Parasjah Re‘eh – Merk op

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Dt 11-16:17) gaat over het centrale thema (de aanzegging tot Gods zegen (berachah) of tot Gods vloek (qellalah)) in de laatste toespraak van Mozes die in Deuteronomium 1 was begonnen. Mozes gaf opdracht om deze twee beoordelingen van hun levenswandel op twee bergen in het hart van het beloofde Land af te kondigen. Vervolgens gaf hij aan hoe de godsdienst van Gods Verbond de godsdienst van de heidense inwoners van het Land volledig moest vervangen. Dit zou zegen geven voor Isra‘El, maar ook ter lering zijn van de heidenen.

Mozes maakte Isra‘El opmerkzaam (ra‘ah) dat God het gevolg van hun handelswijzen zou beoordelen. (Hij maakte hen bewust dat God aan hun handelswijze Zijn waardeoordeel zou geven.) Zegen over het gehoorzamen van Zijn bevelen (11:27). (Feitelijk een extra beloning, want het gehoorzamen heeft in zichzelf gunstige gevolgen (zie vorige sidra‘ ‘Eqév).) Vloek over het niet gehoor geven aan Zijn bepalingen, afdwalen (soer) van de Weg die Mozes hen bevolen had en andere goden (‘élohiem) achterna gaan. (Feitelijk Gods straf bovenop de ongunstige gevolgen (‘eqév) die ongehoorzaamheid uiteindelijk zou geven.) Isra‘El moest deze aanzegging tot Gods zegen in het beloofde Land uitspreken op de berg Geriziem (garaz – afsnijden) en tot de vloek op de berg ‘Ejval (niet-voorkomende stam dat misschien ‘Wat (is van) God?’ betekent). Deze bergen lagen vlakbij Sichem (Sjekém). In het hart van het beloofde Land dus, op de plaats waar Avraham zijn eerste offer in dat Land aan God had gebracht (Gn 12:6-7).

Centrale plaats van Gods heiligdom

Zoals eerder in zijn laatste toespraak gaf Mozes vervolgens weer een aanscherpende herhaling van voorschriften en verordeningen die hij hen eerder had geleerd: Isra‘El moest alle plaatsen waar de heidense inwoners van het Land hun godsdienst hielden en hun objecten van afgoderij verwoesten. Maar dat zouden ze niet moeten doen met de godsdienst van hun God en diens objecten. Isra‘El zou een vaste centrale plaats voor het uitoefenen van hun godsdienst krijgen. De plaats die God in het Land zou verkiezen. (Aanvankelijk (tijdens de geleidelijke verovering van het beloofde Land) niet Jeruzalem!) Daar zouden ze hun godsdienst houden en die zou anders worden dan die sinds de Uittocht (12:8). (Opnieuw een verbetering (taqanah) en verdieping van Torah, zoals dat altijd zal doorgaan.) Isra‘El was namelijk tot dan toe nog niet tot diens rust (menoechah) en diens bezit (nachalah) gekomen (vs 9). (Deze rust is wat anders dan Sjabbat. Het woord menoechah heeft niet alleen een andere werkwoord stam dan het woord sjabbat, maar de bepaling van het houden van Sjabbatot bleef (logischerwijs) ook na de inname van het beloofde Land gelden (Hebr 4:8). ‘Rust’ is immers ook maar een element van Sjabbat, dat staat voor het stoppen met bezigheden voor eigen gewin waardoor volkomen gerichtheid op God mogelijk wordt.) Isra‘El zou vrolijk (simchah) moeten zijn als ze bij God op die centrale plaats van de godsdienst hun eredienst voor Zijn Aangezicht zouden doen. Dit gold niet alleen voor henzelf, maar zelfs ook voor hun slaven, slavinnen en de Lewiejim (vs 12).

Isra‘El mocht niet zomaar overal hun godsdienst houden, zoals de heidenen deden, maar alleen op de centrale plaats die God zou verkiezen. Daar zou Isra‘El hun vlees eten nadat het gewijd geslacht was. Zelfs de onreine mocht daar vlees van rein wild (bijvoorbeeld een hert) eten, terwijl daar ook de reine diens (offer)vlees at (vs 15; 15:22). (Sommigen (Rasji – Rabbi Sjlomo ben Jitschaq) vatten dit op als een versoepeling van de eetvoorschriften, maar dat is een vergissing. Juist in het beloofde Land moet de Torah strikt en volledig nageleefd worden.) Bepaalde godsdienstige gebruiken zouden dan alleen nog in het centrale heiligdom worden voltrokken. Pas tegen de tijd dat Isra‘El heel het beloofde Land in bezit genomen had (en alle heidense inwoners verdreven zouden zijn), mochten de Isra‘Eliem ook in de eigen woonplaatsen dieren gewijd slachten en opeten. (Maar er geen offers aan God brengen!) Het algemene verbod op het eten van bloed (en vlees met diens bloed: rauw vlees) blijft altijd en overal van toepassing voor Gods volk (15:23; Gn 9:4). (Ook buiten het beloofde Land.) Elk dier dat als offerdier bedoeld was mocht alleen in het centrale heiligdom worden geslacht. Isra‘El moest er scherp op letten niets van de godsdienst van de heidense inwoners van het Land over te nemen, want God gruwt daarvan (vs 31).

