Wie is het opgevallen dat bij een hoge ambtsdrager in de christenheid vlak voor het bedienen van de eucharistie diens keppeltje wordt afgenomen? Dit staat in verband met de mitswah uit 1 Corinthiërs 11:4. Maar wordt dit bevel uit de Torah wel goed begrepen? Dit is weer een artikel in de serie over de praktijk van Bijbelse Godsdienst in het Nieuwe Verbond.
Paulus gaf in het genoemde vers Gods bevel door dat mannelijke talmiediem (leerlingen van de Here Jezus) geen hoofdbekleding mogen hebben wanneer ze bidden of geloofsonderricht geven[1].
Waarom dit bevel?
Geleerden komen met een aantal belangrijke redenen, zoals:
1. Onderscheiden en verwerpen van heidendom
2. Onderscheiden van Jodendom
3. Gods nieuwe orde van het B”Ch invoeren
Ad.1 Onderscheiden en verwerpen van heidendom
In het vorige artikel werd vastgesteld dat dit nauwelijks van toepassing op de christenheid, want dat koos er al heel vroeg voor om juist veel van het heidendom over te nemen. Ook noemt Paulus geen expliciete verwijzingen naar heidense gebruiken, terwijl zulke verwijzingen zijn juist karakteristiek voor hem.
Ad.2 Onderscheiden van Jodendom
Het is overduidelijk dat het B”Ch gebaseerd is op een aantal fundamenteel andere zaken, zoals de verlossing van de zondemacht, dan die vanuit het Tenach-Jodendom waren overgegeven. Het is dus logisch dat de Torah van dit vernieuwde verbond nogal aanpassingen en verbeteringen kent ten opzichte van de Mozaïsche Torah.
Vooral Joodse talmiediem moesten deze bijgebracht worden. Ook omdat dit Jodendom op nogal wat punten steeds meer was gaan afwijken van Bijbelse godsdienst. Volgens sommigen is het bevel van Paulus daartoe bedoeld.
Maar op dit specifieke punt van hoofdbedekking viel niets te onderscheiden van het toenmalige Jodendom, zoals overigens ook op heel wat andere punten. Oorspronkelijk bestond dat gebruik. Dus ook deze optie valt af.
Ad.3 Gods orde van het B”Ch invoeren
Het moet duidelijk zijn dat het nieuwe gezagsordebesluit die Paulus in vers 3 bekendmaakt gevolgen heeft en ook zichtbaar moet zijn in het dagelijkse leven van de gelovigen. Maar waarom dit verbod op hoofdbekleding van mannen? Om de volgende zaken:
• De Middelaarsfunctie van de Here Jezus
Voor het ingaan van het B”Ch heeft God de Here Jezus aangesteld als kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester), wat niets anders betekent dat in geestelijke zin de talmiediem kohaniem zijn[2]. Net zoals de Tempelkohaniem onbelemmerd contact konden hebben met de kohen gadol gaat dat ook op voor de talmiediem.
• De vervulling met de Heilige Geest
Een talmied zou steeds vervuld van Gods Geest moeten zijn. In die staat is het dus een belediging voor God om een hoofdbedekking te dragen juist op de moment als de talmied zich op God richt of namens God over Hem spreekt. Hoofdbedekking zou immers suggereren dat iets van buiten komt rusten op de talmied, terwijl dat nu juist zo was in het Mozaïsche verbond (Ex 34:33; Nm 16:42).
Een Geestvervulde talmied heeft Gods Geest in zich en laat dit juist zien tijdens zijn bidden of spreken over God. Zo gesteld is het zelfs lasterlijk om hoofdbedekking op zulke moment te dragen.
• Geen valse vroomheid toestaan
Een van de punten die regelmatig naar voren komt in de Bijbel is dat God walgt van doorgeschoten menselijke vormen van vroomheid. Het is niet alleen onzinnig, maar getuigt ook van ijdelheid en hoogmoed. Het gebruiken van allerlei speciale kleding en dus ook hoofdbekleding tijdens het bidden of onderricht geven over God is typisch doorgeschoten vroomheid.
