Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 3:15-4:7

white and blue cloudy sky

Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.

In de vorige lessen over de Galatenbrief kwam het volgende naar voren:
• Paulos is apostel speciaal voor niet-Joden
• Hoofdonderwerp van deze brief: waarschuwen voor Judaïsten die willen dat de talmiediem (leerlingen van de Here Jezus) hun trouw aan het Beriet Chadasjah (B”Ch; het Nieuwe Verbond) opgeven en zich onderwerpen aan de gebruikelijke Joodse Torahnavolging
• De Here Jezus werd door God, de Vader, vervloekt om de vloek van de zondemacht (satans macht) weg te nemen (Mat 27:46). Hij verkreeg dit doordat een Torahbepaling op Hem van toepassing werd
• Over allen (Jood of niet) die geloven in wat de Here Jezus van Zijn Vader heeft verkregen is de vervloeking – het onder de zondemacht zijn – opgeheven
• Als zij van God de Heilige Geest ontvangen kunnen ze de Torahnavolgen op de manier zoals het oorspronkelijk toegepast moest worden
• Helaas zijn bovenstaande zaken voor de meeste die in de Here Jezus geloven onbekend of worden ze niet door hen gelooft. Hierover bestaat echter ook veel verwarring, misvattingen, verkeerde vertaling en/of interpretatie en valse leringen. Het is niet makkelijk om te geloven, hoewel het in deze Bijbelse brief van Paulos staat
• Wie wel die nieuw geopende Weg van het B”Ch navolgen behoren rechtens toe het spirituele erfgoed van ‘Avraham te beërven. Zij zijn diens ware afstammelingen en worden net als hem vertrouwelingen van God

H3 (vervolg): In de verzen 15-18 beschrijft Paulos het verschil tussen Gods Verbond en Zijn Torah. Een bepaald Verbond kan niet zomaar geannuleerd en/of uitgebreid worden (vs 15). Aan het Verbond van God met ‘Avraham zijn beloften verbonden voor hemzelf en voor ‘zijn zaad’. Wie wordt bedoeld met ‘zijn zaad’? Zij die het geloofsvertrouwen van ‘Avraham delen. Paulos verbindt dat enkelvoudige ‘zaad’ vooral aan de Gezalfde Gods (de Here Jezus), Die de Representant is van dat ‘zaad’ (d.i. Zijn talmiediem (leerlingen)) als kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester). Daarmee herhaalt hij in andere bewoordingen zijn eerdere stelling; dat dit ‘zaad’ kinderen van God zijn. Joods of niet (vs 16).

430 Jaar later[1] (d.i. na ‘Avraham) ontving Mosjéh (Mozes) een veel uitgebreidere Torah, in verband met een vernieuwing van het Verbond. God sloot dat nieuwe Verbond[2] met de kinderen van Ja’aqov/Isra‘El in de Sinajwoestijn. Dit nieuwe Verbond verandert niets aan Zijn Verbond met ‘Avraham en Zijn beloften die eraan verbonden zijn. Het Verbond van ‘Avraham is dus inclusief in het Verbond dat God met Isra‘El bij de berg Chorev (Horeb) sloot.

Maar zoals elk Verbond een Torah heeft, kent het Verbond van ‘Avraham er ook een[3]. Overigens, zelfs voordat God met ‘Avraham een Verbond sloot had Hij al eerdere Verbonden gesloten[4]. Dat toont ook dat er allang Torah geopenbaard was voordat Mosjéh er een kreeg in verband met het Verbond dat hij bemiddelde. Er is immers een goddelijke Torah en de (stapsgewijze) openbaring als uitbreiding en verfijning ervan op aarde. Paulos heeft het hier specifiek over de Torah van het Verbond van Sinaj (vs 17).

Paulos stelt de vraag of Gods belofte aan ‘Avraham afhangt van een Torah (volg na en u zult ontvangen) die later is geopenbaard (in dit geval de Mozaïsche) of van het Verbond dat Hij met ‘Avraham sloot? Natuurlijk van het laatste. Paulos benadrukt dus hoofd- van bijzaak (vs 18).

Dan volgt weer een ingewikkelde passage (verzen 19-25) waarin het gaat over de vraag wat de functie is van Mozaïsche Torah? Volgens Paulos om de overtredingen (toon parabaseoon) van Isra‘El aan hen kenbaar te maken. Hen bewust ervan te maken. Die functie heeft het gehad totdat de talmiediem van de Gezalfde Gods zouden voortkomen (‘het zaad’) voor Wie de beloften van Zijn Verbond boven al bedoeld waren[5] (vs 19).

