Parasjah Choeqqat – Voorschrift

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Nm 19-22) gaat over verdere voorschriften voor Aäron (Nm 18) en daarna over de gebeurtenissen ter voorbereiding op de Inname van het beloofde Land. Alleen worden dan Mozes en Aäron weerspannig tegen God, waardoor Hij hen onttrekt van die Inname. Mirjam en Aäron sterven en God leidt Isra‘El op een route zodat ze het Land vanuit het oosten innemen.

Door: Bijbelleraar Marco van Putten

God instrueerde Mozes en Aäron, de kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester), het voorschrift (choeqqah) van de volkomen rode rund (farah ‘adoemmah temiemah; 19:2). Zonder letsel of een juk te hebben gedragen. Buiten de legerplaats moest de kohen het aan God gewijd slachten. Het bloed ervan werd verbonden met het heiligdom (vs 4). Daarna moest heel de rund, inclusief zijn bloed, buiten de legerplaats verbrandt worden samen met cederhout, hysop en slakkarmozijn. De as moest verzameld worden en buiten de legerplaats bewaard worden.

Ontzondiging met het water van niddah

Dan komt het eigenlijke nut hiervan naar voren. De as is het belangrijkste ingrediënt voor het water van niddah (nadad – afzonderen). Het ontzondigde (vs 9) na het aanraken van een lijk van een mens. Zo’n aanraker (hannogea’) was zeven dagen godsdienstig onrein en moest zich laten besprenkelen met het water van niddah. Wie deze ontzondiging niet onderging moest logischerwijs worden afgesneden uit Isra‘El, want anders zou de aanraker heel de gemeenschap verontreinigen (vss 13, 20).

Dat aanraken van een lijk godsdienstige onreinheid overdraagt was al eerder bepaald (zie 6:6; 9:6; Lv 21:1-4), maar Mozes geeft hier meteen ook allerlei andere bepalingen over onreinheid die ermee verband houdt.

Isra‘El keert terug in Qadesj

In 13:26 staat dat Isra‘El vanuit Qadesj de verspieders hadden uitgestuurd (13:1) en God hen daar strafte voor hun weerspannigheid. Na hun straftijd van 40 jaar kwamen de Isra‘Eliem weer terug in die plaats. Waarschijnlijk vestigden ze zich daar om Pésach te vieren (20:1). Daar stierf Mirjam, de zus van Mozes, en werd er begraven. Hoe oud ze is geworden is onbekend, maar waarschijnlijk over de 100 jaar.

Opnieuw begon het volk Mozes en Aäron te verwijten dat ze hen op een plaats hadden gebracht waar geen water was en waar ze geen voedsel konden verbouwen. Ze wilden in de woestijn zijn gestorven tijdens de straftijd van 40 jaar. Ze gebruikten opnieuw de grievende woorden over het waarom van de Uittocht. Gods heerlijkheid verscheen. Maar Hij zag hun hart aan en gaf Mozes opdracht heel de gemeenschap bij elkaar te roepen. Hij moest met zijn staf op de rots slaan zodat het water erin eruit zou komen. Dan konden zij en hun dieren ervan drinken. Mozes sloeg echter tweemaal (vs 11), waardoor er heel veel water uit de rots kwam. God sprak hen erop aan. Ze hadden Zijn belofte niet vertrouwd. God rekende hen die ongehoorzaamheid zwaar aan. Zij werden onttrokken aan de Inname van het beloofde Land.

Opnieuw kreeg het water de naam Merievah (zie sidra‘ Besjallach). Net als toen (Ex 13-17) toonde God aan Isra‘El dat Hij voor hen zorgde. Maar ook werd bekend dat God afstand had genomen van Mozes en Aäron. Het volk had daar ontzag voor Hem (vs 13).

