Parasjah ‘Émor – Zeg (tot de kohaniem)

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Lv 21-24) behandelt eerst de speciale wijdingsbepalingen voor de kohaniem. Daarna de (verdere) bepalingen voor het functioneren van het heiligdom en de Mozaïsche rechtspraak. Kortom, al de zaken waarvoor de kohaniem (priesters) verantwoordelijk waren.

Nadat God via Mozes de algemene wijdingsbepaling voor de Isra‘Eliem had bekend gemaakt, gaf Hij de speciale wijdingsbepalingen voor de kohaniem daarbovenop. Mozes moest hen zeggen (‘amar) dat ze zich niet godsdienstig mochten verontreinigingen aan een levenswil (néfésj van mens of dier), want dat zou hen diskwalificeren voor hun dienst.

Wijdingsverbijzonderingen voor kohaniem

Zoals vaak in de Torah volgt een verbijzondering op de generieke bepaling. De kohen mocht zich in uitzonderlijke gevallen verontreinigen aan het dode lichaam van zijn bloedverwant (sj‘ero), de nabije (haqqarov). De niet-bloedverwant, zoals de schoonfamilie, gaf onvoldoende reden om zich voor te verontreinigen. Waarom staat er haqqarov? Omdat de persoon in directe omgeving van de kohen moest zijn geweest voor diens doodgaan. Er moest een hechte band zijn geweest. God gaf ruimte voor rouw. Maar ver af staande bloedverwanten vielen dus af.

Maar de Torah geeft vaak ook verdere inperkingen. Zo ook voor de kohaniem (21:5-9). Ze gaan over hun hoofdhaardracht en lichaam en zijn vergelijkbaar met die voor de Isra‘Eliem (19:27-28) alleen strikter. Opvallend is het verbod dat kohaniem geen uitzondering mochten maken voor een heer (ba’al) in zijn volk (vs 4). De wijdingsgbepalingen voor de kohaniem tonen hun veel hogere graad van wijding dan de Isra‘Eliem. Voor de kohen gadol (Hogepriester) waren nog striktere wijdingsbepalingen van toepassing (vss 10-15).

Een afstammeling van de kohaniem met een letsel (moem) mocht geen kohen zijn (vs 17), maar wel eten van dat wat uit de offergaven voor kohaniem was bestemd (vs 22). De kohen echter die godsdienstig onrein was mocht daarvan niet eten (22:3). Heel praktisch volgt dan meteen een lange lijst van verontreinigingen van de kohaniem (vss 4-5, 8). Ook een onbevoegde (zar) mocht er niet van eten (vs 10), maar gebeurde dit toch in onwetendheid, dan volgt weer een bepaling wat dan te doen staat (vs 14).

Een nare eigenschap van wereldreligies die na de verwoesting van de Tempel zijn ontstaan (Judaïsme, christenheid en islam) is dat die de wijdingsbepalingen van de kohaniem opleggen aan gelovigen. Bijvoorbeeld het dragen de kippah (21:10), het aanstellen van een christelijke priesterkaste of het wassen van handen & uittrekken van schoenen bij het binnengaan van hun pseudo-tempel. Niet alleen is dit ongepaste en onjuiste vroomheid, maar het is ook lasterlijk om zich zo als kohaniem voor te doen. Het wijst ook op gebrek aan realiteitszin. De ene Tempel Gods op aarde is verwoest totdat de Messias die laat herbouwen en Hij nieuwe kohaniem aanstelt. Tot die tijd is het ambt van kohaniem en dus ook hun wijdingsbepalingen logischerwijs niet meer van kracht.

Een andere fout is om deze bepalingen (juist de wijdingsbepalingen voor de Isra‘Eliem (vorige sidra‘)), zoals ook heel Gods Torah, restrictief op te vatten. Niet alleen door die als ‘wetten’ (hoofdzakelijk negatief) te interpreteren, maar vooral ook in letterlijk beperkte zin (alleen wat in de Bijbel staat geldt). De intentie ervan wordt zo veronachtzaamd. Ook wordt niet onderkend dat de verbijzonderingen slechts voorbeelden geven. Niet wordt overwogen dat God wellicht verwacht dat opvolgende generaties de verantwoordelijkheid nemen tot verdere verbijzondering.