Dan volgt een nogal cryptisch (moeilijk te begrijpen) vers. Mosjéh is de hier genoemde middelaar. Hij ontving een Torah van engelen. Daarmee benadrukt Paulos dat die Torah van God, de Vader, Zelf kwam en door geen mens terzijde gesteld kan/mag worden[6]. Met andere woorden Mosjéh of welke Middelaar die na hem komt, en Die zijn gekomen, vertegenwoordigen slechts allen de Ene God.

De Torah van een bepaald Verbond of diens Bemiddelaar, mag dus niet het Verbond van God gaan domineren[7]. Een Verbondstorah heeft een ondersteunende, inkaderende en verklarende functie voor dat Verbond. Deze opmerking is natuurlijk vooral een prik naar ijverige vrome Joden (vs 20).

Maar bedoeld Paulos ook dat Mosjéh, de middelaar, de beloften van God aan ‘Avraham heeft bemiddeld aan Isra‘El? Dat is zeker zo. Is de Torah van Mosjéh strijdig met die beloften? Volstrekt niet stelt Paulos. Torah is wat anders dan beloften, maar er is wel een verband. Wie Torah navolgt kan nieuwe beloften van God ontvangen door de gehoorzaamheid die juiste Torahnavolging toont. Maar beloften zijn ook niet beter of ‘hoger’ dan Torah. Beloften zijn, net als Torah, iets wat bij Gods Verbond hoort[8].

Het evangelie wil mensen opwekken om te gaan geloven, Zijn Verbond aan te nemen en voor God te gaan leven. Juist voor hen die trouw aan Gods Verbond leren leven zijn Zijn beloften bedoeld. Als erfenis. Het ‘levend maken’ waar Paulos het hier over heeft gaat over de verlossing van de zondemacht. Op zich geeft Gods Torah immers ook leven (bijvoorbeeld Dt 8:1), maar dan in een veel beperkter zin, namelijk van nut zijn voor God door Hem door Torahnavolging te eren en dienen. Dat was al mogelijk onder de zondemacht (vs 21).

Het is juist Gods Torah die het bestaan van deze zondemacht openbaart. Vooral en ten eerste aan hen die niet-verlost zijn, maar gaan geloven wat God door de Here Jezus heeft gedaan. Maar net als voor ‘Avraham toen, gelden de beloften ook voor deze beginnende gelovigen. Ondanks dat ze nog niet verlost zijn, zoals ‘Avraham dat niet was. De Torah van Mosjéh staat daar ‘los’ van (vs 22).

In de ‘tussentijd’ (d.i. van Mosjéh tot de komst van de Here Jezus) werden gelovigen onder toezicht gehouden (efrouroumetha sugkleiomenoi – ter bescherming bewaakt). Paulos schrijft dat het geloven in de verlossing van de zondemacht door de Here Jezus tot die tijd nog niet geopenbaard was. Hij stelt dus terecht dat het B”Ch echt iets nieuws was (d.i. de verlossing van de zondemacht door de verzoening van ‘Adams overtreding). Het moest allemaal nog komen. Het navolgen van de Torah van Mosjéh staat dus voor die tussentijd, maar die tussentijd[9] is met de komst van de Here Jezus voorbij (vs 23).

In die ‘tussentijd’ was de Mozaïsche Torah een opvoeder (paidagoogos – leraar/gids/onderwijzer) voor ons tot de komst van de Gezalfde Gods, waardoor de Torahfunctie van opvoerder werd opgeheven. Helaas hebben nogal wat ‘vertalingen’ het Griekse woord in de grondtekst nogal negatief en foutief als “tuchtmeester” geïnterpreteerd en meteen ook maar Torah uitgezet tegenover geloven in de verlossing van de zondemacht. Alsof Torah door die verlossing ook niet meer van toepassing zou zijn. Zulk denken wordt in de Bijbel veroordeeld als anti-Torah (antinomos) leringen. In Nederlandse Bijbelvertalingen voor aangeduid als ‘wetteloosheid’ (vs 24).

In vers 25 lijkt Paulos in deze ‘vertalingen’ opnieuw geloofsvertrouwen in de Here Jezus uit te zetten tegenover “de tuchtmeester”, terwijl in de grondtekst het Griekse woord padagoogos ook hier onbepaald is. Het gaat Paulos dus om de pedagogische functie van de Mozaïsche Torah die irrelevant is geworden door de verlossing. Maar de bepaling “de” bij “tuchtmeester” verondersteld dat het om de Torah zelf gaat[10]. Paulos stelt hier dus niet dat geloof in de Here Jezus de Verbondstorah opheft, zoals helaas breed wordt gesteld in de christenheid. De Verbondstorah komt juist door de verlossing in het juiste ‘licht’ te staan[11] (vs 25).