Kortom, het bevel van Paulus komt dus hoofdzakelijk voort uit wat hij openbaarde in 1 Corinthiërs 11:3 wat een gevolg is van het B”Ch. Optie 3 is dus van toepassing.
Misverstanden
Over het bevel van vers 4 bestaan nogal wat verwarring en misverstanden, zoals over:
1. Dragen van een kippah (keppeltje)
De Joods-godsdienstige autoriteiten hebben zich van aanvang aan verzet tegen het B”Ch. Dit verzet uit zich ook in het zich subtiel onderscheiden van wat in het B”Ch regel is. Zo ook tegen het verbod om hoofdbekleding te dragen.
Aan de andere kant is het Tenach-Jodendom, maar zeker rabbinaal Jodendom (Judaïsme), Godsdienst onder een ‘bedekking’ (2 Cor 3:13-14). Zoals hiervoor al genoemd is verlossing van de zondemacht ondenkbaar in het Mozaïsche verbond, dat immers de zondemacht als een onoverkomelijk gegeven ziet.
Waarschijnlijk is de kippah in de derde eeuw geleidelijk een algemeen rabbinaal gebruik onder vrome geleerden geworden, ondanks dat het geen Bijbelse basis heeft[3]. Pas in Middeleeuwen zou het een verplicht gebruik worden voor alle Joodse gelovige mannen. Orthodoxe mannen houden sindsdien de kippah altijd op (ook bij het slapen).
In de tijd van Paulus bestond de kippah nog niet[4], dus kan hij zich niet tegen dit Joodse gebruik hebben afgezet.
Is het verbod op dragen van een hoofdbedekking op de kippah van toepassing? Ja en nee. Strikt genomen is de kippah hoofdbekleding en zou daarom verboden zijn. Alleen is de kippah meestal niet erg groot[5] en kan er getwist worden of het wel hoofdbekleding is. Maar omdat het juist expliciet bedoelt zou zijn erop te wijzen dat het hoofd van de drager ‘onder God’ staat, valt het onder het bevel van Paulus en is het verboden.
De meeste Joodse talmiediem, zeker in de Staat Israël, dragen een kippah. Waarom is dat voor hen geen schending van het bevel van Paulus? Omdat zij het woord ‘hoofd’ opvatten als een geestelijke autoriteit en dus dito onderdanigheid. Dat zou niets te maken hebben met de fysieke kippah[6]. Ook zien ze de kippah anders dan die van de traditionele Joden, want Joodse talmiediem stellen namelijk dat voor hen de kippah de bedekking van het bloed van de Here Jezus uitdrukt[7].
Nadeel van het dragen van de kippah door Joodse talmiediem is, dat dit een cultureel (niet-Godsdienstige) gebruik van het Judaïsme bevestigd, terwijl Judaïsme afwijkt van Bijbelse Godsdienst. Ook schept een kippah onderscheid tussen Joodse en niet-Joodse talmiediem. Dat, terwijl de verplichte gerichtheid op eenheid in de geloofsgemeenschap zwaarder weegt dat een cultureel gebruik[8].
De enige, enigszins aanvaardbare reden voor het dragen van een kippah door Joodse talmiediem is als ze dat niet om Godsdienstige redenen doen, maar om ermee aan te sluiten bij wat gangbaar is onder Joodse gelovigen. Dan is het een teken van verbondenheid met de Joodse identiteit. Toch heeft het, zoals hierboven aangegeven, veel nadelen.
2. Dragen van een talliet (gebedskleed)
Het talliet is voortgekomen uit het Mozaïsche bevel om tsietsiet (speciale draden) te dragen aan de vier uiteinden van het opperkleed van gelovige mannen. Alleen hierbij is wel weer het punt van belang om uit te kijken voor valse vroomheid. De Here Jezus wees er ook op om er niet mee te pronken (Mat 23:5). Vroomheid is een zaak is tussen God en de talmied (Rom 2:29). Voortgekomen moet namelijk gelezen worden als. Het dragen van een talliet is een zelfverzonnen gebruik. Het wordt namelijk niet genoemd of opgedragen in de Bijbel.
