Assimilatie noemen we het: je aanpassen aan de omgeving, de gewoonten ervan overnemen, en het eigene van je roeping, van je relatie met God kwijtraken. Moses waarschuwde al: ‘U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan.’
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Wayishlach (En hij zond) zijn:
✡ Torahlezingen: Genesis 32:4 – 36:43,
✡ Profetenlezing: Obadja 1:1-21,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Hebreeën 11:11-20.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Een gedeelte uit de Torahlezing:
Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, trok eropuit om bij de meisjes van dat land te gaan kijken. En Sichem, de zoon van de Heviet Hemor, de vorst van het land, zag haar; hij greep haar en sliep met haar; hij verkrachtte haar. Maar zijn hart raakte aan Dina, de dochter van Jakob, gehecht; hij had het meisje lief en sprak naar het hart van het meisje. Daarom zei Sichem tegen zijn vader Hemor: Neem dit meisje voor mij tot vrouw.
Jakob had gehoord dat Sichem zijn dochter Dina onteerd had, maar zijn zonen waren bij het vee in het veld. Daarom zweeg Jakob totdat zij thuiskwamen.
Hemor, de vader van Sichem, ging de stad uit naar Jakob om met hem te spreken.
De zonen van Jakob kwamen van het veld zodra ze het hoorden. De mannen voelden zich gekwetst en ontstaken in hevige woede, omdat hij een schandelijke daad in Israël had begaan door met Jakobs dochter te slapen, want zoiets doet men niet.
Toen sprak Hemor met hen en zei: Mijn zoon Sichem heeft met heel zijn hart liefde opgevat voor uw dochter. Geef haar toch aan hem tot vrouw. Ga huwelijksbanden met ons aan; dan geeft u uw dochters aan ons en kunt u onze dochters voor uzelf nemen. En blijf bij ons wonen. Het land ligt voor u open; woon er, trek erin rond en verwerf er bezit. En Sichem zei tegen haar vader en haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen, en ik zal geven wat u maar van mij wenst. Maak de bruidsschat en het huwelijksgeschenk gerust groot voor mij. Ik zal geven wat u van mij wenst; alleen: geef me het meisje tot vrouw.
Genesis 34:1-12 (HSV)
Gedeelten uit de Profetenlezing:
U kent ongetwijfeld de geschiedenis van de profeet Elia, die op de berg Karmel een offerwedstrijd hield met vierhonderdvijftig Baälpriesters, om te tonen wie de ware God is. Hoe heeft dit zo ver kunnen komen? Koning Achab had, om de buitenlandse betrekkingen te versterken, de dochter van de koning van Sidon tot vrouw genomen. En zij bracht haar eigen god mee, Baäl.
En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, in Samaria, tweeëntwintig jaar. Achab, de zoon van Omri, deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, meer dan allen die er vóór hem geweest waren. En het gebeurde (was het gering dat hij in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, ging?) dat hij ook nog Izebel tot vrouw nam, de dochter van Ethbaäl, de koning van de Sidoniërs, en dat hij de Baäl ging dienen en zich daarvoor neerboog. Hij richtte voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria gebouwd had. Ook maakte Achab een gewijde paal, zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.
Nehemia, de leider van de uit de Babylonische ballingschap teruggekeerde Joden, moest tegen diverse wantoestanden optreden, waaronder gemengde huwelijken.
Ook zag ik in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar spraken overeenkomstig de taal van elk volk. Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg sommige mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen! Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen.
1 Koningen 16:29-33, Nehemia 13: (HSV)
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament:
Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis? En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige? Of welk verband is er tussen de tempel van God en de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal in hun (midden) wonen en onder (hen) wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.’
Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
2 Korinthe 6:14-18 (HSV)
Vermeng je niet met andere volken
Een oud gezegde luidt: de Joden hielden de Sjabbat, en de Sjabbat behield de Joden. (In het Engels klinkt het nog duidelijker: the Jews kept the Shabbat, and the Shabbat kept the Jews). Het houden van de sjabbat, als een van de duidelijkste kenmerken van het Jodendom, heeft er aan meegewerkt dat het Joodse volk in de diaspora, de wereldwijde ballingschap, apart bleef bestaan en zich maar weinig vermengde met de ‘gojim’, de volken.
Want dat gevaar bedreigde de herdersstam van Jakob, en later het Joodse volk, en ook de christenheid: je mengen met en verbinden aan mensen die God niet kennen en dienen. Want een vrouw, of een man, die God niet kent en dient vormt een gevaar voor het huwelijk en kan de levenspartner afleiden van het leven met de Heer. En hoe geef je aan je kinderen een christelijke of Joodse opvoeding, wanneer een van de ouders er niets van wil weten?
Daarom stuurde Abraham er zijn knecht op uit, om voor zijn zoon Izak een vrouw te zoeken bij de familie in Haran.
Daarom stuurde Izak zijn zoon Jakob naar diezelfde familie in Haran voor een geschikte vrouw (en hij vond er zelfs twee, maar dat is een ander verhaal).
Daarom weigerden de zonen van Jakob hun zus Dina aan Sichem te geven (die haar had verkracht) en zich te verzwageren met de Hevieten. De manier waarop dit gebeurde was niet fraai en ik wil dat niet goedpraten, het zou in deze tijd tot een veroordeling door de VN leiden. (Maar zijn we in onze tijd dan zoveel beter?)
Ik denk, dat ‘vermeng je niet met andere volken’ ook een waarschuwing inhoudt voor de Staat Israël: ga geen bondgenootschap aan met andere landen, maak je niet afhankelijk van hen, verzwager je niet met hen, maar blijf trouw aan je roeping, als ‘een volk dat alleen woont’.
U mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn. U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u al snel wegvaagt. (Deuteronomium 7:2b-4)
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Jakob wordt Israël, Strijder Gods, Genesis 32,
Verzoening met God en mensen, Genesis 33,
Kom je beloften na, Genesis 35,
Spreek niet overijld, doe wat je belooft, Genesis 35.


Het aangaan van (intieme) relaties en/of bondgenootschappen met de ongelovigen is al eeuwenoud (zie Gen 6:2) en zie in het volgende vers 3 wat van Godswege het gevolg was. Iets waar de mensheid tot op vandaag nog onder lijdt. Al is bijna niemand zich ervan bewust wat God hen ontnomen heeft.
Overigens suggereert de woordkeuze ‘vermengen’ dat het gaat om huwelijken en dus om fysiek vermengen van volken. Dit is nauwelijks een punt in de Bijbel. Helaas wel in de misinterpretatie van veel Bijbeluitleggers. Lange tijd werd bijvoorbeeld gedacht dat zwarte mensen en kleurlingen van Cham moesten afstammen, want de huidskleur zou een weergave zijn van hun vermeende zonden. Onzin natuurlijk, maar wel een overtuiging die lang slavernij van deze mensen kon rechtvaardigen.
In de Bijbel gaat het verbod op aangaan van relaties/bondgenootschappen met ongelovigen om iets veel ernstigers. Het niet verstaan van de eigen bijzondere staat en roeping van de wederomgeboren gelovigen onder de volken en het reële gevaar van demonen (1 Kor 10:21). De wereld zal uiteindelijk buigen voor Gods wil, maar dan moeten gelovigen het niet omdraaien en buigen voor de wereld en hun eigen begeerten.
Maar nemen gelovigen, neem jij, neem ik dit verbod en de waarschuwingen in verband ermee altijd wel serieus genoeg? We zijn immers in deze wereld. Ja, maar niet van deze wereld en wij zijn geroepen Lichtdragers te zijn in die verlorenheid.