Parasjah Balaq (koning van Mo‘av)

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Nm 22-25) gaat over de poging van Mo‘av om Isra‘El te vervloeken. Ze huren daarvoor een ‘profeet’, Bil’am, uit een ander land. Echter, God legt hem op alleen te doen wat Hij hem opdraagt. Anders zou Hij hem doden. Bil’am doet het tegenovergestelde wat Balaq vraagt. Hij zegent Isra‘El. Maar dan haalt Isra‘El zelf onheil van Mo‘av over zich heen.

De koning van Mo‘av, Balaq (Leeghaler), zag wat Isra‘El had gedaan met de ‘Émoriem (Amorieten) en zijn volk was bang voor een aanval (22:4). Maar Balaq begreep niet waarom Isra‘El niet ‘Édom, Mo‘av en ’Ammon had aangevallen. Het was ‘familie’ van Isra‘El (Gn 19:36-38; 25:29-30). Balaq overlegde met de oudsten van Midjan en toen vroegen ze Bil’am, die in een plaats aan de Eufraat woonde, om Isra‘El te vervloeken (‘arar). Ze beloofde hem waarzeggersbeloningen (qesamiem). Balaq zou Isra‘El dan kunnen verslaan en uit het gebied verdrijven.

Bijzonderheden

Het is opvallend dat de koning van Mo‘av overlegd met de oudsten van Midjan. Hun gebied lag ten zuiden en zuidwesten van ‘Édom (Sinaï). Maar Mo‘av lag noordelijk van ‘Édom. Het lijkt erop dat toen Midjaniem zich in zijn gebied hadden gevestigd. In elk geval hadden de Midjaniem een geestelijke functie hadden in die gebieden. De Midjanitische vader van Mozes, Jitro, werd kohen (priester van God) genoemd en Re’oel‘El (Vriend van God; Ex 2:16, 18). Als Balaq spirituele bijstand nodig had, dan waren de oudsten van Midjan dus bij wie hij moest aankloppen. De Midjaniem kenden de geestelijke ‘gave’ van Bil’am.

De naam Bil’am (Zonder volk) doet vermoeden dat hij een soort Hebreeër was. Een man zonder eigen land. Een rondtrekker (’avar). Maar er staat bij dat hij woonde in “het land van zijn volksgenoten” (‘éréts benej ’ammie). Hij behoort dus wel tot een volk (24:14). Toch lijkt zijn geestelijke ‘gave’ sterk op die van de Hebreeër Avraham (vs 6; Gn 12:3). Ook blijkt God door Bil’am te werken (vss 9-12).

Bil’am weigerde aanvankelijk op Gods raad om naar Mo‘av te gaan. Balaq zond echter herhaaldelijk afgezanten. Elke keer raadpleegde Bil’am God en steeds beval Hij hem Isra‘El niet te vervloeken, want het was gezegend (kie baroech hoe). Uiteindelijk beval God hem toch mee te gaan, maar alleen Zijn woord te spreken. Opvallend is dat in dit verhaal herhaaldelijk zaken drie maal gebeuren.

Bil’am en Gods engel

Blijkbaar ging Bil’am met een verkeerde intentie op weg. God werd namelijk meteen na zijn vertrek kwaad op hem. Hij stelde Zijn engel met getrokken zwaard op zijn weg. De ezelin waarop Bil’am zat zag de engel, maar hij niet. Het dier boog daarom af. Bil’am werd kwaad en sloeg het dier. Toen kwam hij op een weggedeelte met aan beide zijden muren. Opnieuw versperde de engel zijn weg. De ezelin week toen tegen een van de muren zodat Bil’ams been klem kwam te zitten. Weer sloeg hij het dier. Bij de derde keer kwam hij op een weg waar geen ruimte was om uit te wijken voor de engel. Toen ging het dier op de weg zitten en Bil’am sloeg het dier weer. Toen kon het dier wonderlijk genoeg tegen hem spreken. Er volgde een discussie, maar toen opende God Bil’ams ogen zodat hijzelf de engel zag. Hij viel toen op de grond neer. De engel verweet hem het ten onrechte slaan van de ezelin. Hij liet hem weten als tegenstander (satan) te zijn gekomen, omdat hij op weg was God schade aan te doen (vs 32; jarat). Maar de ezelin had juist zijn leven gered. Bil’am erkende zijn zonde (chata‘t) en zei dat hij naar huis zou terugkeren. Bil’ams zonde was niet zozeer dat hij drie maal de ezelin ten onrechte sloeg, maar zijn ‘eigen agenda’. Hij moest alleen doen wat God hem bevolen had en dus naar Mo‘av gaan.

