Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – 1 Petrus 5

white and blue cloudy sky

Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.

In de vorige hoofdstukken bracht de auteur van deze brief de volgende punten naar voren:

• Dat Petros’ doelgroep – talmoediem (leerlingen van de Here Jezus Joods of niet); Gods volk – gewijd is aan God, de Vader, en daardoor vreemdelingen voor deze wereld. Dat geeft strijd (vervolging en lijden), maar spoedig zal het huidige bestel door de komst van de Messias opgeheven worden[1].

• Hij herhaalt steeds dat hun wijding concreet wordt door Torahnavolging en het loslaten van het vroegere leven, waarin begeerten van het vlees centraal stonden.

• Hij legt steeds parallellen tussen het leven van de Here Jezus en wat Hij erdoor bereikte met het leven van de talmoediem. Dit moedigt aan om Hem na te volgen, maar betekent dus ook om gehoorzaam te zijn aan (bepalingen van) de aardse instellingen zoals Hij dat was.

• Hij stelt dat verdrukking die de talmoediem ondergaan van Godswege komt om ze meer van nut te maken.

• Hij gaf algemene en bijzondere (huwelijks) richtlijnen.

H5: Petros vermaant de hoogste lokale leiders van Gods volk – presbuterous (Hebr. zeqaniem) – om herders (poimanate) te zijn van de kehillah (de kudde (poimnion)) van God[2]. Hij noemt zichzelf op het moment van het schrijven van deze brief een ambtsgenoot, terwijl hij toch door de Here Jezus apostel was gemaakt[3]. Maar dat niet alleen. Hij was ook getuige (martus) van het lijden van Zijn Meester. Dat maakt zijn boodschap in deze brief ‘gewichtiger’, dan andere argumenten (verzen 1-2).

Hij noemt positieve eigenschappen die oudsten (d.i. herders) zouden moeten hebben en stelt daar parallel de tegengestelde houding tegenover (verzen 2-3)[4]. Als de Opperherder (archipoimenos) – de Messias – komt, dan zal Hij hen belonen voor hun goede werken; ‘de niet verwelkende krans van glorie[5]’ (ton amarantinon tis doksis stefanon) genoemd (vers 4).

In contrast met zijn boodschap voor de zeqaniem/oudsten spreekt Sjim’on vervolgens de jongeren (Hebr. tse’ieriem) in de kehillah aan[6]. Het is immers te verwachten dat zij onstuimig, onervaren en roekeloos zijn[7]. Hij raadt hen de oudsten van de geloofsgemeenschap toch te gehoorzamen.

Midden in dit vers 5[8] spreekt Sjim’on weer alle talmoediem aan met de woorden “en allen” (de pantes)[9]. Hij raadt hen met klem om onderling nederig te zijn[10]. God zal die nederigheid zien en een bijzondere begunstiging geven, maar wie dat niet doet zal Hij actief tegenwerken (Spr 3:34). Hij roept daarom met klem op om juist nederig te zijn onder Zijn machtige Hand[11], zodat Hij hen zal verhogen te Zijner tijd (vers 6).

Hij roept vervolgens alle leden van de kehillah op om hun zorgen (tin merimnan) aan Hem voor te leggen, want Hij zorgt ook voor hen (vers 7). Maar ze moeten wel realiseren dat er de tegenstander (ho antidikos) is. Dat is satan (diabolos) die een felle oorlog voert tegen Gods volk, dus ook tegen zijn doelgroep. Petros roept hen op om beheerst waakzaam (nepsate gregorisate) te zijn en satan standvastig te weerstaan (antistete stereoi) door in het geloofsvertrouwen te staan. Beseffende dat ook andere gelovigen in de geloofsgemeenschap elders in de wereld dezelfde lijdensstrijd (auta toon pathimatoon) ondergaan (vers 9). God zal te hulp komen en doen groeien. De woorden waarin dit uitgedrukt wordt zijn: katartisei – volledig toerusten, stiridzei – standvastigheid geven, sthevoosei – versterken en themelioosei – stevig funderen (vers 10).

In sommige manuscripten is de verheerlijking van God, de Vader, in vers 11 uitgebreider dan in het meederheidsmanuscript. Waarschijnlijk omdat het onterecht wordt geïnterpreteerd als een verheerlijking van de Here Jezus.

Petros rond af met een redactionele noot. Silvanus heeft deze brief voor hem opgesteld. Silvanus wordt in de Bijbel herhaaldelijk genoemd als reisgenoot van de apostel Paulus. Veelal wordt aangenomen dat het een niet-Joodse (Griekse) talmoedie was, maar het is meer voor de hand liggend, Paulus kennende, dat hij een Jood was. Maar Petros noemt hem een “betrouwbaar broeder” en dat lijkt ook een codewoord voor een Joods gelovige, want die bagage valt niet te overschatten.

Deze brief was bedoeld om te bemoedigen (parakaloon) en te betuigen (epimarturoon) wat de ware genade Gods is, waarin de lezers vaststaan (vers 12).

