Parasjah Toldot: de geschiedenis van Izak

Jakob ontvangt de zegen. Beeld: Horst, Gerrit Willemsz.
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

Parasjah Toldot, generaties. We lezen Genesis 25:19-28:9. Uit de Haftara lezen we Maleachi 1:1-2:7 en Romeinen 9:1-13. 

Traditioneel richt de aandacht van dit gedeelte zich op Esau en Jakob, Izaks zonen. Toch gaat deze zesde sidra‘ over Izaks geschiedenis in het beloofde Land. Een periode van minstens 150 jaar. Hoe was God in dit alles Aanwezig?

Het is de negende keer dat het woord ‘toldot’ in Genesis voorkomt. Te beginnen in 2:4 tot 25:12. Omdat het woord komt van de stam jalad – verwekken/baren wordt het woord ‘toldot’ meestal geïnterpreteerd als ‘generaties’. Maar verwekkingen kunnen meer zijn dan alleen het fysieke (kinderen krijgen). Het kan ook figuurlijke betekenis hebben (geschiedenis/nalatenschap). Zeker in deze sidra‘ gaat het vooral om dat laatste.

Deze parasjah behandeld de geboorten van de twee zonen van Izak bij Rebekka en hoe de profetie over die zonen zich begon te vervullen (H 25), Izaks verblijf bij de Filistijnen (H 26), Izaks aanstelling van de nieuwe ro‘sj (H 27) en Izaks wegsturen van Jakob, zijn opvolger, naar ‘Aram (H 28).

Izaks zonen

Izak, de zoon van Avraham, trouwde op zijn veertigste met Rebekka. Na een aantal jaren bleek zij, net als Sarah, onvruchtbaar te zijn. Toen bad Izak tegenover haar en God liet Zich verbidden. Toen, Izak was inmiddels zestig jaar, werd ze zwanger. Tijdens haar zwangerschap bleek ze meerdere kinderen te dragen die af en toe flink tegen elkaar stootten. Ze raadpleegde God erover en Hij openbaarde dat die kinderen twee natiën (gojim) zouden vertegenwoordigen. Zij zouden gescheiden van elkaar worden (jiparedoe). De ene zou een sterker stamverband hebben dan de ander. De grotere van de twee zou de kleinere dienen (ja’avod).

Toen de zonen geboren werden verscheen de eerste behaard en roodgekleurd (‘adomie), zodat hij Esau (Esaw – volkomen gemaakt) werd genoemd. De tweede zoon had de hiel (‘aqev) vast van zijn broertje. Daarom noemde ze hem Jakob (Ja’aqov – hielgrijper). In hun opgroeien werd Esau een man kennende de jacht (‘iesj jodea’ tsajid). Jakob was echter een volkomen man (‘iesj tam) vanuit Gods optiek en hij verbleef in het tentenkamp. Izak hield echter van Esau. Rebekka van Jakob.

De eerstgeboren zoon was toentertijd de kandidaat om zijn vader op te volgen als familiehoofd. Jakob wist echter dat recht van Esau te onttrekken, omdat Esau dat verachtte. Jakob gaf daarmee een diepere betekenis aan zijn naam, die namelijk ook ‘verdringer’ kan betekenen.

Izaks omgang met de Filistijnen

Net als in de dagen van Avraham kwam er opnieuw een hongersnood in het Land. Dat wijst erop dat de inwoners Gods zegen niet hadden en zich misdroegen. Izak moest zijn woonplaats verlaten, maar God ontraadde hem naar Egypte te gaan. God liet hem toevlucht zoeken in het land Gerar in het beloofde Land. Zijn vader was daar eerder ook heengegaan (Gn 20:1). God herhaalde aan Izak de beloften die Hij aan Avraham had gedaan, omwille van Avrahams volledige trouw aan God (Gn 26:3-4). Met het herhalen van de beloften werd ook Avrahams verbond overgedragen aan Izak.

De plaatselijke koning begunstigde Izak omwille van Rebekka, waarvan Izak, net als zijn vader, had gezegd dat zij zijn zuster was (zie Gn 12:12-13; 20:2)). Toen hij zijn akker beplantte zegende God dat zodat de opbrengst groot was. Ook zijn kudde gedijde erg goed. Izak werd erg welvarend. Toen werden de Filistijnen jaloers op hem. Ze zonden hem weg. Hij ging een eind verderop wonen en groef de waterputten van Avraham, die de Filistijnen hadden dichtgegooid, weer op. De Filistijnen maakten echter herhaaldelijk ruzie over het waterbezit waarheen Izak ook trok. Hij ging steeds verder weg totdat hij een waterput groef waarover geen ruzie meer kwam. Daarom noemde hij het Rechovot (Ruimten; Gn 26:22).

