Sjabbats­lezingen: Ondank is ’s werelds loon

Torahrol Twintig jaar diende Jakob Laban in Haran, en telkens veranderde deze het afge­spro­ken loon. Bijna 2000 jaar verbleef het Joodse volk in balling­schap, en was er op veel manieren tot zegen. Maar de wereld was hen ondank­baar.

Twintig jaar diende Jakob Laban in Haran, en telkens veranderde deze het afge­spro­ken loon. Bijna 2000 jaar verbleef het Joodse volk in balling­schap, en was er op veel manieren tot zegen. Maar de wereld was hen ondank­baar.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Wayetze (En hij vertrok) zijn:
✡ Torahlezing: Genesis 28:10 – 32:3,
✡ Profetenlezing: Hosea 11:7 -14:9,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Johannes 1:19-51.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
Jakob wil met zijn grote gezin terugkeren naar Kanaän, maar Laban haalt hem over om te blijven en zijn vee te blijven hoeden.
Toen zei Laban tegen hem: Laat mij toch genade vinden in jouw ogen; ik heb waarge­nomen dat de HEERE mij omwille van jou gezegend heeft. Hij zei: Bepaal wat je loon bij mij moet zijn, dan zal ik het je geven. Toen zei hij tegen hem: Ú weet hoe ik u gediend heb en hoe uw vee onder mijn hoede geweest is. Het weinige dat u voor mijn komst had, heeft zich immers tot een menigte uitgebreid. De HEERE heeft u sinds mijn komst geze­gend. Nu dan, wanneer zal ik ook voor mijn eigen huis kunnen werken?
Daarop zei hij: Wat moet ik je geven? Toen zei Jakob: U hoeft mij helemaal niets te geven; als u het volgende voor mij wilt doen, zal ik opnieuw uw klein­vee hoeden en bescher­men. Ik zal vandaag al uw kleinvee langs­gaan en daaruit elk gespik­keld of gevlekt dier afzon­de­ren, elk zwart dier onder de schapen en alles wat gevlekt en gespik­keld is onder de geiten; en dat zal mijn loon zijn. Mijn gerechtig­heid zal morgen voor mij getuigen, als u komen zult om mijn loon in ogenschouw te nemen; alles wat niet gespikkeld en gevlekt is onder de geiten en wat niet zwart is onder de schapen, mag als door mij gestolen beschouwd worden. Toen zei Laban: Zie, laat het maar over­een­kom­stig jouw woord gebeuren.
En op diezelfde dag zonderde hij de gestreepte en gevlekte bokken af en al de gespik­kelde en gevlekte geiten, alles waar iets wits aan was en alles wat zwart was onder de schapen; en hij stelde die onder de hoede van zijn zonen. Hij bepaalde een afstand van drie dag­reizen tussen hem en Jakob; en Jakob hoedde de rest van het kleinvee van Laban.
Toen nam Jakob voor zichzelf jonge takken van popu­lieren, aman­del­bomen en platanen, en schilde daarin witte strepen door het wit in die takken te ontbloten. Hij legde de takken die hij geschild had in de troggen en water­drink­bak­ken waaruit het klein­vee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en ze werden bronstig als zij kwamen om te drinken. En als het kleinvee bronstig werd bij die takken, wierp het kleinvee gestreepte, gespikkelde, en gevlekte jongen. Toen scheidde Jakob de schapen af en keerde de koppen van het klein­vee naar het gestreepte en naar al het zwarte onder Labans kleinvee, en vormde zo kudden voor zichzelf; hij zette ze niet bij het kleinvee van Laban. En het gebeurde, telkens wanneer het sterkste kleinvee bronstig werd, dat Jakob de takken voor de ogen van het kleinvee in de troggen legde, zodat zij bronstig zouden worden bij de takken. Maar als het zwakke kleinvee bronstig werd, legde hij ze er niet in, zodat de zwakke dieren voor Laban en de sterke dieren voor Jakob waren. Zo breidde het bezit van deze man zich zeer sterk uit; hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels.

