Parasjah Hammisjpatiem: de verordeningen

Beeld: Flickr
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Ex 21-24) vinden veel gelovigen saai en ingewikkeld. Toch toont het juist wat de ‘Tien Bevelen’ (Ex 20) praktisch voor Gods volk betekent. Het laat zien hoe die mitswot begrepen en toegepast willen worden. Duidelijk anders dan hoe christenen dat over het algemeen doen. Deze sidra‘ is het begin van het godsdienstige onderwijs wat gelovigen nodig hebben.

Nadat Israël aangaf Gods Verbond te willen aannemen door de ‘grens’ ervan (Ex 20) te accepteren, begon God aan Mozes de nadere bepalingen ervan bekend te maken. Deze verordeningen (misjpatiem) haken rechtstreeks in op Gods bevelen (mitswot) van het vorige hoofdstuk en wegen daarom bijna even zwaar. De structuur is dat steeds eerst een algemene verordening wordt gegeven en vervolgens allerlei uitzonderingen en toepassingen volgen, ingeleid met het woordje ‘indien’ (‘im).

God liet Zijn verordeningen beginnen met het onderwerp slavernij, dat in die tijd een dagelijks gegeven was. Deze zijn afgeleidt van de mitswah ‘Niet zal jij roven’ – lo‘ tignov (20:15). Gods intentie met de mitswah wordt uit de misjpatiem duidelijk. God verbiedt slavernij niet en keurt het niet af. Zelfs niet als Hebreeërs slaven hebben die ook Hebreeuws zijn. Alleen moet in Gods volk wel de gerechtigheid van Zijn Verbond heersen. Daarom gaf Hij deze specifiekere voorwaarden. Zo moest slavernij eindigen in het Sjabbatsjaar (het zevende jaar; 21:2). Dat haakt in op de mitswah over Sjabbat (20:8-11). Verordeningen hebben dus hun oorsprong wel vanuit één bepaalde mitswah, maar maken wel onderdeel uit van het geheel van de Verbondsvoorwaarden. Ze kunnen dus ook verbanden hebben met andere mitswot en de overige bepalingen.

Deze verordeningen over slavernij staan niet rechtstreeks in verband met de ‘slavernij’ van de Hebreeërs in Egypte, want dat was geen slavernij in de normale zin van die tijd. De Hebreeërs waren als gasten uitgenodigd om naar Egypte te komen, maar een latere Farao had ze tot dwangarbeiders gemaakt uit haat tegen en angst voor hen. Ondanks hun eerdere zegen voor Egypte. Slavernij in die tijd was een staat die van geboorte zo was bepaald of waarin iemand terecht kwam door armoede. De Hebreeërs kwamen uitermate rijk Egypte in en verlieten het zo ook weer.

Gods Verbond in de praktijk – moordzaken

Hoe ‘werken’ Gods verordeningen? Neem bijvoorbeeld Gods bevel ‘Niet zal jij moorden’ – lo‘ tirtsach (20:13). God gaf in hoofdstuk 21 daarover minstens 10 verordeningen (vss 12-15, 18-36). De belangrijkste aanleiding is slaande ruzie tussen Hebreeërs. Als er gewonden vallen of doden, dan is de algemene verordening dat wie een ander doodslaat (nakah) vanuit hatelijke intentie en als het een opzettelijke vooruitgedachte handeling is, dan moet zo iemand sterven. Dan geldt Gods rechtvaardige principe van ‘leven-voor-een-leven’ – néfésj tachat néfésj (21:23). Dit is het onomstotelijk bewijs dat deze mitswah tot de doodstaf kan leiden. Het uitvoeren van die straf is een zaak van de hele gemeenschap. Steniging. Zo werd de mitswah overtreder uit Israël verwijderd.

Deze verordeningen worden in verband gebracht met wat Mozes had gedaan (2:12). Maar de daad van Mozes kan niet als moord worden aangerekend. Het bewijs voor een opzettelijke daad vanuit een hatelijke intentie met voorbedachten rade ontbreekt en ligt ook niet voor de hand (21:14). Hij is terecht weggevlucht voor de wreker naar Midjan.

