Parasjah Wajetse: en hij (Jakob) vertrok

Afbeelding van Jacobs' droom in de Lutherse Bijbel.
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

De Parasjah van deze week is Wajetse (en hij ging uit/vertrok). We lezen Genesis 28:10-32:2. Uit de Haftara lezen we Hosea 11:7-14:9 en we lezen Johannes 1:19-51.

Dit gedeelte (Gn 28:10-32:2) begint heel tegenstrijdig. Jakob, de opvolger van Izak, verlaat het beloofde Land. Hij lijkt wat Avraham begonnen was terug te draaien. Er leek echter geen andere mogelijkheid. Hoe kan dat Gods wil zijn?

Net na het midden van het boek Genesis begint, niet toevallig, de levensgeschiedenis van Jakob. Hij is namelijk de ro‘sj (Gods vertegenwoordiger) waarop het in dit boek uitloopt. Net zoals bij Avraham, begint zijn geschiedenis met het verlaten van diens vaders huis op hoge leeftijd (rond de 70 jaar). Toch lijkt het niet goed te gaan. Jakob doet wat Avraham verboden had (Gn 24:6). Hieruit blijkt Jakobs ‘hogere’ missie dan zijn voorvaderen. Iets wat vaker gebeurt in de Bijbel.

Jakobs visioen

Jakob trok (jetse‘) eerst door het centrale bergland en bereikte het ‘hart’ van het Land. Vlakbij de plaats waar zijn grootvader Avraham ook had gewoond (Gn 12:8; 13:3). Hij leek dat echter niet te weten (Gn 28:16). Hij moest er overnachten en kreeg toen een visioen. Hij zag een klimweg (soelam) die op de grond stond en tot ver in de lucht reikte. Hij zag engelen erop omhoog klimmen en afdalen. God was de Bestuurder van dit alles. God zei Jakob toen de Landsbelofte aan. Beloofde hem een groot nageslacht en dat alle families van de aardbodem (ha‘adamah) in hem en in zijn nageslacht gezegend zouden zijn. God zou hem beschermen op zijn wegen (sjamar) en hem niet verlaten totdat alles wat Hij beloofd had vervuld zou zijn.

Engelen

Het is opvallend dat Jakob eerst engelen noemde die omhoog klimmen en dan pas engelen die naar beneden klimmen. Waarschijnlijk was dat ook letterlijk wat hij ‘zag’. De boodschap lijkt te zijn dat engelen wel hun oorsprong en standplaats hebben in de hemel, maar hun roeping, hun opdracht vooral in de fysieke Schepping vervullen. Daarna keren ze terug naar de hemel (het niet-fysieke deel van de Schepping). Er is dus voortdurend contact tussen de niet-fysieke en de fysieke wereld. Jakob werd daarvan bewustgemaakt. Maar toch vooral van Gods bestuur van de hele Schepping. Dat beperkte zich niet tot het beloofde Land, waar hij tot dan toe alleen had geleefd. Net zoals zijn vader.

De woorden die God tot Jakob sprak zijn deels een herhaling van Zijn verbondsbeloften aan Avraham, die overgedragen was aan Izak en vervolgens aan Jakob. God zou ook de zegening van Izak aan hem vervullen (Gn 27:29) en hem doen terugkeren naar het beloofde Land.

Toen Jakob wakker werd dacht hij dat het een magische plaats was en een poort van de geestelijke wereld. Hij noemde die plaats een ‘huis van God’ (Bejt-‘El). Net als zijn vader verwarde hij niet-fysieke met fysieke zaken. Dit was Jakobs eerste persoonlijke confrontatie met de Levende God die in de Bijbel genoemd wordt en een diepe indruk op hem maakte. Hij deed een belofte aan God.

Jakob en Laban

Aangekomen bij de plaats Haran in ‘Aram ontmoette hij Laban, de zwager van Izak. Die gebruikte dezelfde woorden die Adam zei over de vrouw die God hem gaf (Gn 2:23; 29:14). Dat wijst erop dat Laban behoefte had aan een helper die bij hem paste. Blijkbaar had hij die toen niet. Laban werd Jakobs schoonvader doordat hij met zijn beide dochters huwde. Hij bleef 14 jaar bij hem en kreeg 11 zonen.

Toen vroeg Jakob aan Laban of hij weer naar huis kon terugkeren. Laban was natuurlijk verdrietig over die vraag. Hij stelde voor Jakob een beloning te geven voor wat hij voor hem gedaan had, want door Jakobs aanwezigheid had God Laban ook gezegend. Jakob vroeg hem het deel van zijn uitgebreide kudde geiten en schapen die van mindere waarde was. Over de jaren werd Jakobs kudde echter steeds groter en bestond het uit de sterkste dieren. Daardoor werden Labans zonen jaloers en werd Laban boos op Jakob.

Na zo’n 20 jaar verblijf bij Laban (Gn 31:38) maande God Jakob terug te keren naar het beloofde Land. Jakob en zijn gezin vluchtte (barach) weg. Maar Laban achtervolgde hem met zijn broeders en wilde hem geweld aan doen. Toen ze een gebergte van het Overjordaanse bereikten, zagen ze in de nacht Jakobs kamp in de verte. Toen waarschuwde God Laban om Jakob geen kwaad te doen. Toen ze de volgende dag elkaar ontmoetten verweet Laban hem dat hij onaangekondigd was vertrokken met zijn bezittingen. Bovenal had hij de beelden (terafiem) van zijn huisgoden (‘élohaj) gestolen. Laban doorzocht Jakobs spullen, maar vond niets. Toen maakte Jakob hem scherpe verwijten. Het was 1-1.

‘Steenhoop van getuigenis’

Uiteindelijk stelde Laban voor dat ze een verbondseed zouden sluiten. Ze maakten een steenhoop en aten er. Ze noemde het, elk in hun eigen landstaal, ‘steenhoop van getuigenis’. Laban noemde het ook nog de Toezichtsplaats (hamMitspah). Hij maande Jakob zijn dochters goed te behandelen. Ook mocht Jakob niet langs deze steenhoop terugkeren naar Laban. In beiden gevallen zou hij wraak nemen. De rivaliteit bleef in Avrahams familie. Laban keerde huiswaarts. Toen Jakob echter verder trok kwamen gewapende engelen hem tegemoet. Daarom noemde hij de plaats ‘legerkampen’ (Machanajim). Jakobs vrees voor Laban verdween.

In de volgende parasjah zullen we zien hoe Jakobs terugkeer in het beloofde Land verloopt.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Wajetse: en hij (Jakob) vertrok"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*