Jullie weten zelf dat ik met al mijn kracht voor jullie vader heb gewerkt. Jullie vader heeft mij echter bedro­gen en mijn loon wel tien keer veranderd, maar God heeft hem niet toegelaten mij kwaad te doen. Wanneer hij dit zei: De gespikkelde dieren zullen je loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en wanneer hij dit zei: De gestreepte dieren zullen je loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen. Zo heeft God het vee aan jullie vader ontrukt en het mij gegeven. Het gebeurde eens in de tijd dat het kleinvee bronstig was dat ik mijn ogen opsloeg en in een droom zag dat, zie, de bokken die het klein­vee besprongen, gestreept, gespikkeld en gevlekt waren. De Engel van God zei tegen mij in die droom: Jakob! Ik zei: Zie, hier ben ik! Hij zei: Sla toch uw ogen op en zie: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt. Voorzeker, Ik heb alles gezien wat Laban u aandoet!
Genesis 30:27-43 en 31:6-12 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Loof de HEERE, want Hij is goed, want Zijn goeder­tie­renheid is voor eeuwig.
Laten zo spreken wie de HEERE verlost heeft, die Hij verlost heeft uit de hand van de tegen­stan­ders, en die Hij uit de landen bijeen­ ge­bracht heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
Er waren er die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis, een stad om te wonen vonden zij niet. Zij waren hongerig, ja, ook dorstig, hun ziel was in hen bezweken. Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen, redde Hij hen uit hun angsten. Hij leidde hen op een rechte weg, zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.
Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensen­kinderen. Want Hij heeft de dorstige ziel verza­digd en de honge­rige ziel met het goede vervuld.

Psalm 107:1-9 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle godde­loos­heid en onge­rech­tig­heid van de mensen, die de waarheid in onge­rech­tig­heid onder­drukken, omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard. Want de dingen van Hem die onzicht­baar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Godde­lijk­heid, zodat zij niet te ver­ont­schul­di­gen zijn.
Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun over­we­gin­gen en hun onver­stan­dig hart is ver­duis­terd. Terwijl zij zich uitga­ven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden.

Romeinen 1:18-22 (HSV)

Ondank is ’s werelds loon
Twintig jaar verbleef Jakob ‘in den vreemde’, buiten zijn land, in Paddan-Aram, en hij is er tot een groot gezin en een herdersvorst geworden, doordat God hem zegende.
Als herder van diens kudden had hij Laban tot welvaart gebracht. Maar Laban toonde zijn schoonzoon Jakob weinig dankbaarheid: ‘Jullie vader heeft mij bedrogen en mijn loon wel tien keer veranderd, maar God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen’, beklaagde Jakob zich bij zijn vrouwen. Dat begon er mee, dat Laban hem de gespikkelde geiten en zwarte schapen beloofde – en vervolgens bedroog, door die dieren uit de kudde af te zonderen en onder de hoede van zijn zonen op een flinke afstand te laten weiden, om zo Jakobs loon klein te houden. (Misschien dacht Jakob terug aan zijn eigen bedrog).
Maar met een truc met geschilde takken wist Jakob toch het aantal gespikkelde geiten en zwarte schapen te vermeerderen, en zo bouwde hij zijn eigen kudden op. (Waarvan hij overi­gens na zijn terug­keer in Kanaän een aan­zien­lijk deel afstaat aan zijn broer Esau, die hij twintig jaar daarvoor had bedrogen). Terwijl Jakob in Haran (Paddan-Aram) aankwam met zijn staf en de kleren aan zijn lijf, is hij door Gods zegen een rijk man geworden.

Tweeduizend jaar bijna verbleef het grootste deel van het Joodse volk volk ‘in den vreemde’, in ballingschap buiten zijn eigen land, nadat zij door ongehoorzaamheid aan God en opstanden tegen het Romeinse gezag verbannen werden uit hun land.
In die eeuwen is het volk op tal van manieren tot zegen geweest voor de wereld, en is dat nog. Denk aan de vele honderden uitvindingen gedaan door Joden, met name op medisch gebied, en het hoge percentage Joodse Nobelprijswinnaars. Wist u dat het GPS-systeem zijn nauwkeurigheid te danken heeft aan de Joodse geleerde Albert Einstein? (Zie ook: De Joodse Bijdrage en Joden aan de top). Wist u dat de ontdekking van Amerika werd gedaan door de (hoogstwaarschijnlijk Joodse) Columbus in 1492, het zelfde jaar dat de Joden uit Spanje werden verdreven.
Ondanks de zegen die Israël was voor de landen waarin zij woonden, zitten zij vaak in het verdom­hoekje. Zij werden achter­gesteld, vervolgd, verdreven, vermoord, moesten apart wonen in getto’s. Maar onder Gods hoede, en met zijn zegen, wisten de naar hun land terug­ge­keer­de Joden hun land op te bouwen en tot wel­vaart te brengen.
Waarom zijn de Joden zo succesvol in de wetenschap? Komt het doordat Joodse kinderen al heel jong beginnen met leren, de Hebreeuwse taal moeten leren, kritisch leren nadenken en discus­siëren, dat zij slimmer zijn en later in hun vak­gebied beter zijn dan anderen?

‘In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.’ (Genesis 28:14b).

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Jakob maakt een afspraak met God, Genesis 28.
Liefde op het eerste gezicht, Genesis 29,
Jakob bedrogen, Israël bedrogen, Genesis 29,
Bedriegen en bedrogen worden, Genesis 29,
Kijk niet alleen naar het uiterlijk, Genesis 29 en 30.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Ondank is ’s werelds loon"

Geef een reactie