Sjabbats­lezingen: Wees een vaandel, wees een licht

Torahrol Als gelovigen is het onze taak, onze visie, om een vlag, te zijn, een symbool van het Koninkrijk dat wij dienen. Jezus vraagt ons ook een bron van licht te zijn, dat mensen door ons geloof, onze vreugde, onze daden, God leren kennen.

Als gelovigen is het onze taak, onze visie, om een vlag, te zijn, een symbool van het Koninkrijk dat wij dienen. Jezus vraagt ons ook een bron van licht te zijn, dat mensen door ons geloof, onze vreugde, onze daden, God leren kennen.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Bamidbar (In de woestijn) zijn:
✡ Torahlezing: Numeri 1:1 – 4:20,
✡ Profetenlezing: Hosea 2:1-22,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Romeinen 9:22-33.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: De Israë­lieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn vaandel, bij de herken­nings­tekens die beho­ren bij hun familie; zij moeten op enige afstand hun kamp opslaan rondom de tent van ontmoe­ting.
Zij dan die hun kamp opslaan in oostelijke richting, waar de zon opkomt, vallen onder het vaandel van het kamp van Juda, ingedeeld naar hun legers. De leider nu van de nako­me­lin­gen van Juda was Nahes­son, de zoon van Ammi­na­dab. En zijn leger, namelijk zij die getel­den waren, bestond uit vier­en­zeven­tig­dui­zend zes­hon­derd man.
Het vaandel van het kamp van Ruben zal, inge­deeld naar hun legers, aan de zuidkant zijn. De leider nu van de nako­me­lin­gen van Ruben was Elizur, de zoon van Sedeür.
Het vaandel van het kamp van Efraïm moet, inge­deeld naar hun legers, aan de west­kant het kamp opslaan. De leider nu van de nako­me­lin­gen van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud.
Het vaandel van het kamp van Dan moet, inge­deeld naar hun legers, aan de noord­kant zijn kamp opslaan. De leider nu van de nako­me­lin­gen van Dan was Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai.
De Israëlieten deden overeen­komstig alles wat de HEERE Mozes gebo­den had; zo sloegen zij hun kamp op bij hun vaan­dels, en zo braken zij op, ieder inge­deeld naar zijn geslach­ten en naar zijn familie.

Numeri 2:1-4, 10, 18, 25, 34 (HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Over het komende vrederijk en de terugkeer van de Israëlieten uit de heidenvolken schreef de profeet Jesaja:
Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt.
Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn, Die zal staan als banier voor de volken. Naar Hém zullen de heiden­volken vragen. Zijn rust­plaats zal heer­lijk zijn.
En het zal op die dag gebeu­ren dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand het over­blijf­sel van Zijn volk zal verwer­ven, dat over­ge­ble­ven zal zijn in Assyrië en in Egypte, in Pathros, Cusj, Elam, en in Sinear, Hamath en op de eilan­den in de zee. Hij zal een banier omhoog heffen onder de heiden­vol­ken en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen van de vier hoeken van de aarde.
Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen, en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitge­roeid worden. Efraïm zal niet langer jaloers zijn op Juda, en Juda zal Efraïm niet meer in het nauw drijven. Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neer­strij­ken in het westen, samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen. Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab, en de Ammo­nie­ten zullen hun gehoorzaam zijn.

Jesaja 11:9-14 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verlo­ren heeft, waarmee zal het gezou­ten worden? Het deugt nergens meer voor dan om wegge­wor­pen en door de mensen vertrapt te worden.
U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verbor­gen zijn. En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de koren­maat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de heme­len is, verheerlijken.

Mattheus 5:13-16 (HSV)

Wees een vaandel, wees een licht
We hebben gelezen over de twaalf vaandels, waar­achter de stammen van Israël zich opstel­den in de woestijn, de vaandels waarbij zij hun tenten opsloe­gen en waar­achter zij liepen op hun tochten.
Wat is een vaandel of vlag, en waarom is die zo belang­rijk? Elk land heeft zijn eigen regels over hoe met een vlag om te gaan, hoe die te respec­te­ren, en wat de kleuren en afbeel­din­gen voorstellen. Bij die voor­stel­lin­gen van de stam­vaan­dels mag je denken aan de inhoud van Jakobs zegeningen in Genesis 49, waarin hij bij voor­beeld Naftali een hinde noemt, en Benjamin een wolf.
Belangrijker dan de kleuren of afbeeldingen op de vlaggen was het gevoel van saamhorigheid, dat de vlaggen aan het volk gaven. De vlaggen gaven een gevoel van eigenwaarde, en de stammen zwaaiden er trots mee.

