Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
In de vorige twee lessen over de Galatenbrief kwam het volgende naar voren:
• Paulos is apostel speciaal voor niet-Joden
• Hoofdonderwerp: waarschuwen voor Judaïsten die willen dat de talmiediem (leerlingen van de Here Jezus) hun trouw aan het Beriet Chadsjah (B”Ch; het Nieuwe Verbond) opgeven
• Paulos ging naar Jeroesjalajim voor een vergadering met de leidende broeders over de ophef in verband met de beriet mielah (besnijdenis) van niet-Joden, maar hij werd niet veroordeeld. In tegenstelling. Hij werd bevestigd in zijn leer
• Paulos stelt dat Torahnavolging in het kader van het B”Ch leidt tot afsterven aan zichzelf, wat juist een kernelement is van dat Verbond. Het moet zo zijn dat het vlees plaats maakt voor de geest (het spirituele).
• Dat spirituele ontwaken beschouwd de wereld als grote bedreiging en daardoor zullen de talmiediem door de wereld vervolgd worden. Vandaar dat de Judaïsten hen weer aan vleselijkheid willen onderwerpen. Ze werken dus voor de wereld en niet voor God
• Het gaat er niet zozeer om van ‘Avraham af te stammen, maar om hem als geloofsvader te hebben (d.i. op zijn wijze op God te vertrouwen, voorafgaande aan het doen van Zijn wil)
H3 (vervolg): In de volgende vijf verzen (vss 10-14) behandelt Paulos een nogal ingewikkeld onderwerp, waarbij hij sommige zaken als voorkennis veronderstelt en dus weglaat[1]. Zoals eerder in deze brief bleek richt hij zich zeker ook tot de Joden (zij die Tenach kennis kunnen hebben).
Wat is voor een niet-Isra‘Eliet de relevantie om ‘kind’ van ‘Avraham te zijn? Want die is geen fysieke afstammeling van hem en heeft geen weet van hem vanuit diens niet-Isra‘Elitische opvoeding. Paulos richt zich in de volgende verzen dus eigenlijk tot Isra‘Eliem/Joden, want die hebben beiden; afstamming en voorkennis van ‘Avraham (vs 9).
Als Paulos stelt dat Joden onder een vloek liggen, dan doelt hij op:
1. Potentieel
Als ze niet juist Torahnavolgen (Dt 27:26)
2. Feitelijk individueel
Door de zondemacht kunnen ze de Torah niet geheel navolgen. Het vlees is te zwak om die macht te weerstaan, waardoor ze blijven zondigen. Om de Torah geheel en zoals het bedoeld is na te volgen is Gods Geest nodig, maar Die heeft God in principe aan elk mens onttrokken[2] (Gen 6:3))[3].
Paulos heeft het niet over Isra‘Els feitelijk collectieve vervloeking, omdat ze God als volk dusdanig hebben getergd en tegen Hem zijn opgestaan (Zijn Torah verkracht). Daarom heeft Hij hen ook nog een tweede keer verbannen[4]. Die tweede verbanning is vele malen ernstiger dan de eerste; het is een verstrooiing (galoet)[5] onder de natiën). Bedenk: Als Isra‘El onder een vloek ligt dan is het helemaal hopeloos gesteld voor de volken[6]. Gods herstelplan hangt dus helemaal af van Isra‘El, want God heeft besloten dit volk centraal te plaatsen in Zijn plan en Zijn besluiten zijn eeuwig. Die verstrooiing van Isra‘El zou echter pas na de dood van Paulos plaatsvinden.
Paulos heeft het dus over de hiervoor genoemd twee soorten vloek van Godswege (vs 10)[7]. Hij stelt expliciet dat iemand door Torah(navolging) alleen geen aanvaarding door God verkrijgt. Er moet geloofsvertrouwen aan vooraf te gaan en ermee in verband te staan. Torah is op zichzelf geen magisch middel om dingen bij God gedaan te krijgen (vs 11). Maar als het samengaat met geloofsvertrouwen dan brengt het God in beweging[8].