In de uitzonderingen en bepalingen bij deze verordeningen wordt ook onderscheid gemaakt als er geen dode valt (21:18). Dat valt buiten de mitswah, maar daarvoor gaf God wel regels. Als de geslagene namelijk (ernstig) gewond is geraakt, enige tijd bedlegerig was en moest helen dan moest diegene die dat veroorzaakt had wel zijn verzuimde tijd en het helen vergoeden (21:19).

Vluchtplaatsen

Was er twijfel over de manier waarop het geweld tussen beiden is gegaan. Bijvoorbeeld omdat er geen getuigen waren of wist de slaander van zichzelf dat die geen mitswah overtreding had begaan. Dan mocht de verdachte vluchten voor de wraak (van bijvoorbeeld de familie) naar een door God aangewezen plaats (21:13). Later gaf God nadere bepalingen over die vluchtplaatsen (Nm 35).
Van zwaardere betekenis zijn de verordeningen die mitswot combineren. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om een kind die opzettelijk zijn ouders dood (21:15; vergelijk 20:12).

Kortom, de verordeningen behandelen dus allerlei manieren hoe de mitswot concreet werden. Maar ook als dat niet het geval was. De misjpatiem blijken vooral bedoeld ter voorkoming dat onterecht de doodstraf werd toegepast. Ze leggen dus de basis voor godsdienstige rechtspraak.

Het mag duidelijk zijn dat de concretisering van de mitswot werd bepaald door de omstandigheden van een bepaalde tijd en generatie. In Nederland is tegenwoordig bijvoorbeeld slavernij verboden. Het zijn profeten na Mozes die namens God van belang zijnde concretiseringen geven voor hun generatie. Dit principe hebben vooral de Farizeeën en later de rabbijnen opgevolgd in de tijden dat het aan erkende profeten ontbrak en ze zetten dat voort tot vandaag aan toe. Maar zijn die ook van God gegeven? Dat ligt niet meer voor de hand nadat Gods Sjechienah is weggenomen.

Het is dan ook niet vreemd, maar wel belangrijk, dat de Here Jezus oordeelde dat de bepalingen van godsdienstige groeperingen zoals de Farizeeën niet van Godswege waren (Mt 15:9), maar wel nagevolgd moesten worden indien van toepassing (Mt 23:3). Maar ook, dat Zijn leerlingen zich vooreerst moesten toeleggen op het gewichtigste van de Verbondsvoorwaarden (Mt 22:37-39; 23:23). Vraag blijft wel wat de Bijbelse Verbondsvoorwaarden en diens principe vandaag voor leerlingen van de Here Jezus betekenen. Daaraan wordt zorgelijk weinig aandacht besteed. Opvallend is wel dat bijvoorbeeld de juridische afwikkeling van moordzaken in Nederland niet zo ver van de verordeningen en hun principe van de Bijbel afwijkt.

Verbondsluiting

Mozes maakte het volk al Gods woorden en misjpatiem bekend en zij accepteerden die (24:3). Daarna schreef hij die dingen op en richtte een altaar op. Hij slachtte brand- en slachtoffers en wijdde daarmee het verbond tussen God en het volk. Toen klom hij samen met Aäron, zijn twee oudste zonen en zeventig oudsten de berg op. Het volk mocht de berg echter nog steeds niet aanraken. Halverwege de berg namen ze plaats en zagen Gods heerlijkheid. Zij aten en dronken daar van de verbondsoffers. Mozes trok toen verder naar de top van de berg om de stenen platen ontvangen. Hij verbleef uiteindelijk veertig dagen en nachten bij God op de berg.

In de volgende parasjah zullen we lezen over Gods heiligdom in de hemel die Mozes getoond werd.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Hammisjpatiem: de verordeningen"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*