‘Mijn vuisten jeuken om …’, ‘Ik zal hem wel eens de waarheid vertellen’. Kent u die uitdrukkingen? Toch zegt God ons, onze toorn en driftbuien in toom te houden, want Hem komt de wraak toe, op zijn tijd, op zijn manier.
De Bijbelgedeelten voor de komende sjabbat Wayechi (En hij leefde) zijn:
✡ Torahlezing: Genesis 47:28 – 50:26,
✡ Profetenlezing: 1 Koningen 2:1-12,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: 1 Petrus 1:1-9.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Een gedeelte uit de Torahlezing
Toen de broers van Jozef zagen dat hun vader dood was, zeiden ze: Als Jozef ons haat, zal hij ons zeker al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben, vergelden. Daarom lieten zij tegen Jozef zeggen: Uw vader heeft voor zijn dood deze opdracht gegeven: Dit moeten jullie tegen Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers en hun zonde, want zij hebben u kwaad gedaan. Maar nu, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader. Jozef huilde toen zij zo tot hem spraken.
Daarna gingen ook zijn broers naar hem toe. Zij vielen voor hem neer en zeiden: Zie, wij zullen u tot slaven zijn. Jozef zei daarop tegen hen: Wees niet bevreesd, want sta ik (soms) op de plaats van God? Jullie weliswaar, jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, (maar) God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden. Nu dan, wees niet bevreesd. Ikzelf zal jullie en jullie kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen en sprak hij naar hun hart.
Genesis 50:15-21 (HSV).
Gedeelten uit de Profetenlezing
Toen nam Saul drieduizend van de beste mannen uit heel Israël, en ging op weg om David en zijn mannen te zoeken bij de Steenbokrotsen. Hij kwam bij de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; Saul ging daarin om zijn behoefte te doen. Nu zaten David en zijn mannen aan de zijkanten in de grot.
Toen zeiden de mannen van David tegen hem: Zie, de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen! Toen stond David op en sneed stilletjes een punt van Sauls mantel af. En het gebeurde daarna dat het hart van David in hem bonsde, omdat hij die punt van de mantel van Saul afgesneden had. En hij zei tegen zijn mannen: Moge de HEERE er geen sprake van laten zijn dat ik ooit zoiets zou doen bij mijn heer, bij de gezalfde van de HEERE, dat ik mijn hand tegen hem uit zou steken, want hij is de gezalfde van de HEERE. En David weerhield zijn mannen met deze woorden, en hij liet hun niet toe tegen Saul op te staan. En Saul stond op en ging de grot uit, naar de weg.
1 Samuël 24:3-8 (HSV)
Later herhaald de geschiedenis zich, wanneer David en Abisaï het legerkamp van Saul binnengaan en alleen zijn speer en waterkruik meenemen. ‘David zei echter tegen Abisaï: “Breng hem niet om want wie sloeg de hand aan de gezalfde van de HEERE en is ongestraft gebleven?”‘ (1 Samuël 26:9)
Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners, benijd niet wie onrecht doen. Want als gras zullen zij snel verdorren, als groene grasscheutjes zullen zij verwelken.
Vertrouw op de HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met trouw.
Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.
Wentel uw weg op de HEERE en vertrouw op Hem: Híj zal het doen. Hij zal uw gerechtigheid tevoorschijn doen komen als het morgenlicht, uw recht doen stralen als de middagzon.
Zwijg voor de HEERE en verwacht Hem; ontsteek niet in woede over hem wiens weg voorspoedig is, over een man die listige plannen uitvoert.
Laat uw woede bedaren en laat uw grimmigheid varen; ontsteek niet in woede – het brengt slechts kwaad.
Want de kwaaddoeners zullen uitgeroeid worden, maar wie de HEERE verwachten, die zullen de aarde bezitten.
Nog even, en de goddeloze zal er niet meer zijn; u zult op zijn plaats letten, maar hij zal er niet wezen.
Maar de zachtmoedigen zullen de aarde bezitten en vreugde scheppen in grote vrede.
Psalm 37:1-11 (HSV)
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog. Vergeld niemand kwaad met kwaad.
Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.
Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.
Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
Romeinen 12:16-21 (HSV)
‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden’
In de geschiedenis van Josef hebben zijn broers hem veel kwaad berokkend door hem in een put te gooien en als slaaf te verkopen naar Egypte. Daar belandt hij zelfs in de gevangenis. We lezen nergens, dat de broers hem om vergeving hebben gevraagd, hoewel je dat wel van hen zou verwachten. We lezen ook niet rechtstreeks dat Josef hen vergaf, hoewel de broers dat wel van hem verwachtten.
Daarom zijn ze erg bezorgd, wanneer hun vader Jakob sterft en hun ‘bescherming’ tegenover Josef dus blijkbaar weg is. Was Josef alleen maar vriendelijk tegen hen zolang Jakob leefde, of meent hij het echt? Hij heeft redenen genoeg om boos op hen te zijn. Ze denken ‘Als Josef ons haat, zal hij ons zeker al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben, vergelden.’ Zal Josef wraak nemen? Daarom buigen zij voor hem neer, vragen om vergeving en bieden zich aan als Josefs slaven.
Jozef weent omdat ze zijn liefde niet vertrouwen. Hij stelt zijn broers gerust, en maakt hen duidelijk dat hij helemaal niet denkt aan wraak: ‘Wees niet bevreesd, want sta ik (soms) op de plaats van God? Jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, (maar) God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is: een groot volk in leven te houden.’
Josef had zijn broers op verschillende manieren getest. Hij had hen beschuldigd van spionage. Hij had hen getest op eerlijkheid, door hun geld terug te laten leggen in hun graanzakken. Hij had Juda getest door zijn gouden beker in Benjamins graanzak te verbergen, en Juda bood zich aan om Benjamins plaats als slaaf in te nemen. De broers bleken echt berouw te hebben en te zijn veranderd.
Josef heeft begrepen, dat het in zijn dromen niet ging om een jongensdroom, maar om Gods droom. Hij erkent dat hij door God is gebruikt voor een hoger doel, en dat zelfs tegenslag tot iets moois kan worden omgekeerd. Daarom nam hij geen wraak op zijn broers.
Koning David kreeg tweemaal de gelegenheid kom koning Saul, die het op zijn leven had gemunt, te doden. Maar hij deed het niet, want Saul was door God tot koning gezalfd. Hij sneed de slip van zijn mantel af, met daaraan de tsitsit, de schouwdraden, die iedere Israëliet er aan moesten herinneren, zich te houden aan Gods Torah, Gods onderwijzing. De tweede keer nam hij bij de slapende koning zijn speer en waterkruik weg, om hem te beschamen: Ik had u wel kunnen doden, maar ik heb het niet gedaan.
Tweemaal kwam een man bij David, die hem vol trots vertelde, dat hij Davids tegenstander had gedood, en daarvoor een ruime beloning verwachtte. De eerste keer ging het om koning Saul (2 Sam. 1), de tweede keer om Isboseth, Sauls zoon die koning was geworden over de noordelijke stammen (2 Sam. 4). Hun bodeloon was de dood.
U mag geen wraak nemen of (wrok) koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de HEERE. (Leviticus 19:18).
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Josefs leven als beeld van Jezus (2), Genesis 41-47,
Geen blijvende stad alhier, Genesis 47-50,
Vloek veranderen in zegen, Genesis 49,
Sterven met hoop op opstanding, Genesis 50.


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden’"