Het ‘probleem’ dat Paulos in deze brief behandelt is dat de gelovigen in de Galatenregio door Judaïsten worden wijsgemaakt dat de pedagogische functie van Torah nog steeds van toepassing is en dat God wil dat die ook door hen zo moet worden nagevolgd. Alsof er geen verlossing van de zondemacht zou zijn verkregen en dat die verlossing geen impact heeft op de functie van de Torah. Die gedachte is volgens Paulos ‘werelds’ en ook een ontkenning van de realiteit van het B”Ch. Deze realiteit betekent echter dat zij die in de door de Here Jezus bij God verkregen verlossing geloven (hetzij nog niet-verlost onder de zondemacht of verlost door het ontvangen van de Heilige Geest), net als hij, zonen van God zijn geworden (vs 26).

Maar alleen zij die in de Gezalfde Gods zijn gedoopt (d.i. zij die Hem willen navolgen én net als Hem gestorven zijn aan het vlees, maar levend zijn geworden door Gods Geest) zijn net als Hij geworden. Zijn ware talmiediem (vs 27).

Deze talmiediem zijn allen ‘gelijk’ aan elkaar. Ze vormen één gemeenschap (vs 28). Wie van de Gezalfde Gods – de Here Jezus – zijn, zijn ‘Avrahams ‘zaad’, omdat Hij zijn ‘zaad’ is. Daarmee zijn de talmiediem de ware erfgenamen van de beloften die God deed aan ‘Avraham (vs 29)[12].

H4: In de verzen 1-7 licht Paulos de functie van Torah toe. Hij valt meteen binnen met de stelling dat wie de Torah nog als opvoeder (pedagoog) opvatten dit wijst op onmondigheid (nipios – onvolwassen/kind(erlijk)). Hij vergelijkt het met de staat van een slaaf. Die laatste staat onder een aardse ‘macht’. Ook al is de gelovige eigenaar (kurios) van de beloften (van Gods Verbond). Met deze woorden spreekt hij dus overduidelijk Isra‘El aan, waartoe hijzelf ook behoort. De erfgenamen van de beloften, zoals hiervoor beschreven (vs 1).

Paulos gebruikt nog twee andere Mozaïsche typeringen voor de voormalige functie van de Torah:
• Epitropous – bewaker/hofmeester
• Oikovomous – vertrouweling/beheerder (van een huishouden)

Typeringen met een positieve betekenis. Maar zie de tegenstelling in de christelijk traditionele vertalingen. Daar worden alleen negatieve betekenissen vertaald, zoals ‘voogd’ en ‘toezichthouder’. Opvallend is wat Paulos daarna stelt, namelijk dat God, de Vader, een moment heeft bepaald waarop deze ‘oude’ functie van de Torah zal beëindigen. Belangrijk om nogmaals te benadrukken: de ‘oude’ functie van de Torah beëindigt[13], niet de Torah zelf (vs 2).

Paulos gaat nog een stap verder en stelt dat toen de gelovigen – waar hij zich mee vereenzelvigt door het woord houtos (d.i. ‘wij’) te gebruiken – onmondig waren, zij toen ook onder de wereldgeesten stonden[14]. Dit is iets dat Paulos ook in andere brieven stelt (bijvoorbeeld Kol 2:20). Het kan ook niet anders, want die gelovigen[15] zijn niet-verlost (van de zondemacht). Hij lijkt hiermee zijn Joodse broeders te verontschuldigen (vs 3).

Volgens Paulos kwam het einde van pedagogische functie van de Torah in de volheid van de tijd. Dat lijkt ook een parallel te hebben met de volheid van zonden (van Gods volk). Hoe kwam dat einde? Doordat God Zijn Zoon (ton huion autou) uit te zenden (eksapesteilen) vanuit de hemel. Opvallend aan dit Griekse woord is dat het lijkt op het woord apostelon. Over Gods Zoon stelt Paulos:
• Ek gunaikos – uit een vrouw
• Hupo nomon – onder de Torah (met diens voormalige, ‘oude’ functie)

Dit zijn wel negatieve termen, want alles wat uit een vrouw voortkomt is in Bijbelse zin onrein, sterfelijk en zondig[16] (bijvoorbeeld Lev 12:1-5; Job 14:1; 15:14; 25:4). Daarnaast was de Here Jezus dus aanvankelijk een talmied van Mosjéh en (met) diens Torah(functie) (vs 4). God deed dit om twee redenen:
• Om hen vrij te kopen (eksagorsi) die onder de pedagogische functie van de Torah zijn
• Om hen het zoonschap (huiothesian) te schenken[17] (vs 5)

Deze twee redenen worden in de talmiediem vervuld doordat God, de Vader, tot hen Zijn Geest (to pneuma autou) heeft uitgezonden (eksapesteilen[18])[19]. Daardoor kunnen zij God ‘Abba’[20] noemen (vs 6).