Het geeft de beoefenaar ervan (spiritueel) leven (bijvoorbeeld Dt 8:1) en bouwt diens geloofsvertrouwen op. Die gelovige zal door Torahnavolging van betekenis (nut) zijn voor God. Maar dat is wat anders dan verzoend worden met God en behouden worden voor Zijn komende toorn over de schepping. Van nut zijn voor God (Torahnavolging) moet gebaseerd zijn op die verzoening.
Er is dus aanvaard (gerechtvaardigd) worden door God en dat moet Torahnavolging (rechtvaardig worden) tot gevolg hebben. Eerst het ene (fundament) en dan moet (voorwaardelijk) het andere (opbouw) erop volgen. Beiden (fundament en opbouw) zijn eigenschappen van het leven waar Paulos het hier over heeft (vs 12).
Hij benadrukt dat zij die God vertrouwen door het werk van de Here Jezus (en dus wedergeboren zouden horen te zijn) vrijgekocht zijn van de vloek. Die vloek (kataras – vervloeking/iets dat vervloekt is) is het gevolg van de macht van de zonde (binding aan satan). Maar dan komt hij met een ogenschijnlijke tegenstrijdigheid, namelijk dat door de Torah te doen – immers wie veroordeeld aan het hout hangt is volgens Torah van Godswege vervloekt (Dt 21:23) – de Here Jezus de vloek die op de gelovige lag op Zich heeft genomen.
Dit lijkt op wat Paulos eerder noemde in 2:19. Juist door de Torah na te volgen volgt afsterven. In het geval van de Here Jezus had dat zelfs letterlijk de dood tot gevolg. Maar over Zijn dood moet wel gesteld worden dat Hij alleen dat kon – plaatsvervangend de vloek op Zich nemen en de gevolgen ervan dragen –, omdat Hij als Enige een Mens was Die God daartoe kon aanvaarden. Elk ander mens had God daartoe niet aanvaard.
Wat wel scherp voor ogen gehouden moet worden, zoals ook in Galaten 2:19, dat het toepassen van een specifieke Torahbepaling (Dt 21:23) tot gevolg/de kracht had dat de leden van Gods volk, die door hun geloofsvertrouwen in de plaatsvervanging voor hen, door de Here Jezus vrijgemaakt zijn (eksigorasen – macht verlenen/in staat stellen/opheffen van voorgaande[9]) van Gods vloek over de mens sinds de Voortijd.
Als het doen van één Torahbepaling door de Here Jezus (feitelijk het sterven erdoor) verzoening tot gevolg kan hebben, wat zal dan het navolgen van de hele Torah in die vrijgemaakte staat niet voor grote gevolgen hebben! In elk geval geen vervloeking meer door God (Dt 27:26).
Dat zal ook zo zijn, want na Zijn dood bleef de verplichting tot Torahnavolging in stand, zoals de Here Jezus ook na Zijn dood en opwekking tot op vandaag laat zien[10]. Maar eigenlijk droeg de Here Jezus twee vloeken. Namelijk die ten gevolge van tegenwerken van het doel van Torah door de zondemacht in algemene zin (Dt 27:26) en die ten gevolge van het als veroordeelde aan een hout te hangen in specifieke zin (Dt 21:23).
Door zo Zijn plaatsvervangende dood op te vatten wordt duidelijk dat:
• Het een daad was in verband met de Torah
Plaatsvervanging is immers een methode van de Tempeldienst om gelovige vrij te maken van zonde en die Tempeldienst is de kern van Torahnavolging (B.v. Joh 15:13). Alleen Torahnavolging biedt de mogelijkheid satan te weerstaan, omdat Torah immers de enige door God gegeven Weg is om Hem te eren en dienen.
• De Here Jezus ongelijk is aan de Vader
Het is de Vader Die vloeken ordineert, die voltrekt en kan opheffen. Het was de Here Jezus Die de gevolgen van de vervloekingen van de Vader onderging en alleen de Vader hief deze op. De Here Jezus kon dat Zelf niet (vs 13).
Paulos stelt dat dit werk van de Here Jezus het mogelijk maakt dat de zegen van ‘Avraham ook de niet-Isra‘Eliem kan bereiken. Welke zegen is dat? Dat God hem aanvaardde als vertrouweling. Dus de niet-Isra‘Eliem worden door hun geloofsvertrouwen ook aanvaard als leden van Zijn volk. Dat niet alleen. Volgens Paulos zou ook elke gelovige (Isra‘Eliet of niet) de staat terugkrijgen die gelovigen in de Voortijd hadden, namelijk mensen die weer vervuld zouden zijn van Gods Geest (d.i. wedergeboren zouden zijn). Een staat die ‘Avraham echter zelf niet had (vs 14).
