Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 2

white and blue cloudy sky

Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.

In het vorige artikel in deze serie kwamen de volgende zaken naar voren:
• De reden waarom Paulos de titel ‘apostel’ en dat voor de niet-Joden gebruikt
• Wat zijn voorgeschiedenis is in verband met zijn apostelschap
• Dat hij ernstig teleurgesteld is dat de geloofsgemeenschappen in Galatië zich laten beïnvloeden door een verdraaiing van het evangelie (de goede boodschap) van de Here Jezus

H2: Volgens Paulos had zijn eerste zendingsreis maar liefst 14 jaar geduurd! Andere manuscripten hebben hier overigens tessaroon – 4 jaar. Het gaat in elk geval om de tijd dat Paulos niet meer in Jeroesjalajim (Jeruzalem) was geweest sinds zijn bezoek enkele jaren na zijn omkering (1:18). Hij stelt dat hij sinds zijn omkering met niemand contact heeft gehad uit Jehoedah (Judah) en vooral niet met iemand uit Jeroesjalajim (het Joods-godsdienstige centrum dat zeer anti-Natsriem (volgelingen van de Here Jezus) was). Deze opmerking is van belang om ermee aan te geven dat zij hem niet persoonlijk kenden en dus geen door hem beïnvloed oordeel over hem zullen vellen.

Nu trok Paulos samen met Bar-Nabas en Titus terug naar dat centrum van het Jodendom. De vermelding van Titus is van belang, want hij wordt nergens genoemd in het Bijbelboek Handelingen. Algemeen wordt aangenomen dat de hiergenoemde reis naar Jeroesjalajim plaatsvond in de winter van 50 CE (Hnd 15). Misschien vertrok hij zelfs voor de winter (49 CE) in verband met de ongunstige weersomstandigheden.

Hij ging naar die stad om het grote meningsverschil die ontstaan was onder de Natsriem over het punt van wat nu de Beriet Mielah (besnijdenis) wordt genoemd. Een groot aantal Joodse talmiediem (discipelen van de Here Jezus) stelde terecht dat ook niet-Joden dit moesten ondergaan wilde de geloofsgemeenschap vrij met elkaar kunnen omgaan. Dit meningsverschil speelde vooral onder de talmiediem in Antiochië, waar Paulos na zijn terugkeer van zijn eerste zendingsreis verbleef (Hnd 14:26). Tijdens die zendingsreis zou Titus zich bij hen hebben gevoegd. Misschien ter vervanging van Jochanan Marcus die de reis had afgebroken en was teruggekeerd (vs 1; Hnd 13:13).

Paulos ging naar Jeroesjalajim door een openbaring (apokalupsin). Meestal wordt gedacht aan een openbaring van Godswege, maar het kan ook zijn dat hij een bericht had ontvangen uit Jeroesjalajim over wat zich daar afspeelde. Paulos stond namelijk in het middelpunt van ernstige verdachtmakingen dat hij overal afschaffing van de Torah (voor niet-Joden) zou leren. Maar in aansluiting op eerdere woorden van Paulos, namelijk dat hij door God geïnspireerd was (Gal 1:1, 11-12, 15-16), lijkt een openbaring van God meer logisch. Ook omdat in de hier genoemde teksten dezelfde Griekse grondwoorden worden gebruikt. Dan zou God besloten hebben dat het moment daar was dat dit zwaarwegende punt (de Torahverplichting van niet-Joden) apostolisch (voor de hele geloofsgemeenschap en voor alle tijden) bepaald zou worden.

Aangekomen in Jeroesjalajim zette Paulos aan de leidende broeders van de Natzriembeweging[1] (zie vers 9) uiteen welke boodschap hij de niet-Joden leerde. Een belangrijk toets moment voor zijn zendingswerk. Hij wilde van hen weten “me poos eis kenon trechoo e edraumon” – of hij zich mogelijk zinloos inspande of had ingespannen (vs 2).

Dan volgt een belangrijke en interessante tussenzin. Waarschijnlijk had Paulos opzettelijk de niet-Jood Titus meegenomen naar de vergadering om te zien wat er zou gebeuren. Titus werd echter door geen van de Joodse talmiediem aangezet (enagkasthi) om zich te laten besnijden, nadat ze hem over zijn zendingsboodschap hadden gehoord (vs 3).

Paulos, zelf van Fariziemhuize, noemt de Joodse talmiediem die niet-Joodse mannen meteen na het toetreden tot de geloofsgemeenschap dwingen zich te besnijden schijn-broeders (pseud-adelfous). Zij hebben volgens hem niet doorgrond waarop Habberiet Hachadasjah (Het Nieuwe Verbond) gebaseerd is of dat weigerde aan te nemen. Hij verwijt hen dat ze waren gekomen om onze vrijheid (tin eleutherian hemoon) te bespioneren. Zij waren toegetreden in de geloofsgemeenschap onder valse voorwendselen (parei-saktous). Zij wilde de talmiediem – uiteraard vooral de niet-Joden – tot slavernij brengen (katadouloosousin).

Impliciet stelt Paulos dat hun intentie gebaseerd was op een verkeerde Torahinterpretatie, namelijk alsof Torahnavolging iets te maken zou hebben met slavernij. Slavernij komt juist van menselijke, in plaats van Bijbelse, bepalingen. Vooral van belang is het herhaaldelijke gebruik van het woord hemoon – onze (vrijheid). Paulos drukt daarmee de eenheid van de talmiediem (Joods of niet) uit. Hun ernstige dwaling ging wat Paulos betreft alle talmiediem (Joods of niet) aan (vs 4).

