Parasjah (De opstand van) Qorach

Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Deze sidra‘ (Nm 16-18) gaat over de grootste opstand tegen het gezag van Mozes en Aäron en over de nasleep en ernstige gevolgen ervan. Isra‘El onderging erdoor een verdere kastijding ten gunste van de volgende generatie die het beloofde Land zou innemen.

Door: Bijbelleraar Marco van Putten

Tijdens hun strafverblijf in de woestijn leidde Qorach, van de Levietenstam Qehat, samen met enkele leden van de Re‘oevenie (Rubenieten) een nieuwe opstand tegen Mozes. De stam Qehat was verantwoordelijk voor de meest heilige onderdelen van het heiligdom (Nm 3:31). De stam Ruben had een oude geschiedenis van rebellie (Gn 35:22). Ze wisten 250 leidslieden – mannen van naam (‘ansjej-sjem) – te betrekken bij hun opstand.

De strijd met de opstandelingen

De opstandelingen vroegen zich openlijk af waarom ze naar Mozes en Aäron zouden luisteren. Alle Isra‘Eliem waren immers aan God gewijd (16:3). Toen Mozes dit hoorde viel hij neer, omdat hij wist dat dit zeker opnieuw Gods toorn over Isra‘El zou laten losbarsten. Iets was hij wilde voorkomen. Hij stelde de opstandelingen voor om het gezag van Aäron te toetsen. De volgende morgen zou God bekend maken wie aan Hem gewijd waren en wie Hij naast Zich verkoos. Hij riep de opstandelingen daartoe op vuurpannen te nemen met vuur en reukwerk.

Mozes vroeg aan Qorach waarom hun werk aan de meest heilige onderdelen van het heiligdom hen niet genoeg was. Waarom wilde zij ook kohaniem (Isra‘Elitisch priesters) zijn? Maar bovenal, wat mankeerde er aan Aäron? Er kwam geen antwoord. Mozes riep daarna de opstandige zonen uit Re‘oeven, maar zij weigerde te komen. Die gebruikten openlijk ernstig grievende woorden. Ze zeiden dat Mozes al genoeg heerszucht over hen had gehad door ze uit een land vloeiende van melk en honing (daarmee bedoelden ze het heidense Egypte, waar ze slaven waren!) te halen om te sterven in de woestijn. Mozes had wat hun betreft gelogen. Hij had ze niet in een land vloeiende van melk en honing gebracht en geen aandeel daarin gegeven. Mozes zou hun hebben verblind (vs 14).

De opstand aangepakt

Toen Mozes die woorden hoorde werd hij heel boos en bad tot God dat Hij Zich van hun (reukoffer) moest afkeren. Mozes had geen enkel duur geschenk van hen aangenomen noch één van hun boosheden. Toen zij zich de volgende dag bij het heiligdom verzamelden verscheen Gods heerlijkheid. God raadde Mozes en Aäron zich van de opstandelingen af te scheiden, want Hij zou heel Isra‘El in een oogwenk verteren (vs 21)! Maar Mozes en Aäron pleitte dat alleen de opstandelingen geslagen zouden worden, maar Isra‘El behouden. God verhoorde dat en droeg de Isra‘Eliem op zich van de opstandelingen en hun verblijfplaatsen te verwijderen. Mozes maakte Isra‘El bekend dat wat er ging gebeuren de toets zou zijn. Als de opstandelingen ongestraft zouden doorleven en op ‘natuurlijke’ wijze zouden sterven, dat hij dan niet door was God gezonden. Maar als God hen meteen zou straffen, dan zou duidelijk zijn dat zij Hem gelasterd hadden. Hun straf kwam daarna meteen. Vuur van God kwam op hen neer en de aarde verzwolg hen. Heel Isra‘El raakte in paniek.

Mozes droeg ‘Él’azar, de zoon van Aäron, op de vuurpannen van de opstandelingen te nemen en buiten de legerplaats leeg te gooien. De vuurpannen moesten uitgerekt worden tot platen en op het koperen altaar worden aangebracht als een blijvend teken (‘ot) en een gedachtenis (zikaron) voor Isra‘El. Immers, geen onbevoegde (‘iesj zar) mocht reukwerk aan God brengen.