Evaluatie
Deze ingewikkelde en wat rommelige passage[11] (vss 10-14) wordt, zoals al gesteld, vaak misverstaan, namelijk:
• Dat alle Joden onder een vloek zouden liggen en dus ongelovig zouden zijn (vs 10).
Maar hoe kunnen Paulos en alle eerste talmiediem dan toch gerechtvaardigd zijn? Het is dus van belang vast te stelen over welke vloek van God Paulos het hier heeft[12].
• Dat Torah een vloek zou zijn, waarvan de Here Jezus de gelovigen vrijgekocht zou hebben.
Maar hoe kan Hij dan door diezelfde Torah te doen de verlossing van God, de Vader, hebben verkregen? Ook bleef de Torah van toepassing op Hem na Zijn dood en tot op de huidige dag (vs 13)?
Belangrijk punt: de Torah zoals Mosjéh die bemiddelde veronderstelt dat gelovigen ‘onder de zondemacht zijn’, zonder verlossing ervan te bieden. Het vrijmaken van de vloek, waar Paulos het hier dus over heeft, gaat dus over iets dat ‘boven’ de Mozaïsche Torah en de Tenachitische godsdienst uitgaat. Later (bijvoorbeeld in de Romeinenbrief) werkt Paulos dat verder uit. Vandaar dat over een Nieuw Verbond[13] gesproken wordt. Het B”Ch veronderstelt namelijk dat verlossing van onder de zondemacht zijn. Dit vertegenwoordigt een betere staat dan daarvoor bekend was (aan Isra‘El). Het is dus ook niet voor niets dat Isra‘El er argwaan voor heeft. Het Nieuwe Verbond staat voor nieuwe, deels onbekende zaken.
In deze passage veronderstelt Paulos nogal veel en diepe Tenach kennis. Hij richt zich hiermee dus op de eerste plaats tegen Joden en de Judaïsten in het bijzonder die de Galaten van de wijs proberen te brengen. Vooral vers 10 is een ernstige belediging voor hen: Joodse gelovigen zijn onder een vloek, want ze kunnen onmogelijk de Torah juist navolgen. Paulos lijkt dan afval van Torahnavolging te leren, maar nauwkeurig zijn leer beluisteren doet verstaan dat dit niet zo is. Zijn doel is bekend e maken dat ware, juiste en zuivere Torahnavolging mogelijk is geworden door de verlossing van de zondemacht. Anders zou zijn argument van de vloek immers ook irrelevant zijn[14].
In vers 12 herhaalt hij ook dat Torahnavolging door God gegeven als enige manier om leven te geven. De woorden “de vloek van de wet” (tis kataras tou nomou; vers 13), worden in de grondtekst vooraf gegaan door het woord ‘ek – weg van’. Helaas in de meeste vertalingen vertaald als ‘van’. Maar dit woord laat zien dat dit past in de context van het onverminderd van kracht zijn van Torah.
Wat wordt bedoeld met de woorden “de vloek van de wet”? De verleiding is groot dit op te vatten als ‘de vloek van de Torah’. Zo heeft de christenheid het ook begrepen. Deels is dat juist. Want zijnde ‘onder de zondemacht’ wordt Torahnavolging inderdaad een zware Weg, want niemand is dan in staat te voldoen aan de juiste Torahnavolging (Mk 10:18; Joh 7:19; Rom 3:10-12). Door de zondemacht zal elke Torahnavolging falen.
Maar is Torahnavolging dan vanuit Gods optiek ook een vloek? Onmogelijk! Want Hij zal daarvan de hartsintentie van de gelovige toetsen en als deze juist is die Torahnavolging waarderen. “De vloek van de wet” moet dus wel wat anders betekenen. Paulos wijst de weg, namelijk ‘de wet’ staat in dit geval voor de wetmatigheid (Grieks nomos) van de zondemacht. Juist dat is ‘de vloek’, waarvan de Here Jezus verlossing bij de Vader heeft verkregen.