Ook lijkt het er soms op dat de lange, opzichtig gedragen tsietsiet onderdeel zijn geworden van een groepsteken van vroom Joods-zijn. en dat kan dan weer aanleiding zijn voor overtreding van de andere bepaling die hiervoor is genoemd; het handhaving en opbouwen van de onderlinge eenheid onder de talmiediem.
Door de mode in de vroege middeleeuwen kwam het gebedskleed (talliet gadol) in gebruik dat als een mantel/kleed omgeslagen werd. Het was vooral bedoeld om over het hoofd te trekken om zo een ‘eigen tent’ te maken en zich af te sluiten van de buitenwereld. Om zich beter te focussen op God. Maar dat is ook wat het bevel van Paulus verbiedt.
Het ging echter van dagelijks gebruik over naar gebruik als ritueel kleed dat vooral in de synagoge een rol ging spelen. Dit grote gebedskleed wordt dus steeds vaker maar af en toe gedragen. Hierdoor kwam echter het bevel om altijd tsietsiet te dragen steeds meer in gedrang. Daarom kwam rond de 14de eeuw een apart klein hemd (talliet qatan) in gebruik die dagelijks gebruikt kon worden[9].
Het dragen van een zo’n gebedshemd (talliet qatan) was aanvankelijk geen rabbinale traditie, maar gewoon handig. Het is dus ook aan te raden voor talmiediem (Joods of niet). Het is immers een Bijbels bevel voor alle gelovige mannen om tsietsiet te dragen[10]. Het kan ook bijna onmogelijk over het hoofd getrokken worden als hoofdbedekking, waar de talliet gadol juist wel vaak voor gebruikt wordt.
Het gebruik van gebedskleden of -hemden bestond nog niet in de dagen van Paulus en hij kan zich dus ook niet daartegen hebben gericht met het hoofdbedekkingsverbod.
3. Hoofdbedekking van de kohaniem
Maar hoe zit het dan met de verplichte hoofdbedekking van de kohaniem en de kohen gadol tijdens de Tempeldienst en dus bij het uitspreken van gebeden en het geven van onderwijs (Ex 28:39-40)? Joodse talmiediem haken hier op in door de kippah te verbinden met de hoofdbekleding van de kohaniem. Deze talmiediem zien zich in spirituele zin als kohaniem, dus zou de kippah daarom zelfs verplicht zijn om te dragen.
Verschil is natuurlijk wel dat deze hoofdbedekking specifiek door God aan kohaniem is opgedragen en niet aan alle Isra‘Eliem. Die opdracht is niet vervallen omdat de Tempel verwoest is en ook niet nadat het B”Ch van kracht is geworden. Het ambt van kohaniem is immers ook door de Here Jezus aanvaard[11]. Hij staat garant voor dat ambt en voor het herstel van hun eredienst na de herbouw van de Tempel.
Toepassingsgebrek
Het is opvallend dat dit hoofdbedekkingsbevel zo weinig aandacht en nog minder navolging kent onder talmiediem[12]. Er zijn nogal wat niet-Joodse mannelijke talmiediem die zich niet bewust zijn dat het dragen van enig vorm van hoofdbedekking tijdens het bidden of verkondigen van Gods woord verboden is. Ook als ze een synagoge bezoeken of meedoen met een Joods gedenk- of feestgelegenheid.
Evenzo, zijn Joodse talmiediem vaak teveel gericht op het terug claimen van Joodse gebruiken en Joodse cultuur in hun geloofsleven als talmied, maar overtreden nogal eens onbewust of bewust Torahbepalingen op basis van allerlei zelfverzonnen drogredenen. In die zin volgen zij hetzelfde spoor als de rabbijnen die dat ook doen en zo een niet-Bijbelse Godsdienst optuigen.
