Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
Na de bespreking van deze brief wordt het gewogen op een aantal belangrijke punten.
1. Auteur
Traditioneel wordt aangenomen dat Sjim’on bar Jonah (Mat 16:17) de schrijver is. De Here Jezus gaf hem later de ‘Aramese bijnaam Kefa‘ – Kiezelsteen (Grieks: Petros – Rotssteen; Joh 1:43). De hoge kwaliteit van Grieks, waarin deze brief is opgesteld, kan echter niet van hem komen. Het bevestigt dat iemand anders (Silvanus; 1 Petr 5:12) de brief namens hem heeft opgesteld.
De brief toont duidelijk gedachten van iemand uit het volk Isra‘El en niet van een buitenstaander. Het feit dat dit doorklinkt in een Grieks geschrift wijst erop dat ook Silvanus Isra‘Eliet was. Hij wist dus wat de oorspronkelijke bedenker bedoelde en kon dit in het Grieks vatten[1].
In de tekst wordt Isra‘Elitische denken voorgesteld als iets dat zijn doelgroep (punt 2.) zich eigen zou moeten maken. De geloofsleer van de Here Jezus was immers ook Isra‘Elitisch van karakter. Dit wordt nader uitgewerkt bij punt 5.
Opvallend zijn de sterke overeenkomsten tussen de toespraak van Sjim’on beschreven in Handelingen 4:8-12 en deze brief. Het op de Here Jezus gericht zijn als de door God gegeven Enige Persoon ter redding. Dat lijkt te bevestigen dat hij inderdaad de auteur was.
2. Doelgroep
De schrijver van deze brief richt zich tot talmoediem (leerlingen van de Here Jezus) die leven in bepaalde regio’s van Anatolië (het hedendaagse Turkije), wat toentertijd onderdeel uitmaakte van het Oost-Romeinse rijk. Het zijn geloofsgemeenschappen en gelovigen in het zendingsterrein van de apostel Paulos. Het laat zien dat Sjim’on zich dus direct betrokken voelde bij dat zendingswerk van zijn collega apostel.
Uit de zendingsreizen van Paulos, die deels beschreven zijn in zijn eigen brieven en later meer chronologisch in het boek Handelingen, blijkt dat Paulos eigenlijk hoofdzakelijk talmoediem wist te verwekken onder niet-Joden. Zijn volksgenoten, de Joden, verwierpen de leer van het Nieuwe Verbond vrijwel allemaal, maar ze vervolgde hem om zijn zendingswerk onder niet-Joden.
Sjim’on heeft deze brief dus nooit alleen tot Joodse talmoediem gericht. Die waren er amper. Maar ook de inhoud sluit het uit, want die spreekt geloofsgemeenschappen in het algemeen aan zonder Joden en niet-Joden daarbij apart aan te spreken. Toch zijn er nogal wat die denken dat de openingswoorden “vreemdelingen die in de verstrooiing zijn” moet verwijzen naar Joodse christenen[2].
3. Aanleiding
In de brief gaat Sjim’on in op de moeilijkheden van talmoediem. Blijkbaar heeft Sjim’on gehoord over de ernstige problemen onder de talmoediem in Anatolië. Maar die hadden er deels te maken dat ze disfunctioneerden en meegingen met ‘de wereld’. Hij spoort hen aan om juist hun keuze te bevestigen om een aan God gewijd leven te leiden (heiliging). De brief is dus bedoeld als aansporing (zachte vermaning).
4. Datering
Op het moment van het schrijven van deze brief stelt Petros dat hij het ambt van presbuteros bekleedt in een lokale geloofsgemeenschap. Hij stelde dus zijn bediening als apostel daaraan tijdelijk ondergeschikt. Een apostel is immers niet aan een lokale geloofsgemeenschap gebonden, maar staat hiërarchisch erboven.
Traditioneel wordt aangenomen dat de plaats “Babylon” (1 Petr 5:13), waar de geloofsgemeenschap was gevestigd van waaruit hij zijn brief schreef, een codenaam is voor de stad Rome. Het toenmalige centrum van het Romeinse rijk. Maar daartegen zijn nogal wat tegenargumenten op te voeren.
Zo is niet bekend dat Petros ooit een presbuteros was van de geloofsgemeenschap in Rome[3]. Ook werd de codenaam ‘Babylon’ voor Rome eigenlijk pas in gebruik genomen aan het einde van de eerste eeuw. Vandaar dat het als codenaam alleen voorkomt in het Bijbelboek Openbaring. Er is ook nog het feit dat een groot deel van de Joden in Babylonië woonden[4] en niet in Judea. Het is dus goed denkbaar dat Sjim’on als zendeling juist daarheen enige tijd was gegaan en er als oudste was aangesteld in de geloofsgemeenschap[5].