Verdere bepalingen voor het heiligdom

Voor iemands (Isra‘Eliet of inwonende vreemdeling) offergave van geloften (nidrej) of vrijwilligheid (nidvah) worden bepalingen gegeven. Net zoals voor een slachtoffer van dank (zévach-todah). Ze moesten zonder letsel (moem) zijn. Een offergave van een buitenlander (bén-nechar) werd echter geweigerd, want hun verdorvenheid (masjchatam) in hun (bahém) werd als letsel (moem) in henzelf (bam) opgevat (22:25).

Offerdieren mochten pas vanaf de achtste dag na hun geboorte worden geofferd (vss 26-27). Moeder en jong werden een week van rust en samenzijn gegund.

Gods vastgestelde tijden (mo’adej haSjem)

God droeg Mozes op om de Isra‘Eliem opnieuw de samenkomsten van wijding (miqra‘ej qodésj) voor te houden (H23; Ex 20:8-11):
• De wekelijkse sjabbat
• De gedenk- en feesttijden
In de eerste maand:
1) Pésach vanaf volle maan; een zevendaags feest van de ongezuurde/ongedesemde broden (chag hamMatsot; 1 Kor 5:8) en het aanbieden van de eerste schoof (‘ét-’omér re‘sjiet) aan God
2) De telling (sefar) van zeven weken vanaf de tweede dag Pésach
3) Vijftigste dag Pésach (chamisjiem jom), een nieuw spijsoffer (minchah chadasjah) met speciale offergaven werd aan God aangeboden

In de zevende maand:
4) Een herdenkingsdag van sjofargeschal (jom zichron teroe’ah) bij nieuwe naam (ro‘sj chodesj)
5) De dag van de verzoeningen (jom hakkipoeriem) op de tiende van de maand
6) Zevendaags loofhuttenfeest (soekot) beginnende bij volle maan
7) Afsluiting (’atsérét) van het godsdienstige jaar op de dag na Soekot

De bepaling voor het oogsten wordt erbij herhaald, hoewel geen van de Bijbelse feesten ‘oogstfeesten’ zijn (vs 22; 19:9-10). Oogst- of vruchtbaarheidsfeesten houden is heidens.

Elke (eerste) feestdag is als een sjabbat (jom sjabbaton) en ook de laatste dag van het feest van de paasbroden en ook ’atsérét aan het einde van het godsdienstige jaar.

Verdere bijdragen van Isra‘El aan het heiligdom

God droeg Mozes op om van de Isra‘Eliem voor het heiligdom te vragen:
• olie voor de menorah (herhaling van Ex 27:20)
• fijn meel voor de twaalf toonbrood op de gouden tafel

Godsdienstige rechtspraak

Toen een jongeman tijdens een gevecht in de legerplaats Gods Naam lasterde werd hem de zwaarste doodstraf (steniging) opgelegd (24:10-11). Hij had immers Gods bevel (mitswah) om Zijn Naam niet respectloos te gebruiken geschonden (Ex 20:7). Zo werd grondig de zonde uit Isra‘El verwijderd.

Herhaald werd dat de doodstraf ook stond op het doodslaan van elke levenswil van een mens (Gn 9:5; Ex 20:13). Als iemand bij een ander een letsel (moem) veroorzaakte, dan moest aan diegene hetzelfde letsel worden veroorzaakt. Oog voor een oog, een tand voor een tand, etc. (Ex 21:24-25).

Het is niet toevallig dat hier de doodstraf word genoemd, want:
1. Op overtreding van alle Tien Woorden (’asérét haddevariem; Ex 34:28) staat de doodstraf.
2. Vervloeken van Gods Naam staat gelijk aan het willen ‘doden’ van God(s Naam).
3. Diegene die iemand beschuldigden van vloeken mochten dat niet zomaar doen, want dan zouden ze met de steniging een moord plegen (Dt 19:15; Mt 18:16).
4. Stenigen moest grondig gebeuren; tot de dood toe. Want als de aangeklaagde het zou overleven, dan zouden de aanklagers verantwoordelijk zijn voor de letsels die ze door de steniging hadden aangebracht. Hen zou dan rechtens hetzelfde moeten worden aangedaan door de aangeklaagde.

In de volgende parasjah zullen we de bepalingen bekijken over het sjabbats- en jubeljaar, lossingen en barmhartigheid.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah ‘Émor – Zeg (tot de kohaniem)"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*