Het niet naleven van de hele Torah is schadelijk voor het ontvangen van de volheid van Gods zegen. Zeker naar de tijd gerekend (d.i. nadat God hen tijd heeft gegund om tot dieper/beter inzicht te komen over de Torah).
+++
[1] Vrouwen daarentegen wel in die genoemde situaties.
[2] Echter niet ook in fysieke zin op aarde. Dat ambt is alleen gereserveerd voor een bepaalde familie van Lewiejim; die van ‘Aharon.
[3] De kippah wordt voor het eerst genoemd in de Talmoed (mondelinge tradities uit de 3de en 4de eeuw).
[4] Al wordt er steeds vaker belachelijkerwijs beweerd dat hij en ook de Here Jezus en andere toenmalige talmiediem een kippah droegen.
[5] Er zijn echter groepen Joden die het overdrijven en zulke grote kippah’s dragen die lijken om hoofdbekleding van moslims. Die dus bijna het hele hoofd bedekken. Maar de vraag is of dat nog als kippah moet worden gezien. In elk geval zijn zulke XXL kippah’s zeker op te vatten als hoofdbekleding en dus verboden voor talmiediem bij het bidden tot en onderrichten over God.
[6] Dit is een uiterst zwak argument, want vrouwen worden door Paulus ook geacht hoofdbekleding te dragen om ermee aan te geven dat ze onder de autoriteit van hun echtgenoot staan. Maar dat heeft ook een geestelijke betekenis in de zin van autoriteit. Ze zijn geen slavin. Bovendien gaat 1 Corinthiërs 11:3 over geestelijke autoriteit en vers 4 ligt in het verlengde daarvan. Strikt genomen is de kippah hoofdbekleding en bovendien heeft het geen Bijbelse basis.
[7] Opnieuw een ondeugdelijk argument, want de bedekking van het bloed van de Here Jezus is eenmalig bij de bekering en daarna volgt de verzoening met God. Het bloed van de Tempeloffers had ook eenmalig ‘werking’. De bedekking van het bloed een permanente betekenis geven is dat tot een spiritueel relikwie maken, wat geen Bijbelse basis heeft.
[8] Als talmiediem de kippah alleen dragen onder volksgenoten, zonder dat daar niet-Joden bij zijn, zou het volksverband kunnen versterken.
[9] Het dragen van de talliet qatan heeft dus alleen als doel het zekerstellen van het dragen van tsietsiet.
[10] Een toenemend aantal Joodse talmiediem draagt dus ook dagelijks een talliet qatan. Probleem is wel dat dit weer de rabbinale traditie bevestigt, want de tsietsiet aan de talliet qatan hebben een twijfelachtige vorm. De Bijbel is ogenschijnlijk onduidelijk over die vorm, maar de invulling van die vorm/structuur die de rabbijnen ervoor hebben gekozen bevestigd hun traditie. Die traditie wijkt af van de Bijbel, wat voor talmiediem juist een reden zou moeten zijn die niet klakkeloos over te nemen of te bevestigen.
[11] Hoewel Hij een afwijkende afstamming heeft. Hij was toegevoegd aan de stam Jehoedah en niet aan die van Lewie. Maar Hij is Gods Zoon en heeft dus een oorsprong bij God en niet bij mensen. Daar komt bij dat het B”Ch volgens de Bijbel het ambt van kohaniem opent voor bepaalde niet-Joden (Zie bijvoorbeeld Jes 66:20-21).
[12] Gelovige mannen, soms zelfs theologen, Bijbelleraren of hoge geestelijke ambtsdragers, die gewoon een hoofdbekleding dragen bij het bidden of verkondigen van Gods woord, maar veel meer nog gelovige vrouwen die dat zonder hoofdbekleding doen en zich nergens van bewust lijken te zijn. Hoewel lang haar van vrouwen volgens Paulus enigszins kan worden opgevat als hoofdbekleding (1 Cor 11:15).


Wees de eerste die reageert op "Hoofdbedekking volgens Bijbelse Godsdienst – deel 2"