Sjabbats­lezingen: Ik zal u tot een groot volk maken

Torahrol 'Ik zal u tot een groot volk maken' is een belofte die God al deed aan Abra­ham, en die Hij vele malen her­haalde, aan Izak, aan Jakob, aan de profeet Eze­chiël. Een belofte die waar­heid werd in Egypte en nu in deze tijd.

‘Ik zal u tot een groot volk maken’ is een belofte die God al deed aan Abra­ham, en die Hij vele malen her­haalde, aan Izak, aan Jakob, aan de profeet Eze­chiël. Een belofte die waar­heid werd in Egypte en nu in deze tijd.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Wayigash (Toen hij naderde) zijn:
✡ Torahlezingen: Genesis 44:18 – 47:27,
✡ Profetenlezing: Ezechiël 37:15-28,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Lukas 6:12-16.

Gedeelten uit de Torahlezing:
Maak haast, ga naar mijn vader en zeg tegen hem: Dit zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over heel Egypte aange­steld; kom naar mij toe, wacht er niet mee. U kunt in het land Gosen wonen. Dan zult u dicht bij mij zijn, u, uw kinderen en klein­kinderen, uw kleinvee, uw runderen en alles wat u hebt. Ik zal u daar onder­houden – want er zal nog vijf jaar honger zijn – zodat u niet verarmt, u, uw huis en alles wat u hebt.
Zie, jullie ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin zien het, dat mijn mond tot jullie spreekt. Vertel mijn vader over al mijn eer in Egypte en over alles wat jullie gezien hebben. Haast je en breng mijn vader hierheen. Toen viel hij zijn broer Benjamin om de hals en huilde, en ook Benjamin huilde terwijl hij hem omhelsde. Vervolgens kuste hij al zijn broers en hij huilde met hen; daarna [durfden] zijn broers met hem te spreken.
Toen het gerucht dat de broers van Jozef gekomen waren, in het huis van de farao gehoord werd, was het goed in de ogen van de farao en in de ogen van zijn dienaren. En de farao zei tegen Jozef: Zeg tegen uw broers: Doe dit: bepak uw dieren en ga op weg naar het land Kanaän, haal uw vader en uw gezinnen op en kom naar mij toe. Ik zal u het beste (deel) van het land Egypte geven en u zult het voor­tref­fe­lijkste van het land eten. (…)

Zij trokken weg uit Egypte en kwamen weer bij hun vader Jakob in het land Kanaän. Toen vertel­den zij hem: Jozef leeft nog! Hij is zelfs heerser over heel het land Egypte! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Maar toen zij hem alle woorden over­ge­bracht hadden die Jozef tot hen gespro­ken had, en toen hij de wagens zag die Jozef gestuurd had om hem te vervoe­ren, leefde de geest van hun vader Jakob op. En Israël zei: Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan, ik wil hem zien voordat ik sterf.
Israël brak op met alles wat hij had, en hij kwam in Be’er Sjeba; daar bracht hij offers aan de God van zijn vader Izak. En God sprak tot Israël door nach­te­lijke visioe­nen en zei: Jakob! Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik. En Hij zei: Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terug­keren; en Jozef zal uw ogen sluiten.
Toen stond Jakob op (en vertrok) uit Be’er sjeba, en de zonen van Israël vervoer­den hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen op de wagens die de farao gestuurd had om hem te vervoe­ren. Hun vee en hun bezit­tin­gen die zij in het land Kanaän verwor­ven hadden, namen zij mee; en zij kwamen in Egypte aan, Jakob en heel zijn nage­slacht met hem. Zijn zonen en zijn klein­zonen met hem, zijn dochters, zijn klein­doch­ters en heel zijn nage­slacht bracht hij met zich mee naar Egypte.

Genesis 45:9-18, 25-28 en 46:1-7 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing:
Het woord van de HEERE kwam tot mij: En u, mensen­kind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israë­lie­ten, zijn met­ge­zel­len. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn met­ge­zel­len. Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.
Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u bete­ke­nen? Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stam­men van Israël, zijn met­ge­zel­len, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. Die stukken hout, die u beschre­ven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn. En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israë­lie­ten nemen uit de heiden­vol­ken waar­heen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeen­bren­gen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee konink­rij­ken verdeeld zijn.
Dan zullen zij zich niet meer veront­rei­ni­gen met hun stink­goden en met hun afschu­we­lijke afgoden en met al hun over­tre­dingen. Ik zal hen verlossen in al hun woon­gebie­den, waar zij gezon­digd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepa­lin­gen wande­len en Mijn veror­de­nin­gen in acht nemen en die houden.
Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vade­ren gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinde­ren en hun klein­kin­deren, tot in eeuwig­heid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwig­heid hun Vorst zijn.
Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heilig­dom in hun midden zetten tot in eeuwig­heid. Mijn taber­nakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. Dan zullen de heiden­volken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heilig­dom voor eeuwig in hun midden zal zijn.