Bil’am in Mo‘av

Balaq ontving Bil’am met een offerfeest aan Ba’al, waarvan ook Bil’am at. De volgende dag bracht Balaq hem naar de offerhoogten (bamot) van Ba’al, vanwaar de uiterste delen van Isra‘Els legerplaats in het Jordaandal te zien was. Bil’am gaf opdracht om aan zijn God een volheid (zeven) van offergaven te wijden. God sprak daarna tot Balaq via Bil’am. Daaruit bleek dat God met Isra‘El was en dat wie hen als onder de natiën zou rekenen de dood zou sterven. Balaq was zeer beledigd door die woorden, maar Bil’am herhaalde (vs 38) dat dit – Gods woorden spreken – zijn voorwaarde was (23:12). Balaq stelde dat Bil’am nog niet de hele omvang van Isra‘El had gezien en bracht hem daarom naar een uitzichtpunt waar dat kon. Daar herhaalde Balaq hetzelfde ritueel, maar toen God door Bil’am sprak kwam het op hetzelfde neer. Alleen voegde God ditmaal toe dat vervloeken van Isra‘El zinloos was, maar Hij sprak ook dreigende woorden aan het adres van Balaq (vs 24). Toch nodigde Balaq Bil’am voor de derde maal uit naar een andere plek te gaan en het nogmaals te proberen. Maar Bil’am wist al wat God zou zeggen en daarom keerde hij ditmaal zijn rug naar Isra‘El toe. Bil’am was bang dat Balaq hem anders zou doden. Maar Gods Geest herhaalde door Bil’am Zijn eerdere woorden. Daarna liet hij hem de woorden die Hij tegen Avraham had gesproken uitspreken en die heel toepasselijk waren (Gn 12:3). Balaq was begrijpelijkerwijs zeer kwaad op Bil’am, maar in feite vertoornd op God. Toen ging Bil’am door en profeteerde de komst van het Davidische koningshuis die heel het zuidoostelijke gebied van de ’Aravah (Mo‘av, ‘Édom en Se’ier) zou innemen en diens inwoners zou verpletteren. Bil’am ging voort en kondigde de ondergang aan van ’Amaleq en de Qejniem (Qajin – Kaïn). Ook profeteerde hij over de komst van de Filistijnen (Kittiem), die zich zouden doen gelden in de Levant, maar uiteindelijk ook ten onder zouden gaan. Daarna keerde Bil’am naar huis terug.

Geloofsafval in Sittim

Tijdens Isra‘Els verblijf bij de Mo‘avietische plaats Sittim begonnen Isra‘Elische mannen te hoereren (zanah) met de dochters van Mo‘av. Deze vrouwen verleidde hen tot de offerdienst aan Ba’al en Isra‘Elim aten ervan, waardoor ze zich aan de lokale afgod Ba’al-Pe’or verbonden (25:3). Dit griefde God zeer en Hij droeg Mozes daarom op om alle vorsten (ra‘sjej) van Isra‘El openlijk op te hangen. Mozes droeg de richters (sjoftej) op dit te voltrekken, samen met alle andere Isra‘Elim die zich met de afgod hadden ingelaten. De Isra‘Eliem waren daardoor in diepe rouw bij het heiligdom verzameld.

Terwijl dat gebeurde kwam een Isra‘Elitische man met een Midjanitische vrouw en bracht die openlijk tot zijn tent. Mozes was zelf gehuwd met een Midjanitische, dus dat zou moeten kunnen. Maar Pienchas, de zoon van de kohen gadol (Isra‘Elitische hogepriester), nam toen een speer (romach), ging die tent binnen en doorstak beiden, die al bezig waren gemeenschap te hebben, in de onderbuik. Daarna werd de plaag (maggefah) onder de Isra‘Eliem opgeheven. Mo‘av was niet in staat Isra‘El te vervloeken, maar het door God gezegende Isra‘El bracht onheil over zichzelf, waardoor velen stierven. Precies op de plaats van de derde vervloekingspoging (23:28).

In de volgende parasjah komen de gevolgen van de hoererij in Sittim naar voren, wordt de opvolger van Mozes aangewezen en de offerdienst aangescherpt.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Balaq (koning van Mo‘av)"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*