De Here Jezus heeft van Zijn Vader verkregen dat de gelovigen dus verlost zijn van de vloek om eindelijk weer Torahnavolging te doen zoals het bedoeld is. Dat dit zo is blijkt uit het tweede deel van vers 13, waarin staat dat de Here Jezus alleen de vloek op Zich genomen heeft of juister: door Zijn Vader vervloekt werd. Het noemen van de specifieke Torahbepaling (Dt 21:23) laat zien dat Paulos de Joden, die de Torah goed kennen, wil overtuigen. Niet-Isra‘Eliem zegt dit immers weinig. Helaas hebben juist zij dit later in de geschiedenis christocentrisch geïnterpreteerd.
“De belofte van de Geest” (vers 14) is vooral een verwijzing naar Jesjajahoe (Bijvoorbeeld Jes. 44:3), maar komt ook voor op verschillende andere plaatsen in de Tenach. Deze belofte is ook iets waar niet-Isra‘Eliem weinig mee hebben. Dat Paulos de vervulling van deze belofte verbindt aan de zegen van ‘Avraham is de verbinding van het ‘Oude Verbond’ met het Nieuwe Verbond. Het laat echter ook zien dat Isra‘El in het Oude Verbond die Geest niet permanent heeft ontvangen. Maar ook dat ze daardoor meestal ‘Avrahams ware kinderen niet zijn, hoewel ze fysiek van hem afstammen!
+++
[1] Dit is een eigenschap van de Bijbel, waardoor lezers helaas nogal eens verkeerde conclusies trekken. Bijvoorbeeld dat niet noemen zou betekenen dat het voorgaande niet langer van belang zou zijn. De leesregel is echter dat het voorgaande altijd van belang is, tenzij expliciet wordt gesteld dat dit niet meer zo is.
[2] Daarvoor is Isra‘El niet verantwoordelijk, maar het voorgeslacht van ’Adam tot en met Noach.
[3] Er zijn wel uitzonderlijk vrome mensen, die God later de Geest geeft. Niet in de zin van wedergeboorte/verlossing, maar tijdelijk, zoals Mosjéh, profeten en enkele koningen.
[4] Merk op dat de galoet van Isra‘El dus in verband staat met ontrouw aan het Mozaïsche verbond en niet, zoals de meeste christenen geloven, omdat ze de Here Jezus niet hebben aangenomen.
[5] Zoals door Mosjéh aan Isra‘El is aangezegd (Dt 4:27; 28:64).
[6] Immers, ‘Adam en zijn nageslacht werden eerder door God vervloekt (Gen 3:17-19).
[7] Eigenlijk door de onder punt 2. genoemde zondemacht.
[8] Echter, niet zozeer één-op-één. Ook Zijn Gods daden als gevolg van Torahnavolging vanuit geloofsvertrouwen niet altijd (meteen) voor mensen zichtbaar of merkbaar.
[9] Hier ligt het punt van de ernstige vergissing van de christenheid. Niet de Torah is door de kruisdood opgeheven, maar de vloek van God op hen die onder de zondemacht zijn. Die vloek heeft immers niets met de Torah te maken (Rom 7:12).
[10] Toch beweert de christenheid dat de Torahnavolging is opgeheven door de dood van de Here Jezus. Een ernstig misverstaan van Zijn dienst aan God tot op vandaag.
[11] Deze passage is ingewikkeld en rommelig overgeleverd. Het kan goed zijn dat het luid en duidelijk was voor zijn eigen generatie. Maar het was de christenheid er nogal wat aan gelegen om te breken met de Isra‘Elitische godsdienst.
[12] Zoals hiervoor aangegeven bestaan er meerdere soorten vervloekingen van God. Die door de zondemacht is door de plaatsvervangende dood van de Here Jezus door God, de Vader, opgeheven voor een ieder die daarin gelooft.
[13] Vernieuwd Verbond eigenlijk.
[14] De vloek van de zondemacht heeft alleen betekenis, omdat het de overtreding van Torah tot gevolg heeft en het onmogelijk maakt dit tegen te gaan. Zonde staat immers in Bijbelse zin alleen voor Torah overtreding.
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 3:10-14


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 3:10-14"