Parasjah Wajjiggasj: En hij (Judah) naderde

Een Joodse man met een ramshoorn bij de Klaagmuur in Jeruzalem. Beeld: GPO
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

In het elfde tekstgedeelte uit Genesis (44:18-47:27) komt eindelijk de opvolger van Jakob naar voren; Judah. Hij ontpopt zich als een priester door in te staan voor Benjamin en de straf die op zijn jongste broer was op zich te nemen. Maar ook het concept ro‘sj wordt door God geherdefinieerd.

Dat Judah (Jehoedah) de nieuwe patriarch zou worden bleek uit het feit dat hij de enige was onder zijn broers die niet alleen aan zijn vader Jakob beweerde voor Benjamin garant te zullen staan (Gn 43:9), maar dat ook deed. Hij naderde (jiggasj) tot Josef, die Benjamin van diefstal van zijn eigendom beschuldigde, alsof hij de Farao zelf naderde (Gn 44:18). Judah vreesde voor deze Egyptenaar en wist dat hij zeer gevaarlijke handelde. Hij wou de straf voor de diefstal die op Benjamin zou neerkomen op hem nemen. De hoofdreden was dat hij zijn vader Jakob van nog meer lijden wilde besparen, want hij treurde al heel lang over het verlies van zijn zoon Jozef. Judah was dus bereid om zijn leven voor de broer van Jozef te geven.

Jozef maakt Gods werken bekend

Toen Jozef Judah dat hoorde zeggen kon hij zich niet langer inhouden. Hij zond alle bedienden weg zodat hij alleen met zijn broers overbleef. Jozef weende zo luid dat het in de omgeving was te horen. Zelfs tot in het huis van Farao. Judahs daad was een vergoeding van de schuld die de broers aan Jozef hadden. Jozef maakte zich aan hen bekend en stelde dat God hem naar Egypte had gezonden zodat Jakob en zijn huis zouden kunnen overleven. Hij verweet hun dus niet langer wat ze hem hadden aangedaan, maar openbaarde dat God dat ten goede had gekeerd. Dat Hij dat gepland had (Gn 45:8). Zo kon een rest (sje‘eriet) overblijven. Hierin werd duidelijk dat God het concept ro‘sj niet gebonden zag aan familie en beloofd Land. Gods vertegenwoordiger – de ro‘sj – was dan wel een Hebreeër, maar hij kon dus ook rijksbeambte zijn van een wereldrijk om tot zegen daarvoor te zijn en voor Gods volk. Dat was nieuw.

Jozef vraagt ook Jakob te naderen

Jozef stelde hen voor hun vader Jakob te laten overkomen om zich te vestigen in het land Gosen (Hebreeuws Gosjen – Naderen), zodat zij dicht bij Jozef zouden zijn. Dan zou hij hun van voedsel kunnen voorzien, want er waren al twee jaren van hongersnood geweest maar er zouden er nog vijf volgen. Ze moesten Jakob vertellen dat God Jozef tot een bestuurder (mosjel) van Egypte en het huis van Farao had aangesteld. Dat betekende dus dat hij definitief buiten het huis van Jakob stond. Hij vormde dus geen bedreiging voor de opvolger van Jakob. De vraag was wel wie in het huis van Jakob zich als ro‘sj zou ontwikkelen. Judah werd dan wel de opvolger van Jakob, maar zou hij ook ro‘sj blijken te zijn of zou een andere zoon dat oppakken? Jozef maande hen tot haast om hun vader te vertellen van de Egyptische heerlijkheid van zijn zoon. Farao stemde in met wat Jozef had gezegd en zo keerden zijn broers terug naar hun vader in het land Kanaän met allerlei cadeaus uit Egypte.

Jakob trekt naar Egypte

Toen Jakob van zijn zoons hoorde dat Jozef nog leefde kwam zijn geest weer tot leven (Gn 45:27). Hij was heel gelukkig dat hij zijn zoon Jozef nog zou zien voordat hij zou sterven. Hoe hij God bedankte wordt niet genoemd, maar zeker is dat hij dat deed want in Berseba offerde hij aan de God van zijn vader Izak (Gn 46:1). Die omschrijving van God wijst erop dat hij zich waarschijnlijk al geruime tijd niet meer op Hem had gericht. In een droom sprak God met hem ter bemoediging. Hij moest niet bang zijn om naar Egypte te gaan, want God zou met hem mee gaan. Hij zou wel in Egypte sterven, maar begraven worden in het beloofde Land. Heel de familie van Jakob vestigde zich in Gosen. Al zijn zonen en hun gezinnen. Jakob zond Judah uit naar Jozef om instructies te ontvangen. Toen kwam Jozef naar zijn vader en er was een heel emotionele begroeting. Na 23 jaar zagen ze elkaar weer. Hij liet zijn vader en broers weten dat hij Farao zou informeren over hun komst en ze zouden zich in Gosen kunnen vestigen, want de Egyptenaren minachtte herders van vee. Farao stemde in en vroeg de Hebreeërs of ze ook voor zijn kudden konden zorgen. Jozef bracht ook zijn vader Jakob bij Farao. Farao beval dat de familie van Jakob op de beste plek in Egypte zouden wonen en liet hen vestigen in het land Rameses (de oppergod Ra’ trekt uit).
Jozef maakt Farao eigenaar van heel Egypte

De hongersnood in Egypte en de omringende landen werd steeds erger. Al het geld van de Egyptenaren gaven ze aan Jozef voor graan en zo kwam al het geld in handen van de Farao. Toen het geld op was liet Jozef de Egyptenaren met hun vee betalen. Toen de hongernood aanhield gaven zij zichzelf en al hun grond aan Jozef voor voedsel en zaad. Jozef eiste een vijfde deel (een dubbele tiende) van hun oogst. Alleen de priesters van Egypte werden uitgezonderd. Ondertussen werd het huis van Jakob vruchtbaar en zeer talrijk. Zo werden aan Jozef weer twee periode (2*7=14 jaar) in Egypte afgerond.

In de volgende parasjah zullen we zien hoe het leven van Jakob ten einde zal lopen.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Wajjiggasj: En hij (Judah) naderde"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*