Het belang van een vlag als symbool wordt treffend weer­ge­ge­ven in een brief van Theodor Herzl aan Baron Hirsch: ‘Wat is een vlag? Een paal en een stuk stof? Nee, Sir! Een vlag is veel meer dan dat. Met een vlag worden mensen geleid naar waar u maar wilt, zelfs naar het uitver­ko­ren land. Voor een vlag leven en sterven mensen. Het is het enige waar­voor mensen bereid zijn te sterven.’

In dit verband lezen we ook de woorden van David Wolfson over de Israë­lische vlag: ‘In opdracht van onze leider Herzl ben ik naar Bazel gekomen om alle voor­be­rei­din­gen te treffen voor het Eerste [Zionis­tische] Con­gres. Een van de vele vragen die me toen bezig hielden was: met welke vlag zullen we de congres­hal versie­ren? Welke kleuren? We hebben geen vlag. Deze gedachte was zeer pijnlijk voor me. We moeten een vlag creëren. Maar welke kleuren moeten we kiezen? En toen werd een idee me duide­lijk: we hebben wel degelijk een vlag. Wit en blauw. De gebeds­sjaal waarin we ons tijdens het bidden wikke­len – deze gebeds­sjaal is ons symbool. We zullen de tallit uit de hoes halen en hem ontvou­wen voor de ogen van Israël en de ogen van alle volken. Ik heb toen een blauw-witte vlag met een David­ster erop laten maken. En zo is onze natio­nale vlag ontstaan.’

Vrijdag 15 mei was het Jeruzalemdag. Herdacht werd, dat in 1967 het verdeelde Jeruzalem weer verenigd werd tot één ongedeelde stad. Een dag, waarop de stad vol hing met Israëlische en Jeruzalemse vlaggen, met een wapen­schild waarop een klimmende leeuw is afgebeeld, geplaatst tussen twee horizontale blauwe banen.
Zo symboliseren vlaggen een visie en onze verbon­den­heid, als mensen, met een gemeenschappelijk idee. Daarom heeft elk land een vlag, elk bedrijf een logo.

Geroepen tot de vlag
In het Hebreeuws hebben we de uitdrukking “geroepen worden tot de vlag”. Dit betekent geroepen worden om bij te dragen, om van jezelf te geven, op eigen kosten, voor de visie, voor de gemeenschap of voor het land. Zelfs om met dezelfde vlag te strijden voor het ideaal van de natie.
Ook wij worden geroepen om de vlag te volgen; we worden opgeroepen om achter de visie te staan en deze te dienen. Maar we worden ook geroepen om zelf een vlag te zijn, een symbool van geloof, een teken van wat goed, rechtvaardig en waar is.
Als gelovigen is het onze visie om een ‘vuurtoren’ te zijn, een bron van licht. Om het licht van Jezus, het licht van de Torah, te laten schijnen en anderen dichter bij het geloof te brengen. Volgens de woorden van Jezus:
U bent het licht van de wereld. (…) Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de heme­len is, verheerlijken. (Mattheüs 5:14a,16 HSV)

Jezus’ opdracht is heel duidelijk. Dat mensen ons mogen zien, ons geloof, onze vreugde en onze daden, en dat zij daardoor God zullen leren kennen. Van ons wordt verwacht dat we vriendelijk en geduldig zijn. Dat we liefde, vreugde, vrede en sereniteit tonen. Inderdaad, als we geen vreugde en ware liefde in ons hart hebben, wat hebben we dan de wereld te bieden? We hebben de plicht om geluk uit te stralen, om liefde en vrede uit te stralen naar de wereld en naar onszelf. De wereld moet zien dat we iets te bieden hebben, dat we een onuitputtelijke bron van vreugde hebben.

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
God heeft geen groot leger nodig, Numeri 1,
Onze God is een God van orde, Numeri 2,
Een koninklijk priesterschap, Numeri 3,
Vrijgekocht door geld of door Jezus, Numeri 3.
Met dank aan Netivyah, Yehuda Bachana

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Wees een vaandel, wees een licht"

Geef een reactie