Wijze van optreden tegen afvalligen

Een Isra‘Eliet die profeet (navie‘) of dromen dromer (cholem chalom) was en die in Isra‘El een teken (‘ot) of een wonderteken (mofet) zou doen, maar vervolgens zou oproepen om vreemde goden na te volgen, die persoon moest gedood worden. Want die riep op tot afval van God. Hetzelfde gold voor intimi, zoals een broer, een zoon of dochter of de vrouw die aan het hart lag. De eerste die de doodstraf zou moeten voltrekken op die intieme naaste was diegene die ze hadden geprobeerd tot afval aan te zetten. De doodstraf was steniging (13:10-11).

Werd een hele woonplaats tot afgoderij aangezet, dan diende dat onderzocht te worden (vs 14). Als geloofsafval werd vastgesteld, dan moest de hele plaats met de ban geslagen worden (cherem). Alles wat erin was moest verwoest worden. Vooral de dieren, want die konden voor afgoderij gewijd zijn. De stad moest in brand gestoken worden en mocht nooit meer opgebouwd worden. Niets uit die plaats mocht achtergehouden worden.

Expliciet verboden heidense gebruiken

Mozes herhaalde dat ze niet moesten doen wat ze de inwoners van het Land zagen doen, maar dat ze dat als gruwelijk moesten verwerpen. Zij waren immers aan God gewijd en Zijn Eigendom (14:2). Expliciet verboden waren hun afgodische rouwgebruiken, het eten van onreine dieren en dode resten (kadavers) van dieren. Ook niet als die laatste van reine dieren waren.

Hoe Isra‘El zich zou onderscheiden

Gods volk moet zich onderscheidden van de buitenstaanders (Lv 20:26). Dat zou concreet worden in allerlei zaken, zoals:
1. Alleen dieren (willen) eten die God geschikt vindt.
2. Barmhartig zijn in het slachten van dieren en in de bereiding voor consumptie ervan, zoals het niet koken van een jong dier in de melk van diens moeder. (Door deze Torah toe te passen blijft Gods volk zich gunstig onderscheiden onder de schepselen/in de Schepping.)
3. De heffing heffen van de opbrengst, dat naar het centrale heiligdom brengen en eraan deelhebben voor Gods aangezicht en vrolijk zijn.
4. Aparte heffingen voor de hulpbehoeftigen in bijvoorbeeld het derde jaar.
5. Elke woonplaats zou minstens één Lewiet (kohen – Isra‘Elitisch priester) hebben.
6. Aan het einde van het Sjabbatsjaar (zevende jaar) zou er vrijlating zijn (sjemittah van sjamat – vrijlaten). Dan zouden schulden worden vereffend en er geen armoede onder de Isra‘Eliem ontstaan (15:4). Deze vrijlating zou niet gelden voor de vreemdeling, want die mocht niet de Isra‘Eliem gaan overheersen. Isra‘El was Gods Eigendom (vs 6) om over de natiën te heersen.
7. Ontferming over de armen en hen niet verdrukken. Daarom zou een Isra‘liet een Hebreeuwse slaaf in het Sjabbatsjaar vrijlaten en voorzien van een basis om te overleven (vs 14). Isra‘El was immers zelf slaaf geweest in Mitsrajim (Egypte). Slaven die echter bij hun heer wilde blijven werden permanent slaaf gemaakt.
8. Al het eerstgeborene in Isra‘El (van mens en dier) is aan God gewijd. Die dieren mochten niet gebruikt worden voor eigen gewin, maar aan God gewijd gegeten worden (Rasji: alleen door de kohaniem (Nm 18:18)!) in het centrale heiligdom. Echter, eerstgeboren dieren met een gebrek mochten niet geofferd worden (Lv 22:20).
9. Houden van Gods feesten in het centrale heiligdom (16:16):
9.1 Het Pésachfeest in het vroege voorjaar ter herdenking van de Uittocht. Op de eerste avond ervan eten zij het Pésachoffer. Vanaf het begin van Pésach mag niets meer gedesemd (chamets) gegeten (of onder Isra‘El gevonden) worden. Zeven dagen lang wordt alleen matsot gegeten. Dat herdenkt de ellende (’onie) en de haast van hun vertrek uit Mitsrajim. De eerste en de laatste dag is een Jom Sjabbaton.
9.2 Het Sjavoe’otfeest zeven weken na Pésach (de vijftigste dag). Dan wordt opnieuw de Uittocht herdacht en de Pésachperiode afgesloten (16:12).
9.3 Het Soekotfeest wordt zeven dagen gevierd. (Mozes noemt geen moment waarop dit feest wordt gevierd. Blijkbaar werd de toespraak in het late najaar gehouden (vlak voor de aanvang van Pésach) en was het daarom niet nodig het moment van vieren van het Soekotfeest te noemen.)

In de volgende parasjah worden allerlei andere bepalingen genoemd voor het wonen van Isra‘El in het beloofde Land.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Re‘eh – Merk op"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*