Enige tijd later trok Izak naar de plaats waar zijn vader had gewoond; Berseba. Daar verscheen God aan hem en herhaalde aan hem de verbondsbeloften. Izak bouwde er een altaar, ging er wonen en boorde zijn vaders waterput weer open. Toen kwam de plaatselijke koning van de Filistijnen met zijn hoogste ambtsdragers. Zij waren gekomen om een verbond met hem te sluiten. Dat was Avraham ook overkomen (Gn 21:22-34). Ze hadden gezien dat God met Izak was. Ze zwoeren een eed van vervloeking over diegene die hun verbond zou verbreken. Daarna vertrokken ze in vrede. Kort daarna werd er water in Abrahams oude put gevonden.

Maar het was niet allemaal een tijd van zegen en voorspoed. Toen Esau 40 jaar oud was geworden nam hij zich twee Hethitische vrouwen. Dat was een grief voor Izak en Rebekka.

Izak stelt de nieuwe ro‘sj aan

Jaren gingen voorbij en Izak werd oud en zijn ogen raakten verduisterd. Hij dacht dat zijn dood nabij was en dat zijn opvolger moest worden bevestigd; de nieuwe ro‘sj (Gods vertegenwoordiger). Maar er staat echter nergens in de Bijbel dat hij daarover God raadpleegde. Hij riep immers Esau. Hij droeg hem op een wildgebraad voor hem te maken. Ze zouden samen zijn aanstelling vieren met een maaltijd, waarna hij hem zou zegenen. Dat er vermeldt staat dat Izaks ogen verduisterd waren om te zien (Gn 27:1) moet een diepere betekenis hebben; Hij verloor zijn zicht op Gods bedoeling.

Rebekka wist van Izaks dwaling en raadde Jakob snel twee geitenbokjes te slachten zodat zijn moeder ze kon bereiden, om zich te verkleden en naar zijn vader te gaan om voor Esau’s terugkeer Izaks zegening te ontvangen. Zo gebeurde het. Jakob loog tweemaal direct tegen zijn vader (Gn 27:19, 24) en eenmaal indirect (Gn 27:20). Als vlak daarna Esau naar Izak kwam en ontdekte dat Jakob de zegening had ontvangen probeerde hij met zijn vader te onderhandelen voor een tweede zegening (Gn 27:38). Maar Izak zei hem eigenlijk het tegenovergestelde aan. Esau stond al buiten Gods verbond, maar kon vanaf toen nooit meer de nieuwe ro‘sj zijn.

De zegening van Jakob door Izak
1. Zegen van God zou er zijn waar Jakob zou wonen
2. Volken zouden Jakob dienen en zich aan hem neerbuigen tot geloofsgemeenschappen
3. Jakob zou de patriarch zijn van de familie en Esau zou hem moeten gehoorzamen
4. Wie Jakob vervloekte zou vervloekt worden en wie hem zegende zou gezegend worden

De aanzegging van Esau door Izak was dat Esau verwijderd zou wonen van een land dat God zegent, hij met zijn zwaard zou moeten overleven en dus geen rust zou kennen. Esau zou Jakob dienen. Alleen als Esau zich inspande zou hij het patriarchale juk van Jakob van zich kunnen afwerpen.

Jakob vertrekt naar ‘Aram

Esau haatte Jakob zo, dat hij openlijk aankondigde hem te zullen doden. Rebekka kwam dit te weten en raadde Jakob aan naar Laban in ‘Aram te vluchten. Izak riep Jakob en vertelde hem geen Kanaänitische vrouw te nemen (Gn 24:3; Gods mitswah 6:2), maar een uit de familie in ‘Aram. Izak droeg aan hem, de nieuwe ro‘sj, de verbondszegen en -beloften over. Toen Esau hoorde dat Izak zijn zoon Gods mitswah voorhield, benadrukte dat zijn overtreding ervan door met Kanaänitische vrouwen getrouwd te zijn. Daarom huwde hij snel een dochter van Ismaël om de band met Izak te verbeteren.

In de volgende parasjah zullen we zien wat er van Jakob komt in ‘Aram.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Toldot: de geschiedenis van Izak"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*