Deze brief kan pas geschreven zijn nadat Paulos de basis van zijn zendingswerk in Anatolië had afgerond (vanaf 48 CE), want de gelovigen in die regio’s zijn de doelgroep van deze brief. Ook zal deze brief geschreven zijn voor de executie van Sjim’on in Rome (circa 64 CE). In dat geval kan de brief gedateerd worden in een tijdspanne van zo’n 15 jaar. Maar het is aannemelijk dat Sjim’on eerder vroeger dan later naar Babel is gegaan. Dan kan een datering van 50 CE of er kort na mogelijk zijn[6].
5. Inhoud/thema’s
De boodschap van deze brief heeft een aantal karakteristieken:
• Het is een herderlijk schrijven aan heidenchristenen (van alle tijden; 1 Petr 5:12). Een duidelijke structuur ontbreekt daardoor.
• Er worden onderwerpen aangehaald die ook door Paulos worden aangehaald. Dit loopt ook parallel aan het feit dat het zich richt op lezers in de regio’s waar Paulos zendingswerk deed (Anatolië). Petros bevestigt dus dat zendingswerk. Dat is een relevant gegeven, want zijn zendingswerk was aanvankelijk nogal omstreden en er was ook heftige rivaliteit geweest tussen Paulos en Petros (Gal 2:9). Dit was bijgelegd op een vergadering van de leiders in Jeroesjalajim (Hnd 21:21, 28).
• Ondanks de verbanden met de geloofsleer van Paulos kenmerkt deze brief zich met een andere insteek op diverse punten. Zo wordt de rechtvaardiging door geloofsvertrouwen niet genoemd, maar ligt juist de nadruk op wedergeboorte, nieuwe levenswandel (ethiek), volharding en verlossing uit deze wereld & van de levenswil (ziel). Het gaat Sjim’on niet zozeer om liefde (de hoogste plaats bij Paulos (1 Kor 13:13)), maar hoop. De brief is dus meer Isra‘Elitisch en ook Joods[7], terwijl de geschriften van Paulos juist meer gericht zijn op de Grieks/Romeinse wereld.
• Eindtijd gericht (eschatologisch).
• Ethisch gericht (geloven staat niet tegenover doen, maar de twee horen samen te gaan).
De belangrijkste inhoudelijke rode draden:
• Dat het in de dienst aan God gaat om Torahnavolging en wel om ijveraars daarvoor te zijn[8]. Deze dienst is alleen aan God, de Vader. De Here Jezus volvoert deze ook.
• Dat het geloofsleven van de huidige talmoediem diens basis heeft in het werk van de Here Jezus eertijds op aarde en ook vandaag de dag door Zijn dienst aan God, de Vader, in de hemel.
• Dat het doel van de werken van de Here Jezus op aarde was om hoop te bieden voor de dienaren van God en om de erfenis die God voor hen heeft klaargezet te ontvangen.
• Dat gelovigen de vleselijke begeerten moeten loslaten en blijk moeten van hun ernst in hun belofte om aan God gewijd te leven.
• Aan de wijding aan God werken betekent onherroepelijk zich losweken van de wereld, wat strijd met zich meebrengt. Talmoediem moeten zich zien als niet-van-deze-wereldorde, maar van een andere wereldorde.
• Joodse karakteristieken, zoals uitwisselbaarheid van namen en concepten (De Here Jezus noemde Sjim’on Kefa (kiezelsteen) en hij noemde Hem op zijn beurt ook zo (1 Petrus 2:7) en dat Gods werkelijkheid vaak tegenovergesteld is aan hoe de mensen (heidenen) dat zien. Wie dus van Gods werkelijkheid uitgaan, komt tegenover de wereld te staan)[9].
• Dat talmoediem de menselijke instellingen moeten gehoorzamen, net zoals de Here Jezus dat op aarde deed.
• Dat talmoediem navolgen hoe de Here Jezus God eerde en diende op aarde.
• Sjim’on geeft instructies voor specifieke groepen in de geloofsgemeenschap: vrouwen, getrouwde mannen, de oudsten[10] en de jongeren. Maar ook instructies voor alle talmoediem.
• Een nadere uitwerking van wat er na de dood gebeurt en hoe de dood, opwekking en terugkeer van de Here Jezus naar Zijn thuis verliep. Dat Hij tijdens zijn fysieke dood de verzoening met God verkondigde aan rechtvaardigen in de Sje’oel (dodenrijk).
• Dat lijden te maken heeft met zondigen, maar dat lijden van Godswege op zichzelf niet slecht is. Zondigen wordt in verband gebracht met heidendom. Dat heidendom heeft een afkeer van de gelovigen en zal hen (gaan) vervolgen.
• Dat vanuit het gegeven van het aanstaande einde der tijden het van belang is naastenliefde te beoefenen[11].
• Dat de satan een brute oorlog voert tegen God met als inzet aanvallen op Zijn volk.