Hij sluit dit gedeelte af met de conclusie dat de talmiediem dus niet langer onmondig zijn en onder de Mozaïsche functie van Torah, maar zonen (Joods of niet) die de beloften van het Verbond ontvangen (klironomos). De laatste woorden van dit vers ‘dia Theo’ (d.i. ‘door God) wijken af in sommige manuscripten door het op verschillende manieren andere woorden te gebruiken zoals ‘door de Here Jezus’[21] (vs 7).

+++
[1] Dit betekent dus dat de periode van ‘Avraham tot en met Ja’aqov ongeveer 200 jaar duurde, zoals de afstammingenlijsten in Genesis laten zien. Maar het betekent ook dat het verblijf van Ja’aqovs nageslacht in Mitsrajim (Egypte) nooit ruim 400 jaar kan hebben geduurd, zoals traditioneel wordt aangenomen, maar eveneens zo’n 200 jaar.
[2] Meestal het Mozaïsche Verbond genoemd.
[3] De meest bekende mitswah is natuurlijk beriet mielah (besnijdenis van mannen). Maar het is natuurlijk evident dat ‘Avraham ook de Sjabbatsmitswah hield, zoals alle vrome gelovigen sinds ‘Adam.
[4] Zoals met Noach (Gen 9:9).
[5] Immers, de Gezalfde Gods (de Here Jezus) is een hemels Persoon. Wat moet Hij met beloften van aardse goederen?
[6] Toch heeft de christenheid dat schaamteloos gedaan en volhard daarin tot op vandaag.
[7] Deze regel geldt dus ook voor de Here Jezus die het Nieuwe Verbond bemiddelde.
[8] Om het nog ingewikkelder te maken: de hemelse Torah bestaat onafhankelijk van Gods Verbond met mensen op aarde. Die hemelse Torah (een afdruk van Gods wil) staat ‘boven’ Gods Verbond met mensen op aarde.
[9] Niet de Mozaïsche Torah.
[10] In de King James vertaling (KJV) wordt wel de onbepaaldheid en juiste vertaling gebruikt: ‘a tutor’.
[11] In zekere zin wordt de Mozaïsche Torah zelf ook verlost van de zondemacht, hoewel die Torah wel de zondemacht als gegeven heeft uitgewerkt. Niet in staat zijnde die staat te veranderen. Het B”Ch heeft die Mozaïsche Torah dus ook vernieuwd, zoals is beschreven in diens geschriften (Nieuwe Testament).
[12] De KJV vat 3:26-4:7 op als een opzichzelfstaand gedeelte, maar veel andere ‘vertalingen’ vatten 3:26-29 op als het einde van hoofdstuk 3 en plaatsen 4:1-7 in een opvolgend hoofdstuk.
[13] Belangrijker is dat dit impliciet betekent dat de staat van de gelovige (d.i. verlost) Torahnavolging dus verandert en dat op een door God bepaald moment.
[14] Opnieuw interpreteren andere Messiaanse leraren dit anders, zoals Stern die het in verband brengt met zelfrechtvaardigende (legalistische) Torahnavolging. Zij stellen dat het dus alleen hen betreft die de Torah verkeerd begrijpen en/of verkeerd toepassen. Toch spreekt Paulos hier overduidelijk in algemene termen (heel gelovig Isra‘El).
[15] Traditioneel gelovige Joden.
[16] De Here Jezus was echter, net als ‘Adam, geboren als Mens zonder de persoonlijke last van de zondemacht.
[17] Waar diens eigen, nieuwe Torahfunctie bij hoort.
[18] Hetzelfde Griekse woord als in vers 4.
[19] In veel manuscripten staan hier nog de woorden ‘tou huiou’ – (van) de Zoon, maar niet in de meerderheidsmanuscripten. Dit punt – de Geest van God, de Vader, of van de Zoon – lag aan de basis van een grote kerkscheuring. Maar de context laat zien dat het in dit vers gaat om de zoonschap van talmiediem en dus om de Here Jezus. Hoewel Hij hun Aanvoerder is.
[20] Opmerkelijk: een Hebreeuws woord in een Griekse tekst.
[21] De King Jamesvertaling en de Statenvertaling hebben hier dan ook: ‘…erfgenamen van God door Christus.’ Ondanks dat de Here Jezus dat niet kan/mag toezeggen. Dat kan natuurlijk alleen God, de Vader.

Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 3:15-4:7"

Geef een reactie