grond en douw, en heersten over andere volken. Dit laatste is in de tijd van de koningen David en Salomo werkelijkheid geworden, toen Edom (Esau’s nakomelingen) en Moab vazalstaten van Israël waren geworden.
Ook Esau’s profetische zegen paste bij hem. Zijn zegen sprak van dorre, onvruchtbare grond. Dat werden de dorre heuvels van het Seïr-gebergte, dat ten zuiden van de Dode Zee ligt, in het huidige Jordanië. ‘Van uw zwaard zult u leven’, door het beroven van langstrekkende karavanen. ‘Je zult het juk van je broer van je afschudden’, en dat is gebeurd in de tijd van de slechte koning Jehoram (2 Kronieken 21).
Profetische zegeningen werden ook uitgesproken door Jakob over zijn twaalf zonen (Genesis 49) en door Moses over de twaalf stammen van het volk Israël. (Deuteronomium 33). Zegeningen die iets vertelden hoe het hen later zou vergaan.
‘Nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de heilige Geest gedreven hebben mensen van Godswege gesproken.’ (2 Petrus 1:21 NBG)
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Er zijn twee volken in uw schoot, Genesis 25,
Jakob, je loopt mank, Genesis 25,
Maak een ander niet beschaamd, Genesis 25 en 27,
Israël een zegen voor devolken, Genesis 26,
Een vrouw die God kent en dient, Genesis 27 en 28.


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: Een profetische zegen heeft kracht"