Haftarah – Kie tissa‘ – Als jij (Mozes) zal heffen

Haftarah Kie tissa‘ gaat over de parallel tussen het optreden van Mozes met het optreden van Elia tegen Israëls afgoderij.

Elia herstelt de verering van God
God gaf de profeet ‘Eliejahoe (Elia) de opdracht naar de koning van het noordelijke koninkrijk, ‘Ach‘av (Achab – een broeder is vader), te gaan. De koning noemde ‘Eliejahoe verontruster (’ocher) van zijn koninkrijk. Maar ‘Eliejahoe liet zich niet intimideren, maar wierp dat verwijt op hem terug. Niet hij had verontrusting gebracht, maar de koning en zijn huis, door Gods bevelen (mitswot) los te laten en de Be’aliem (afgoden van de volken) na te volgen. ‘Eliejahoe riep de koning op om zijn volk te verzamelen op de berg Karmél en ook de honderden profeten van de afgoden.

Op de Karmél verweet ‘Eliejahoe het volk dat ze zowel God als de afgoden dienden, maar dat die twee niet samengaan (Mt 6:24; Lc 11:17). Ze moesten radicaal kiezen wie ze zouden dienen. Om die keuze te bevestigen daagde ‘Eliejahoe honderden afgodenprofeten uit.

Hij liet hen stukken van een door hun geofferde rund op een afgodenaltaar leggen, maar ze mochten het niet in brand te steken. De profeten moesten hun afgoden aanroepen en als die het offer met vuur verslond, dan zou het terecht zijn als het volk die zouden dienen. De profeten riepen tot de afgoden, maar er gebeurde niets. ‘Eliejahoe begon toen de spot met hen te drijven. De profeten schreeuwde het daarom uit en maakte insnijdingen om hun roepen met bloed te ondersteunen. Het werd zo heftig dat ze tegen de avond in trance raakte, maar toch gebeurde er niets…

Toen nam ‘Eliejahoe zijn beurt. Hij herstelde het oude altaar van God, dat vernield was. Hij lag de stukken van een rund erop die hij aan God geofferd had. Daarna gaf hij opdracht om driemaal vier (12, dus namens heel Isra‘El) kruiken water erover uit te gieten, zodat het offer volledig was doorweekt. ‘Eliejahoe wijdde het brandoffer aan God, Die zijn gebed meteen beantwoordde met vuur uit de lucht dat het volledig verteerde. Het volk schrok ontzettend en viel in aanbidding op de grond. Ze erkende dat God de Ware was.

Parallellen
Sidra‘ Kie tissa‘ (Ex 30:11-34:35) gaat over de opdracht van God aan Mosjéh (Mozes) om van de berg Chorev (Horeb) af te dalen naar de Isra‘Eliem die in afgoderij waren vervallen (32:7-8). Mosjéh had toen net de laatste instructies gekregen over het te bouwen heiligdom.

Omdat Mosjéh lang verbleef op de berg Chorev dachten de Isra‘Eliem dat hij zich schaamde (boesj) om terug te keren (32:1). (Ze twijfelden aan God en Mosjéh.) Daarom besloten ze een godheid te maken die hen verder zou leiden. ‘Aharon, de kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester), maakte voor hen een met goud bedekte kalf tot welke zij uitriepen dat dit de godheid was die hen uit Mitsrajim (Egypte) had uitgeleid! (Herschrijven van geschiedenis!) Hij bouwde er ook een offeraltaar voor en riep een feestdag uit. Ze offerden de volgende dag eraan en aten ervan, dronken en werden balorig.

Mosjéh pleitte bij God voor het volk zodat Zijn toorn bekoelde (32:11-14, 31-32), maar stelde samen met de Lewiejim wel orde op zaken zodat er veel doden vielen (vs 28). Het volk was onder de indruk gekomen en rouwde (33:4, 10).

De haftarah (1 K 18:1-39) heeft als belangrijkste parallel de afgoderij van de Isra‘Eliem, maar ook het optreden van de profeten Mosjéh en ‘Eliejahoe die orde op zaken stelden onder het volk (geestelijk leiderschap). Beiden herstelden de verering van God. Net als in de sidra‘ is er ten tijde van ‘Eliejahoe onder de Isra‘Eliem twijfel of God hun wel zal redden, waardoor zij steun begonnen te zoeken bij afgoden en offers aan die brachten.

‘Eliejahoe trad net als Mosjéh gewelddadig op tegen de afgodendienaars (vs 40). De reactie van de Isra‘Eliem is in beiden gevallen gelijk: ze schrikken ontzettend van Gods optreden, komen tot berouw en erkennen Hem weer.

Torahgedeelten

De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah:

• 31:13 De Sjabbatten van God zijn een teken dat de gelovigen aan Hem gewijd zijn.
• 31:14-15 Gelovigen zijn verplicht de (wekelijkse) Sjabbat te houden (Hb 4:9).
• 32:33 God richt Zijn oordeel tegen elk individu persoonlijk die tegen hem gezondigd heeft en die uitdelgen uit het boek van het Leven (Ezech 18:4).
• 33:7 God verwijdert Zich van hen die zondigen.
• 33:12-13 God kende Mozes en hij had genegenheid gevonden bij Hem. Dit is de basis van elke relatie van God met een mens.
• 33:19 God zal Zich betonen en openbaren als Hij dat wil (Rm 9:15) en gelovigen zijn daarvan afhankelijk (Rm 9:16).
• 33:20 Ieder die Gods Aangezicht ziet sterft (Rm 2:4).
• 34:6-7 God is barmhartig en genadig, maar ook een verterend vuur tegen Zijn tegenstanders (Hb 12:29).
• *34:12-26 Herhaling van de kernbepalingen van Gods Verbond (de 10 Woorden) waarin de nadruk ligt op de omgang met God en het zich afscheiden van de heidenen (de levenswijze van ongelovigen; 2 Kor 6:14, 17). Hoe deze kernbepalingen gediversifieerd moeten worden blijkt: het gebod van de wekelijkse Sjabbat vertegenwoordigt ook het gebod van de andere Sjabbatten van de godsdienstige feesten. De bepalingen over de eerstgeborenen staan in verband met Pésach, dat weer in verband staat met de Sjabbat (Gods feesttijden). Pésach vertegenwoordigt het verbod op chamets (vs 25), etc.
• *34:26 Omdat God barmhartig en genadig is zal de gelovige ook zo zijn in de omgang met (slacht)dieren.

De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen 9 mitswot (Ex 30:13, 19, 25, 32 (2*), 37; 34:12, 21, 26).

Volgende week: Wajjaqhel over parallellen in het maken van de onderdelen van Gods heiligdom.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Wees de eerste die reageert op "Haftarah – Kie tissa‘ – Als jij (Mozes) zal heffen"

Geef een reactie