Ezechiël 37:15-28 (HSV)

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament:
Het gebeurde in die dagen dat (Jezus) naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God. En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde: Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartho­lo­meüs; Mattheüs en Thomas, Jako­bus, de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd, Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.
Lukas 6:12-16 (HSV)

Ik zal u tot een groot volk maken
Het was een hele onderneming voor Jakob en zijn zonen: alles in Kanaän achter laten, spullen op wagens laden, koeien en schapen voor je uit drijven, heel de lange weg naar Egypte. Maar ze moesten wel, want er was te weinig regen gevallen. Het gras was verdord, de graanoogsten waren mislukt, er heerste hongersnood, en Josef had hen uitgenodigd om naar Egypte te komen, waar hij voor hen zal zorgen.
Onderweg, in Be’er Sjeva, op de zuidelijke grens van Kanaän, waar ook vader Izak en groot­vader Abra­ham enige tijd hebben gewoond, bracht Jakob een offer aan God, en in een nachte­lijk visioen bemoe­digt God hem: ‘Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal met u mee­trek­ken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren; en Josef zal uw ogen sluiten.’ In Egypte werden Jakob en de elf broers verenigd met Josef, die zij jaren­lang hadden gemist.
God heeft woord gehouden. Met 70 mannen plus hun vrouwen en kleine kinderen reisde Jakob naar Egypte, en na zo’n 400 jaar trok het volk met rond de 20.000 personen (1) weg uit Egypte, terug naar Kanaän.

Ook aan de profeet Ezechiël gaf God een belofte: de inwoners van Israël, het noordelijke rijk, die in balling­schap zijn weg­ge­voerd door Assyrië, (2 Koningen 17) zal Hij terug­bren­gen naar hun land, en vereni­gen met het zuide­lijke rijk Juda. Zij zullen samen één volk zijn voor God. De profeet noemt daarbij de namen Josef en Juda, broeders die eeuwen eerder in Egypte weer vere­nigd werden na een jaren­lange scheiding.

Is deze hereniging al gebeurd? Gedeeltelijk, denk ik. In de balling­schappen hebben Joodse stam­men grote afstan­den afge­legd, tot in Ethiopië (Beta Israel) en India (Bene Israel). (2) Een groot deel van hen heeft aliyah gemaakt, is teruggekeerd naar hun oude vaderland. Bij een van de stammen in Afgha­ni­stan zijn typisch Joodse gewoon­ten aange­trof­fen – zijn ook zij nako­me­lin­gen van een verloren stam?
Israël is bezig een groot volk te worden, zoals God beloofde. De bevol­king is toe­ge­no­men van 1,3 miljoen in 1950 tot 9,7 miljoen in 2022, waarvan 73% zich tot het Joden­dom rekent. De bevol­king groeide volgens de OECD de afge­lo­pen jaren met rond de twee procent per jaar (behalve de afge­lo­pen jaren, toen veel Israëli’s het land verlie­ten wegens de oorlog). Met gemid­deld drie kinde­ren per vrouw heeft Israël het hoogste vrucht­baar­heids­cijfer van de OECD-landen (3).
Maar er moet nog veel gebeuren. Een groot deel van de Israëli’s leeft nog niet volgens Gods bepa­lingen, en Gods knecht David regeert nog niet als Koning, al zijn er velen die verwach­tings­vol uitzien naar de komst van de Messias.

In Lukas 6 lezen we over Jezus’ keuze van twaalf apos­te­len uit de grote groep van zijn volge­lin­gen. Twaalf mannen zouden Hem drie jaar lang van nabij volgen, zijn wonde­ren en teke­nen van dicht­bij mee­ma­ken, onder­we­zen worden in Jezus’ uitleg van de Torah, en na de Pinkster­dag leiding geven aan een groeien­de gemeente van gelovigen.

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Geen jaloersheid maar broederliefde, Genesis 43 en 45,
Beproefd en getrouw gebleken, Genesis 44,
Vrijgekocht tot Gods eigendom, Genesis 47.
(1) Zie Goedbericht en Refoweb.
(2) Zie Israel en de Bijbel.
(3) Zie Wikipedia.

1 reactieop"Sjabbats­lezingen: Ik zal u tot een groot volk maken"

  1. Marco van Putten | 24/12/2025 om 18:47 | Beantwoorden

    Steeds duikt het vermeende mysterie over de verloren 10 stammen van Isra’El op. Ook in bovenstaande artikel. Maar in de Bijbel staan daarover toch redelijk duidelijke aanwijzingen dat er geen mysterie is en geen verloren stammen. Het tegendeel blijkt uit die aanwijzingen. Een deel van Isra’El is en zal verloren gaan uit eigen verkeerde keuze en van Godswege. Bijvoorbeeld door geen gehoor te geven om naar het beloofde Land terug te keren, maar in de ballingschapsoorden te blijven. Of om te volharden in het afwijzen van Gods herhaalde uitnodigingen terug te keren naar het volksverband.

    Echter nadat het Babylonische rijk het Assyrische rijk innam zijn natuurlijk de Isra’Elische ballingen in het noorden en de Judese ballingen in het zuiden van Mesopotamië met elkaar in contact gekomen. Bijvoorbeeld op gedenk- en feestdagen of voor Torahstudie.

    Toen de Perzen het Babylonische rijk innamen moeten ook Isra’Elische ballingen naar het beloofde Land zijn mee teruggekeerd, want namen van de 10-stammen worden daarna in de Bijbel genoemd (b.v. Lukas 2:36; Joh 11:54). Om over de met Isra’El naar Assur afgevoerde Levieten en Kohaniem maar te zwijgen.

    We moeten Gods waken over heel vroom Isra’El niet onderschatten!

    Groet, M. van Putten

Geef een reactie