Waarschijnlijk was Silvanus zelfs ook iemand die tot dezelfde godsdienstige groepering behoorde als die van Paulus (de Fariziem). Want, hoewel de Fariziem niet bepaald geliefd waren voor hun samen heulen met de Romeinen en de Tsaddiqiem (de Tempel-elite), stonden ze toch bekend als zeer nauwkeurig en Bijbelgetrouw[12]. Wat wel logisch lijkt is dat Silvanus uitstekend Grieks kon schrijven.

Petros geeft de groeten door van de mede-gekozenen (van de geloofsgemeenschap) in Babylon[13]. Net zoals die van “mijn zoon” Markos (vers 13). Bekend is dat Petros getrouwd was voordat hij de Here Jezus ging navolgen, maar niet dat hij een zoon had die zo heette. Deze Latijnse naam van de Romeinse god Mars ligt ook niet zo voor de hand in Joods godsdienstig gezin. Daarom nemen velen aan dat het om Jochanan Markus gaat die elders in de geschriften van het Nieuwe Verbond (Het Nieuwe testament) genoemd wordt. Waarschijnlijk was hij net als zijn oom Bar-Nabas een Cyprioot (diaspora Joden die vaak een Grieks/Romeinse naam (hadden aangenomen)).

De laatste verzen van deze brief zijn verschillend in diverse manuscripten. In sommigen staat in plaats van “de mede-gekozenen in Babylon” echter “de gemeente/geloofsgemeenschap (ekklesia) in Rome”. Ook wordt in plaats van “kus der liefde” de woorden “heilige kus” gesteld.

De brief wordt op Joodse wijze afgesloten met de wens sjalom ’alejchém – welvaart aan jullie allen. Dat niet in algemene zin, maar specifiek omdat ze Messiaans (Grieks: in Christooi) zijn.

+++
[1] In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt betekent dit opheffen van het hedendaagse heidense bestel op de aarde door de Messias nog geen definitieve opheffing. Dat laatste vereist immers een nieuwe schepping.
[2] Deze vermaning wijst er dus op dat hij weet dat dit vaak niet zo is. Dat oudsten vaak niet of onjuist optreden. Blijkbaar wordt het ambt van oudste (zaqan) door zijn doelgroep niet gezien als herder. Dit wijst erop dat hij spreekt tot niet-Joodse gelovigen, want Joodse gelovigen weten vanuit het Jodendom hoe een oudste hoort te functioneren in de lokale kehillah.
[3] Het apostelschap is een ambt dat volgens de Bijbel in hiërarchische zin boven dat van een oudste staat (Ef 4:11), maar wel onder het hoogste ambt van kohen gadol (Isra’Elitisch hogepriester; 1 Kor 11:3).
[4] Blijkbaar kwam die negatieve houding vaak voor.
[5] Zo’n krans werd in de Grieks/Romeinse wereld uitgereikt aan zij die een (sport)prestatie hadden geleverd; de (over)winnaars. Vaak waren die kransen gemaakt van takken van de olijfboom. Maar zulke kransen verwelkte al gauw na een aantal dagen, zoals ook de eer die met de krans verbonden was ook na enkele weken/maanden verminderde.
[6] Daarin wordt impliciet de regel gegeven dat het ambt van oudsten alleen door ouderen (bijvoorbeeld mannen met een leeftijd van 60+) vervuld mag worden en niet door jongeren. Dat ambt vereist immers levenservaring, wijsheid en doorleving van Torahnavolging over langere tijd.
[7] Vooral zij die een Grieks/Romeinse achtergrond hebben, want in die cultuur staat kracht, (sport)prestatie en verwerven van eer heel hoog in het vaandel.
[8] Dit laat zien dat de vers indeling die christenen later hebben toegevoegd aan de Bijbel nogal eens verkeerd is en daardoor het lezen vermoeilijkt en de lezer op het verkeerde been kan zetten. Deze vers indelingsfouten laten zien dat de verzen verkeerd begrepen werden.
[9] Sommigen vertalingen doen voorkomen alsof Petros alle jongeren in de geloofsgemeenschap aanspreekt. Maar dan is het niet duidelijk waar Petros weer alle leden aanspreekt, zoals in de vorige hoofdstukken. Uit op wat volgt in dit hoofdstuk blijkt dat hij weer alle talmoediem aanspreekt.
[10] Hoewel dat door heidenen juist opgevat wordt als minderwaardig en/of zwak. Dit is dus opnieuw het punt dat hij eerder naar voren bracht, namelijk dat talmoediem door hun doen en laten ongunstig opvallen onder de heidenen. Dat levert strijd op, maar dat moet zo zijn.
[11] De (Rechter)Hand van God wordt in Bijbelse zin in verband gebracht met de Here Jezus Die werkt in en onder gelovigen door Gods Geest. Maar volgens Petros is dat dus voorwaardelijk en zoals in de praktijk wordt ook vaak niet aan die voorwaarde/eis voldaan.
[12] Blijkbaar waren dit dus nog niet voldoende eigenschappen om open te staan voor Gods Geest. Sterker, het kan belemmeren, zoals uit de Bijbel blijkt.
[13] Sommigen interpreteren specifiek de stad Babel, maar de geloofsgemeenschap kan toentertijd wel eens een regionale functie hebben gehad en dan is Babylon op te vatten als Babylonië (grote regio in het huidige Iraq).

Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – 1 Petrus 5"

Geef een reactie