Isra‘El rebelleert opnieuw

Maar toen beklaagde (jilllonoe) heel de gemeenschap (kal-’adat) zich de volgende dag aan Mozes en Aäron (16:41 (17:6)). Ze verweten hen dat met de dood van de opstandelingen heel Isra‘El (mond)dood was gemaakt. Toen verscheen Gods heerlijkheid en herhaalde God dezelfde woorden die Hij bij het begin van deze opstand had gebruikt (zie 16:21)! Opnieuw vielen Mozes en Aäron neer om Gods ernstige toorn die dreigde. Mozes zei tegen Aäron dat hij zijn vuurpan moest nemen en het met vuur en reukwerk vullen. Daarmee moest hij onder Isra‘El gaan staan om zo enig respijt voor de vromen onder Isra‘El af te smeken, want Gods hevigste toorn (haqqétsév) was uitgegaan en de plaag (hannagéf) was al begonnen. Op die dag vielen zeer veel doden en Aäron stond tussen lijken en levenden (16:48 (17:13)).

Aäron bevestigt als kohen gadol

God wilde duidelijk maken wie Hij naast Zich duldde en daarom moesten alle verhevenen van de 12 stammen een staf maken en daarop hun naam schrijven (chatav). De naam van Aäron zou geschreven worden op de staf van de stam Lewie. Elke naam vertegenwoordigde het hoofd (ro‘sj) van die stam. Deze staven moesten worden neergelegd in de Tent op de plaats waar God samenkwam met Mozes die Isra‘El vertegenwoordigde. De staf die zou uitbloeien (jifrach) zal diegene zijn die God verkoos (bachar). Dat moest het volk tot bedaren brengen van hun klagen.
Mozes ging de volgende dag de Tent binnen en bracht de staven naar buiten en het bleek de staf van Aäron die was uitgebloeid. Maar dat niet alleen. Het bloesemde ook een bloemsel (jatsets tsiets) en droeg amandeltwijgen (jigmol sjeqediem)! Mozes gaf elke verhevene zijn eigen staf terug. God droeg hem echter op om Aärons staf terug te leggen ter bewaring. Het moest eveneens als teken dienen voor de weerspannigheid van Isra‘El. Ter beëindiging van hun klagen, zodat zij niet alsnog zouden sterven! Deze laatste woorden waren een strenge waarschuwing. Isra‘El riep toen uit dat ze niet tegen God opkonden, maar dat Hij hen bestemd had om in de woestijn te sterven. Toen pas legden ze zich neer bij Gods eerdere straf na het verspieden van het beloofde Land. Maar gewillig ging het nog steeds niet.

God sprak Aäron aan over de opstand van Qorach, de Lewiet. Hij herhaalde dat de kohaniem verantwoordelijk waren voor alle misdaden in het heiligdom en die van hun de kohaniem. Zij moesten erop letten dat de Lewiejim hun dienst vervulden, net zoals zijzelf dat moesten (18:3). Als allen het omschreven werk in het heiligdom zouden doen, dan zou God niet (weer) in hevige toorn tegen Isra‘El uitbarsten. Maar een onbevoegde (zar) mocht niet naderen tot het ambt van kohenschap. Dat God de Here Jezus, van de stam Judah, toch kohen gadol maakte moet daarom minstens op dit punt een verandering van de Sinaïtische Verbondsvoorwaarden betekenen (Hb 7:11-14).

God herhaalde aan Aäron welk deel van de offergaven voor hem en zijn familie, de kohaniem, bestemd waren. In het beloofde Land zouden de Lewiejim echter geen Landaandeel ontvangen (vs 23-24). God was hun aandeel. Zij zouden wel een bijdrage (teroemah) en een tiende (ma’aser) van de Isra‘Eliem ontvangen. De Lewiejim moesten vervolgens uit die tiende een tiende (ma’aser min-hamma’aser) aan de kohaniem geven. Alleen door zo te doen zouden de werkers in het heiligdom niet sterven door ontwijding (challal) ervan.

De volgende parasjah behandelt de zonde van Mozes en Aäron, de dood van de broer en zus van Mozes en het verlaten van de woestijn.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah (De opstand van) Qorach"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*