Edom weigert doorgang

Vanuit Qadesj zond Mozes boodschappers naar de koning van ‘Édom. Het is opvallend dat zijn naam niet wordt genoemd. In Bijbelse zin een vernedering. De boodschappers vragen of de Isra‘Eliem door zijn gebied mochten trekken over de gebaande koningsweg (déréch hamméléch) zonder ervan af te wijken en zonder iets van zijn land te nemen. Maar die koning reageert agressief. Hij zou hen aanvallen als ze over de grens van zijn land zouden trekken. Mozes laat daarop herhalen dat ze alleen op de gebaande weg zouden gaan en alles zouden vergoeden als ze iets van ‘Édom zouden nemen. Ze kwamen slechts te voet. Maar die koning herhaalde zijn woorden en zette die kracht bij door met een groot en sterk bewapend leger tot hen uit te trekken. Toen trok Isra‘El naar het noorden weg.

De dood van Aäron

Ze kamen bij de berg Hor. Daar zei God Mozes en Aäron aan dat de laatste op die berg zou sterven. De berg Hor lag in de ’Aravah (de Grote Slenk tussen de Dode Zee en de Rode Zee) tegen de grens van het gebied van ‘Édom. Aäron kon dan van de top ervan een blik op het beloofde Land werpen.
Waarschijnlijk zijn op de berg gebeden uitgesproken. ‘Él’azar, de zoon van Aäron, kreeg er officieel de kleding van zijn vader, de kohen gadol en daarmee diens ambt. Het was een heel emotioneel moment. Mozes verloor zijn broer en vader Aäron en zoon moesten vaarwel zeggen. Dat is de ernstige consequentie van het dienen van God. Onderaan de berg was heel de gemeenschap van Isra‘El getuige van wat er gebeurde. Ze zagen hoe God Aäron doodde. Ze begroeven hem ter plekke. Er was drie dagen rouw.

Laffe aanval van de koning van ’Arad

Toen trok Isra‘El verder noordwaarts door de ’Aravah, maar de koning van ’Arad in de Négév werd erover geboodschapt (21:1). Ook de naam van deze koning wordt niet genoemd, omdat hij uittrok en Isra‘El aanviel en gevangenen maakte. Isra‘El maakte toen een gelofte aan God. Als Hij hen dit Kana’anitsche volk in hun hand zou geven, dan zouden zij hun steden met de ban slaan. God verhoorde dat gebed en Isra‘El vervulde diens belofte. Ze noemde de plaats Charmah en daarmee was indirect ook Isra‘Els eerdere vernedering in die plaats (14:45) rechtgezet.

Buitenom naar het beloofde Land

God leidde Isra‘El toen naar de Rode zee in het zuiden en vandaar om het gebied van ‘Édom. Onderweg begon het volk weer te morren en verweet het God en Mozes opnieuw dat Zij hun niet uit Mitsrajim (Egypte) hadden moeten leiden, want er was geen voedsel en water, maar alleen dat walgelijke brood (léchém haqqeloqel)! Het Man, dat ze al eerder hadden bespot (11:6). God zond vurige slangen (‘et hannechasjiem hasserafiem) onder het volk die hen beten zodat ze bij bosjes stierven. Maar Isra‘El belijdde toen diens zonden aan Mozes en vroeg voor hen te bidden. Mozes deed dat en van God moest hij een afbeelding van de saraf maken op een standaard. Wie ernaar keek zou genezen worden. De straf werd afgewend.
Ze bereikten de oostkant van het gebied van Mo‘av en trokken door naar de oevers van de beek ‘Arnon aan de grens van het gebied van de ‘Émorie (Amorieten). God gaf ze daar te drinken.

Inname van Overjordaanse gebieden

Isra‘El zond boden naar Siehon, de koning van ‘Émorie, voor vrije doortocht, maar hij viel Isra‘El aan (vs 23). Alleen ditmaal versloeg ze de ‘Émorie en namen hun gebied en plaatsen in tot aan de zuidgrens van het gebied van Ammon. Hetzelfde overkwam de koning van Basan, ’Og. Isra‘El had voor het eerst in diens geschiedenis gebieden ingenomen. Alleen nog wel buiten het beloofde Land. Isra‘El trok toen naar de Jordaan vallei tegenover Jericho en sloegen hun kamp daar op.

In de volgende parasjah zullen we de actie van de koning van Mo‘av zien tegen de komst van de Isra‘Eliem.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Choeqqat – Voorschrift"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*