Haftarot – Noach / Léch lecha – Ga voor jezelf

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Haftarot Noach en Léch lecha (Gn 6-17) gaan over de parallellen tussen Noach & Avraham en Isra‘El & Gods volk.

Om gelijk te lopen met de lezing in de synagoge zijn hier twee haftarot samengevoegd. Vanaf volgende week volgt voortaan één haftarah.

Noach

In het haftarah gedeelte (Js 54:1-55:5) bij deze sidra‘ kondigt God het toetreden van de heidenen tot Isra‘Els Godsdienst aan (54:3, 5; 55:5). Maar dat blijkt geen verdienste van Isra‘El (54:1). Ook wordt aangekondigd dat God Isra‘El zou herstellen uit hun verbanning (vs 7).

Parallel Genesis 6-11: net zoals God Noach beloofde geen Vloed meer te brengen, zo beloofde Hij Isra‘El niet weer te verstrooien (vs 9), maar haar beschermen tegen vijanden (vs 16; Opb 20:8-9). De generatie van voor de watervloed ging van kwaad tot erger en ook de meeste nakomelingen van Noach vervielen erna ook weer. Er werd niet geleerd uit de geschiedenis. Zo leerde ook Israël niet en ging het van verbanning naar verbanning.

Het Nieuwe Testament vergelijkt de dagen van Noach met die bij de komst van de Messias in het einde der dagen (Mt 24:37). Jesaja profeteerde dat God Isra‘El zou herstellen met allerlei soorten edelgesteente (vss 11-12). Al hun grenspalen zouden welgevallige stenen zijn. Natuurlijk moet dit vooreerst poëtisch worden opgevat. De toekomst van Isra‘El zal verguld zijn. Christelijke uitleggers haasten zich echter om deze profetie meteen in verband te brengen met de profetie over het nieuwe Jeruzalem (Opb 21:18-21). (Het met elkaar in verband brengen van verschillende profetieën op basis van ‘klinkt als’ is een valkuil). Inderdaad, Openbaring kondigt een soortgelijke letterlijke vervulling in de verre toekomst aan, maar Jesaja schouwde het herstel van Isra‘El uit diens ballingschap in de nabije toekomst. In komende Messiaanse Koninkrijk dus. Die wordt gevestigd in de huidige Schepping. Voor de komst van een nieuwe hemel en aarde. Dat blijkt ook uit de profetie over Isra‘Els zonen en dat ze vast en veilig zouden wonen (vs 13). Zaken die in de nieuwe Schepping irrelevant zijn.

Jesaja laat weten dat God voor Isra‘Els herstel uit de eerste ballingschap heidenen (de Perzen) gebruikt. Maar God riep Isra‘El ook op (om tijdens hun verbanning) niet zoals de heidenen (waaronder ze lange tijd zouden verblijven) te gaan leven door zich te richten op het vermeerderen van welvaart en de handel (55:2), maar zich op Hem te richten. Hij zou een verbond voor altijd met hen sluiten (vs 3). (Dat wijst erop dat het verbond van Mozes niet voor altijd was!). Opnieuw profeteert Jesaja over de komst van de Perzen (vs 5) en zij worden geleid door een messias (koning Cyrus (Hebreeuws: Koresj)) die hier getuige (’ed), bevelhebber (nagied) en gebieder (metsawweh) wordt genoemd. (Eigenschappen en titels van Isra‘Els Messias). Toch hebben de Perzen het aangekondigde en blijvende herstel van Isra‘El niet gebracht. Die geschiedenis moet echter als belangrijke stap naar een toekomstige vervulling worden gezien. Bij Isra‘Els toekomstige definitieve herstel uit hun tweede verbanning zullen ook heidenen hen helpen (zie bijvoorbeeld Js 49:22).

Het haftarah-gedeelte uit Jesaja is wat raadselachtig bij Genesis 6-11. In dat laatste is het thema het behoud in Gods gericht van de Noach en alles dat zich bij hem aansloot. In het gedeelte uit Jesaja is het thema Isra‘Els herstel uit hun verbanning. Toch zit er in het verhaal van Noach ook het thema van herstel van Godswege dat meteen werd gekaderd door het sluiten van een verbond voor altijd (Gn 9:16). Ditzelfde komt naar voren bij Jesaja, waarin het toekomstige herstel van Isra‘El ook meteen zal worden ingekaderd met een verbond voor altijd (Js 55:3). Er is zelfs een verband te zien tussen de heiden Noach en de heiden Koresj.

Léch lecha

In het haftarah gedeelte (Js 40:27-41:16) stelt Isra‘El dat diens weg van God verborgen is en dat daarom diens recht (misjpat) aan haar voorbijgaat. God vraagt Isra‘El dan of Hij niet voortdurend (aan haar) werkt? Is Hij soms moe geworden of uitgeput? Hij geeft juist de vermoeide kracht. Aan Hem mankeert dus niets en ook niet aan Zijn werken aan Isra‘El. Jongelingen zullen moe worden, maar ze zullen (alleen) aan God versterkt worden. (Juist de jongelingen zouden deel hebben aan Isra‘Els herstel uit de eerste ballingschap, want die duurde maar één generatie (70 jaar)). Isra‘El, die God verwijten maakt, moet zich dus op Hem leren richten. (Let op het herhaalde gebruik van de woorden moe worden (ja’af) en uitgeput zijn (jaga’). Ze komen allebei 4* voor).

