Parasjah Wajechie: En hij (Jakob) leefde

De hedendaagse grot van de aartsvaders in Hebron, Israël. Beeld: Wikimedia
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone
Print Friendly, PDF & Email

De twaalfde sidra‘ (Gn 47:28-50:26) – de laatste in Genesis/Bere‘sjiet – gaat over het levenseinde van Jakob. Het is een gedeelte vol met wonderlijke gebeurtenissen, zoals (Messiaanse) profetieën, zegeningen en de verrassende uitbreiding van Jakobs huis.

Maar Wajechie, de Parasjah van deze week, is ook een gedeelte over verdriet en rouw. De laatste ro‘sj in het huis van Abraham, Jakob, de man waar dit boek op uitliep, stierf.

Jakob leefde (jechie) tegen zijn verwachting in nog 10 + 7 jaar in Egypte. Jozef had ook 17 jaar gewoond in het huis van zijn vader Jakob voordat hij verborgen voor hem werd (Gn 37:2). Het lijkt op een soort genoegdoening van Godswege. Toen Jakob echter bedlegerig werd en voelde dat het einde van zijn lange leven naderde, riep hij zijn zoon Jozef. Jakob liet hem zweren dat hij hem zou begraven bij zijn vaderen in het beloofde Land. Hij wilde niet in het heidense land Egypte begraven worden. Dat zou strijdig zijn met de Landsbelofte. Alleen Jozef zou dat kunnen regelen. Hij beloofde het zijn vader. Daarna dankte Jakob God (Gn 47:31). Later maakt hij zijn wens over zijn begraafplaats ook aan zijn andere zonen bekend; In Makpelah bij Hebron. Dan blijkt dat hij daar eerder ook Lea begraven had (Gn 49:31).

Jakob adopteert Jozefs zonen

Toen werd Jakob ziek (choléh). Dat Hebreeuwse woord wordt hier voor het eerst gebruikt in dit boek. Welke ziekte Jakob had is onbekend. Toen Jozef, die toen rond de 55 jaar was, ervan op de hoogte werd gebracht nam hij zijn twee zonen Manasse en Efraïm mee. Jakob ging rechtop zitten op zijn ligbed en vertelde Jozef wat hem van Godswege was overkomen. Jakob noemde God ‘El Sjaddaj net zoals zijn vader Izak deed (Gn 28:3) en Jozef deden (Gn 43:14).

Hij vertelde Jozef wat Izak hem had aangezegd (Gn 28:3-4) en hoe dat even later door God bij Loez werd bevestigd (Gn 28:13-15). Toen adopteerde Jakob Jozefs zonen alsof ze aan Jakobs huis waren geboren. Andere kinderen die Jozef eventueel nog zou krijgen zouden tot Jozefs Egyptische huis behoren.

Jakobs zegening van Efraïm en Manasse

Bij het zegenen van de twee zonen lijkt Jakob, die slechtziend was geworden, een fout te maken. Hij zegende de jongste, Efraïm, met zijn rechterarm en de eerstgeborene, Manasse, met linkerarm (kruislings). Toen Jozef dit wilde corrigeren gaf Jakob tweemaal aan dat hij heel goed wist wat hij deed. Jakob maakte Efraïm tot eerstgeborene in zijn huis net als Ruben (Gn 48:5). Ook zijn vader Jozef was eerstgeborene bij zijn grootmoeder Rachel. Jakob profeteerde dat Efraïm groter zou zijn dan zijn broer en dat zijn zaad een volheid zou zijn van de natiën. Jakob was dus een profeet.

Het laatste gedeelte van de zegening van Efraïm wordt door sommigen in verband gebracht met woorden van de apostel Paulus. Hij schreef over het uitstel tot de eindtijd van de glorierijke staat van Israël ten gunste van de natiën (Rm 11:25). Dit is echter een te optimistische interpretatie. Het ligt voor de hand dat de woorden van Jakob wijzen op Efraïms toekomstige schandelijke optreden als voorloper op Judah in afvalligheid en gelijkvormigheid aan de goddeloze natiën.

Efraïm zal later de aanvoerder worden van het koninkrijk van 10-stammen die zich afscheurde van Israël en van God. De Bijbel is uitermate negatief over Efraïm. Het lijkt er dan ook meer op dat het laatste deel van Jakobs profetie erop wijst dat hij zal uitblinken in de vermenging van Israëlieten met de heidenen zoals ook Radak (Rabbi David Kimchi (1160-1235)) terecht stelt.

