Haftarah – ‘Acharej mot – Nadat dood waren

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Haftarah ‘Acharej mot gaat over de parallel tussen wat God als gruwelen beoordeelde in de dagen van Mozes en hoe Isra‘El deze toch deden in de dagen van Ezechiël.

Israëls ondergang aangekondigd
De profeet Jechézqe‘El (Ezechiël) krijgt van God de opdracht om aan Jeruzalem, de Tempelstad, haar gruwelen bekent te maken (Ezech 22:2). Het ging om allerlei vormen van moord & doodslag en afgoderij. Door de schuld en verontreiniging hiervan heeft God een einde gesteld aan die stad en daarmee aan het bestaansrecht van Isra‘El. Immers zonder Tempel heeft die natie geen betekenis meer. God heeft hen overgegeven aan de heidenen, zodat zij hen kunnen verachten en landen Isra‘El zullen bespotten.

Isra‘Els immoraliteit, geweld en verachting van Gods principes was in de dagen van Jechézqe‘El overal. Bij verhevenen tot aan de mensen van de straat. Ook de kinderen verachtte hun ouders en elk gezag. God vroeg zich af waar hun moed en gerustheid zal zijn als God Zich tegen hen keert. Hij zou Isra‘El verstrooien onder de natiën en laten verstuiven over de landen. Al hun onreinheid zal dan van hen weggedaan worden en ze zouden vernederd worden onder de natiën. Dan zouden er zijn die God daarin zouden erkennen. Maar op het moment van Jechézqe‘Els profetie had Isra‘El diens edelheid verloren en daarom had God besloten tot een beleg tegen Jeruzalem. Het zou tot een smeltoven worden.

Parallellen
Sidra‘ ‘Acharej mot (Lv 16:1-18:30) gaat over het naderen van de kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester) in het heilige der heilige: de bepalingen van Jom Kippoer (De (Grote) Verzoendag). Daarna volgen de bepalingen over het slachten of doden van rein gedierte. Het sluit af met de bepalingen voor seksuele relaties.

De haftarah (Ezech 22:1-19) heeft een parallel met Gods oproep aan Zijn volk om niet hetzelfde te doen wat de ongelovigen denken en doen, want zij doen allerlei zaken die God als gruwel veroordeelt. In de dagen van Jechézqe‘El was de Tempelstad Jeruzalem niet meer te onderscheiden van de steden van de goddelozen. Daarmee zondigde of misdeed Isra‘El niet alleen. Maar, omdat ze vrijwillig en collectief waren toegetreden tot Gods Verbond, overtraden ze de voorwaarden ervan en laadde ze schuld (opzettelijke zonde) op zich. God beschouwde ze dus niet alleen als ongelovigen, maar zette de ongelovigen ook tegen hen op. Hij leverde hen aan die uit. Hij ontnam Isra‘El de kans om te ontsnappen of zich te verdedigen. Ook al zouden ze het proberen.

Als het geestelijke volk zich van hun God afkeert, wordt hun geestelijke staat opgeheven en verliest het zijn bestaansrecht. Daarvoor had God hen willen besparen door hun de bepalingen uit de sidra‘ te geven bij de berg Gods, Chorev (Horeb). Gods drijfveer was liefde, maar Isra‘El eindigde in het onderhouden van andere liefdes. Denken en doen waarvoor God waarschuwde dat Hij die gruwelijk vond betekende dus feitelijk God verwerpen en bespotten.

Veel christenen wanen zich in een onvoorwaardelijke liefdesrelatie met God, maar onderschatten de zuigkracht van de goddeloze wereld en hun zondigheid. Zij beschouwen de geboden van deze sidra‘ als achterhaald en sommigen zien ze als vervallen. Er zijn er die zelfs stellen dat het volbrachte werk van de Here Jezus en eventueel ook het Geest vervuld-zijn voldoende garantie is tegen wat Isra‘El overkwam. Maar waarom kampt de christenheid dan met zulke ernstige problemen?

Zou het kunnen zijn dat God niet van mening veranderd is over wat Hij gruwelijk vindt? Dat dit boven Zijn geboden uitgaat, maar een algemene veroordeling is. Hoe zou Hij dan christenen, hoe vroom ook, beoordelen die het heel goed met de ongelovigen kunnen vinden en zich zelfs met hen verzwageren?

Torahgedeelten

De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah:

16:16 Door het onderhouden van de Jom Kippoer bepalingen verzoende de kohen gadol aan het heiligdom de onreinheden, overtredingen en zonden van de Isra‘Eliem, zodat het heiligdom en al diens onderdelen kon voortbestaan (vss 20, 33).
• 16:24 Onderhouden van de Jom Kippoer bepalingen gaf verzoening aan de kohen gadol en aan Isra‘El (vs 33).
• 16:29-31 Het houden van Jom Kippoer is een altoosdurend voorschrift. Het is een dag van zelfverdrukking en een Sjabbat Sjabbaton (speciale Sjabbatsdag).
• *17:3-4 Iedereen die een dier slacht, zonder ervan een offergave aan God te schenken in het heiligdom, die heeft illegaal (verachtende Gods bepalingen) bloed vergoten, waardoor die wordt afgesneden uit Gods volk (vs 7; Gn 9:5).
• 17:7 Geen slachtoffers mogen gebracht worden aan afgoden (1 Kor 10:20)!
17:8-9 Geen brandoffers of slachtoffers mogen worden gebracht anders dan in het centrale heiligdom van God.
• 17:10 God keert Zich tegen diegene die bloed nuttigt. Wie dat doet wordt afgesneden uit Gods volk (vs 12, 14; Gn 9:4).
17:11 God had de dieroffers juist ingesteld, omdat het bloed ervan ter verzoening zou zijn voor Isra‘El. Illegaal nuttigen van bloed verkracht deze verzoeningsinstelling van God.
• *17:13 Als iemand zal jagen (jatsoed) op wild (inclusief gevogelte) voor voedsel, dan moet het bloed ervan bedekt worden met stof (en een dankgebed uitgesproken worden).
• 17:15 Wie zal eten van een dood (rein) dier of een verscheurd (rein) dier (zonder dat bekend is wat gebeurd is met het bloed) zal onrein zijn en zich volgens de Bijbelse bepalingen moeten reinigen (Ex 22:30). Wie dat niet doet zal zijn misdaad dragen!
• 18:3 Gelovigen zullen de ongelovigen niet navolgen in hun denken en doen, want die zijn God een gruwel en Hij zal de gelovigen die dat doen uitwerpen uit Zijn volk (vss 24-30). Bijvoorbeeld: actief opzoeken van het geslachtsdeel van een verwante (vs *6), seks met een menstruerende vrouw (vs *19), begeren van getrouwde vrouwen (vs 20; Ex 20:14; Mt 5:24; Hb 13:4), wijden van hun nageslacht aan afgoden (vs *21; Ex 20:5, 7), hebben van homofile (incl. lesbische) relaties (vs *22; Ex 20:14; Rm 1:26-27; 1 Tim 1:10; Jds 1:7) en van seksueel contact met dieren (vs *23; Ex 20:14; 22:18).

De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen 28 mitswot.

Volgende week: Qedosjiem over parallellen met andere weerspannigheden van Isra‘El.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Haftarah – ‘Acharej mot – Nadat dood waren"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*