In 41:1 maakt God bekend dat als Isra‘El zich op God richt, Hij hun sterkte zou vernieuwen (jachaliefoe koach: dezelfde woordcombinatie staat ook in 40:31). Dan zou Isra‘El tot God naderen en het verlangde recht van Hem ontvangen. Hoe? Hij zou de Perzen doen komen om hen uit hun ballingschap te verlossen (vs 2). Zij zullen het Babylonische rijk in al diens delen overwinnen (vs 3). God roept Isra‘Els rest op om niet zoals de heidense natiën voor hun komst te vrezen. Ook zal Hij de weerspannige Isra‘Elim, die met hen twisten over Gods werk aan Isra‘El, buitenspel zetten (vs 11-16). (Belangrijk is dat de woordcombinatie bach (in jou) dat op de vertoornden (hannéchériem) slaat. Het gaat dus niet om mensen buiten Isra‘El. Zij waren de achterblijvers in de verbanning, terwijl Isra‘Els rest terugkeerde naar het beloofde Land). God noemt Isra‘Els rest een klein volkje en een wormpje.

Parallel met Genesis 12-17: Avraham werd door God geroepen met de opdracht Zijn wil te doen. Dat ging samen met allerlei strijd en moeilijkheden. Onze haftarah voert daarbij Jesaja op waarin Isra‘El net als Avraham door God bemoedigd wordt om door te zetten ondanks de sombere omstandigheden en weerspannigheid (Js 40:31).

Torahgedeelten

De volgende teksten uit de sidr‘ot kunnen opgevat worden als Torah:

  • 6:3 God heeft met de watervloed ook Zijn Geest onttrokken aan de mens (Rm 8:8).
  • 6:8-9 Noach (vertroosting) vond genade (chen) bij God, omdat hij volkomen rechtschapen (tsadieq tamiem) was (17:1; Mt 5:48).
  • 7:2 Er was sinds Adam kennis van gewone en reine/schone (tehor) dieren (Gn 3:21; 4:4). Dit staat in verband met de kennis van goed (tov) en kwaad (ra’), waarvan het verbod op vrije toegang tot eeuwig leven het verschrikkelijke gevolg was (Gn 3:22). De Schepping had diens verband met God verloren (Gn 8:21). Alleen wat rein is maakt die toegang weer mogelijk en staat ermee in verband (Gn 8:20); de offerdienst.
  • 9:3-4 Naast plantaardig voedsel zal de mens ook alles wat zich beweegt (rémésj) eten, maar het wel daartoe nemen als het nog leeft (hoe‘-chaj) en het bloed eruit laten weglopen (godsdienstige slachten). Dus een verbod op het eten van vlees van kadavers. De gelovige moet eten van het reine dat die aan God offert.
  • 9:5-6 Wat bloed betreft: het is Gods Eigendom. God zal het van de mens eisen als die dieren of mensen doodt. Bij het doden van dieren wordt Gods eis ingewilligd door godsdienstige slacht. Wie echter mensenbloed vergiet, die zal God doden door mensenhand. Elk mens vertegenwoordigt God op aarde.
  • 9:7 Verplichting zich over de aarde te verspreiden en talrijk te worden (Mr 16:15; Hnd 1:8; 13:47).
  • 9:9-10 Gods Verbond met Noach, werd ook gesloten met zijn nageslacht en alle dieren (vs 15).
  • 9:23 Verbod om de naaktheid van diens vader te onderzoeken (Ex 20:12; Lv 18:7).
  • 12:2 Avraham werd de eerste patriarch (hoofd) van de gelovigen (Hb 7:4) die een apart volk (van gojim) zou gaan vormen (Gn 17:4) en waaruit een natie (Isra‘El) zou voortkomen. God sloot met hem een Verbond voor altijd (Gn 15:18; 17:2, 7).
  • 12:7 God schonk aan Avraham en zijn fysieke nageslacht (Isra‘El) het Land voor altijd (13:14-17; 15:4; 17:8).
  • 14:20 Het kohenschap Gods bestond van oorsprong onder de heidenen en Avraham erkende dat ambt (Hb 7:6-7). Heidenen zullen er ook weer deel aan krijgen (Js 66:21).
  • 15:6 Geloofsvertrouwen/gehoorzaamheid beoordeelt Hij als de juiste gezindheid naar Zijn wil (Hb 11:8).
  • 17:10 Verplichting dat elke mannelijke die tot Avraham behoort besneden wordt als teken van Gods Verbond met hen (Dt 30:6; Rm 4:11; Gal 3:29; Col 2:11). Wie in het Verbond met Avraham zijn en niet besneden zijn, die zal God uitroeien (Gn 17:14).

Haftarah Wajera’ gaat over de verdere gebeurtenissen in het leven van Avraham.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Haftarot – Noach / Léch lecha – Ga voor jezelf"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*