Jakob zegent zijn 12 zonen

Jakob riep daarna ook zijn andere zonen bij hem om ze een profetische zegening te geven. Jakob stelde dat de stam Simeon verstrooid zal raken in Israël (diens stamverband verliezen), maar Levi zal eruit opgedeeld worden. Jakob stelt dat Judah zich zal ontpoppen als de (militaire) leider van Israël, maar ook dat hij recent is opgeklommen onder zijn zonen door wat hij deed voor zijn broer die Jakob was afgenomen.

Uit Judah zou de Messias voortkomen, die Vredevorst (Sjieloh) zal blijken te zijn. Jakob lijkt Jozef echter de aartsvaderlijke zegen te geven (vergelijk Gn 27:28-29) en dat is opmerkelijk, want Jozef kon nooit de patriarch worden van Jakobs huis. Hij behoorde immers tot Farao’s huis. Deze zegen van Jakob moet daarom bedoeld zijn voor Jozefs zonen, Efraïm en Manasse, maar heeft specifiek betrekking op Efraïm. Dat creëert spanning met Judah, die Jakob als patriarch op zou volgen. Jakob noemde Jozef ook terecht afgezonderde (Nezier) van zijn broers (Gn 49:26); hij staat buiten hun kring.

Deze woorden, samen met Jakobs profetie over Efraïms toekomst, moet in verband staan met Jozefs speciale ro‘sj status. In de Babylonische Talmoed (Soekah 52a) wordt gesteld dat ook uit Jozef een Messias zou voortkomen. Hier blijkt dus opnieuw een nieuwe eigenschap van de ro‘sj. In Genesis 49:26 wordt zelfs letterlijk het woord ro‘sj genoemd, hoewel niet in de hier bedoelde betekenis. Dus zowel Jozefs/Efaïms als Judahs nageslacht (geheel Israël) zouden in direct verband staan met de komst van de Messias.

Echter, in de Bijbel wordt er maar één Messias van Israël (in een generatie) genoemd en dat is ook het officiële standpunt van de rabbinale orthodoxie. Via Efraïm zou de Messias in verband komen met de volheid van de natiën (melo‘ haggojim) en dat voorkomt dat Gods volk uiteindelijk vervalt in particularisme (uitsluiten van niet-Israëlieten van Gods volk). In beide gevallen moeten de woorden ‘geheel’ en ‘volheid’ echter figuurlijk en collectief worden opgevat en niet letterlijk. Ze staan voor een kleine minderheid, een rest (uit de mensheid), die het geheel representeert.

Jakobs begrafenis

Enige tijd later stierf Jakob. Jozef laat Jakob balsemen en bewenen. Daarna vroeg hij de Farao toestemming om Egypte te verlaten om zijn vader in het land Kanaän te begraven. Het werd een Egyptische staatsbegrafenis. Zelfs de Kanaänieten waren onder de indruk van de zware rouw die de stoet vertegenwoordigde. De zonen van Jakob begroeven hun vader bij Mamre‘.

Na terugkeer in Egypte werden de broers van Jozef bezorgd. Ze dachten dat Jozef misschien terug zou komen op het kwaad dat ze hem vroeger hadden aangedaan. Ze brachten Jozef in herinnering dat Jakob hem had gevraagd om hun misdaad en zonde tegen hem te vergeven (Gn 50:17). Maar Jozef stelde hun gerust door te stellen dat hij onder God stond en niet Zijn plaats innam.

Dit is een fundamentele vaststelling over de bediening van de ro‘sj. De broers hadden kwaad bedacht over Jozef, maar God had het goede bedacht, zodat zij in leven bleven. Jozef kan dan wel de nieuwe ro‘sj zijn maar het is God Die hem bevestigd. Jozef zou (namens God) voor hen zorgen.

Jozef leefde nog 55 jaar en zag het nageslacht van Efraïm tot in het derde geslacht. Jakobs dood bleek dus uiteindelijk rond het midden van Jozefs leven te zijn gebeurd. Voor Jozefs dood hield hij zijn broers voor dat God hen zou terugbrengen naar het beloofde Land. God zorgde voor hen en hun nageslacht zou dus doorgaan. Hij droeg hen op dat ze bij hun terugkeer zijn beenderen zouden meenemen en daar, in Sichem, te begraven.

In de volgende parasjah zullen we zien hoe God Jakobs zonen verlost van Egypte.

Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Facebookreacties
Share on FacebookTweet about this on TwitterEmail this to someone

Be the first to comment on "Parasjah Wajechie: En hij (Jakob) leefde"

Leave a comment

Your email address will not be published.


*