Evaluatie
Het is logisch dat deze belangrijke brief onderdeel uitmaakt van de verzameling geschriften van het Nieuwe Verbond. Maar de brief is helaas slecht begrepen en dus dito vertaald door de traditionele christenheid en ook nog in een petrinistisch kader[12] komen te staan[13].
Het is vooral een praktische brief voor talmoediem en hun lokale geloofsgemeenschappen en niet zozeer een hoogstaand of belanghebbend Theologisch geschrift. Dat past ook bij Sjim’on die toch vooral een eenvoudig mens was en niet de plaatsvervanger/opvolger van de Here Jezus[14], zoals hij traditioneel wordt gezien. Deze brief, van een van de intimi van de Here Jezus, bevestigt het onverminderd Isra’Elitische karakter van Gods leer.
Dat karakter is niet alleen een uitdaging voor niet-Joden, maar ook voor aanhangers van het Jodendom. Niet-Joden hebben niet de natuurlijke opvoeding vanuit een Isra’Elitisch kader en moeten dus een grote inhaalslag maken[15]. Joden moeten daarentegen de verkregen verlossing van de zondemacht en de verzoening van God leren te integreren in hun voorvaderlijke bagage.
+++
[1] Theologen vragen zich af in hoeverre Silvanus als opsteller van deze brief ook zijn eigen stempel op de brief heeft gezet of alleen één-op-één de woorden van Petros heeft doorgegeven. Ze zien namelijk veel van de leer van Paulos in deze brief terug, wetende dat Silvanus de hechte reisgenoot van Paulos was.
[2] Een poging om de brief voor de meerderheid van niet-Joodse talmoediem secundair te verklaren.
[3] Al beweert de Rooms-katholieke kerk dat hij dat wel was.
[4] Misschien wel de meeste Joden op dat moment.
[5] In de traditioneel christelijke interpretatie wordt deze optie echter verworpen.
[6] De traditionele commentatoren dateren deze brief tegenwoordig eerder in de tweede eeuw geschreven door een onbekend auteur. Met andere woorden dat dit Bijbelboek dus pseudograaf zou zijn. Een ondermijning van de autoriteit van de Bijbel.
[7] De twee – Isra‘Elitisch en Joods – worden meestal als een en hetzelfde gezien, maar het eerste gaat over godsdienst (geestelijke zaken) en het andere over volksverband (fysieke afstamming). Om het nog moeilijker te maken: Isra‘Elitisch staat in nauw verband met wat in de Bijbel Jodendom wordt genoemd; de edele olijf (Rom 11:24).
[8] Opmerkelijk genoeg vat de christenheid de Torah op als afgeschaft. Uiteindelijk ook voor Joodse christenen. Torahnavolging zou het volbrachte werk van de Here Jezus ontkennen. Door dit extreme anti-Bijbelse standpunt is blindheid ontstaan voor waar het in de Bijbel en dus ook in deze brief werkelijk om gaat.
[9] Joodse talmoediem kennen het spanningsveld tussen hun volksverband en de galoet (verstrooiing onder de natiën), maar verrassend genoeg blijkt dat in de geschriften van de Beriet Chadasjah (NT) evengoed ook voor niet-Joodse talmoediem te gelden. Namelijk het volksverband van Gods volk. Opmerkelijk is dat de christenheid dat spanningsveld kwijtraakt en zich helemaal op zijn plaats weet onder de natiën! Dit volksverband zou alleen van toepassing zijn op het Joodse volk.
[10] Blijkbaar waren de geloofsgemeenschappen in Anatolië toentertijd presbyteriaans ingericht.
[11] Om zo Gods eindoordeel te verzachten.
[12] Dat Petros de plaatsvervanger/opvolger van de Here Jezus zou zijn en dus het hoofd van alle talmoediem op aarde.
[13] De traditionele uitleg van deze brief is dat het gaat over het kerk-zijn zou gaan, maar dat is geforceerd bestempelen van iets dat daar niets mee te maken heeft. De kerk is immers een latere uitvinding van de christenheid. Het onderwerp ‘kerk’ komt natuurlijk niet voor in de Bijbel. Het suggereert immers dat er iets anders nodig zou zijn naast het volk dat God Zich toe-Eigent.
[14] Logischerwijs heeft de hemelse Zoon van God geen opvolger/plaatsvervanger op aarde.
[15] Paulos kwam dat tegemoet door hen tijdelijk dispensatie toe te staan, wat later ook door de leiders van de talmoediem in Jeroesjalajim is bevestigd (Hand 15:19). Helaas is die dispensatie in de christenheid opgevat als een blijvend gegeven met ernstige gevolgen (Hebr 10:28).
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – 1 Petrus – Evaluatie Petrus


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – 1 Petrus – Evaluatie Petrus"