Uitwijding: slavernij/vrijheid
Als Paulos het heeft over slavernij, dan gaat het om eigendom-zijn van iemand anders. Deze brief gaat erover dat talmiediem, die zich aanvankelijk richtte op het spirituele eigendom-zijn van God (Paulos noemt zich in die zin ook doulos – slaaf/knecht (vs 10)), zich vervolgens opnieuw richten op het slaaf-zijn in aardse zin. De staat die ze hadden voordat ze talmied werden. Talmiediem zijn echter menselijke zonen van God geworden[2] en daarmee verlost/vrij van de macht van de boze wereld.

In specifiek Joodse zin bedoelt hij het diepere punt van Joods wetticisme, waartegen de Here Jezus Zich ook fel keerde (bijv. Mat 23:15, 23-24). Het is opmerkelijk dat Paulos het Joodse wetticisme, waarvan hij eertijds zelf een fanatiek verdediger was, hier in verband brengt met (religieuze) slavernij. Ware godsdienst wil God vanuit liefde en vertrouwen dienen en eren en komt tot groei en ontplooiing. De talmied vindt diens plaats in Zijn Koninkrijk. Maar ook zo’n ‘vrije’ (d.i. verlost van de macht van satan) heeft te maken met schaarste, verplichting, beperkingen en orde.

Het is lasterlijk de hier genoemde vrijheid op te vatten als algehele vrijheid, zoals in de christenheid gebeurt. Bovenal doordat het de Torah als opgeheven opvat. Dat is hoogmoed. De oerzonde die satan deed, waardoor hij in een onverzoenbare staat ten opzichte van God is terecht gekomen. Een lot dat zulke christenen ook wacht (Hebr 10:28).

Paulos en zijn metgezellen waren op geen enkel moment voor de Judaïsten geweken, zodat de waarheid van het evangelie (he aletheia tou euangeliou) de Galatische talmiediem zou bereiken (vs 5). De leidende broeders in Jeroesjalajim keurde het onderricht van Paulos en zijn metgezellen op het zendingsveld niet af noch hebben ze eraan toegevoegd (vs 6). Sterker, ze werden aanvaard als zendelingen voor de niet-Joden die Gods bijzondere genegenheid hadden ontvangen. Deze niet-Joden worden hier opzettelijk akrobustias – voorhuiddragers genoemd. Dit in contrast met Petros (en zijn mede-apostolen), want zij zouden zich met hun onderwijs richten op de “ tis peritomis – de besnedenen/zij die zonder voorhuid zijn. Hiermee wordt dus impliciet gesteld dat de voorhuiddragers werden getolereerd binnen de geloofsgemeenschap (vs 7).

Van het onderricht voor niet-Joodse talmiediem wordt hier nadrukkelijk gesteld dat het dezelfde enirgisen – energie heeft als het onderricht voor Joodse talmiediem. Ze doen dus geenszins voor elkaar onder. Hoewel de boodschap iets anders is, is de doorwerking (energie) hetzelfde. Beiden bouwen naar Koninkrijk Gods (vs 8). Om dat nogmaals te bevestigen staat er dat de leidende broeders Paulos en zijn metgezellen de broederhand reikten. Daarmee was overduidelijk geworden dat zij geen afval van Torah onder de ethni – volken leerden, maar juist onderricht gaven overeenkomstig het beriet chadasjah (B’’Ch) (vs 9).

Het enige wat de leidende broeders aan Paulos en zijn metgezellen opleggen is dat zij de armen van Jehoedah (Jeroesjalajim) zouden gedenken. Zij hebben zich bijzonder ingezet om die mitswah (Torahbevel) te vervullen aan hun broeders in de Jehoedah (vs 10).

Dan komt Paulos ter zake over de bedoeling van deze brief: de toepassing van de Torah in het kader van B”Ch. Het voorgaande is dus de lange inleiding daartoe. Deze toepassing is een correctie zoals die eertijds werd toegepast, maar werd besloten door de leidende broeders in Jeroesjalajim. Dit is beschreven in Handelingen 15:19-21. Blijkbaar was die correctie nog niet goed vastgesteld en doorgedrongen. Ondanks dat het al in de Tenach expliciet staat dat God altijd al wilde dat niet-Joden toegang zouden hebben tot Zijn volk en dat dit niet beperkt mocht blijven tot Isra‘El (Hnd 15:14). Maar het bleek ook niet doorgedrongen bij door Geest vervulde apostel Sjim’on Petros (vs 11).

Hij ging blijkbaar nog steeds uit van de exclusieve plaats van Isra‘El onder de talmiediem op basis van diens gehandhaafde privileges in het B”Ch. Toegegeven, het was ook niet makkelijk te bevatten en te verwerken voor de eerste Joodse talmiediem. Zelfs vandaag zien Joden het opgeven van hun exclusivisme als de totale ondermijning van Isra‘Els bestaansrecht; het opgeven van het volksverband. Maar daarvan (opgeven van Isra‘Els bestaansrecht, privileges en/of diens volksverband) is in het B”Ch volstrekt niet van toepassing[3], maar wel het verwerpen van elke vorm van exclusivisme binnen Gods volk (vs 12).

De schadelijkheid van het gedrag van Petros blijkt uit de aantrekkingskracht ervan. Ook andere Joodse talmiediem volgde zijn voorbeeld. Zelfs ook Bar-Nabbas. Dit gedrag was niet onschuldig kinderlijk en slechts ongunstig voor de zending onder niet-Joden. Het gaat in tegen een hoofdfundament van het B”Ch. Namelijk, dat het volbrachte werk van de Here Jezus op aarde en wat Hij daardoor van God verkreeg; de verzoening van de overtreding van ‘Adam, de eerste gelovige. Exclusivisme negeert dat en beperkt het tot Isra‘El. Dat verloochent daarmee de Here Jezus (vs 13).

Paulos wijst hier niet theologische denken[4] terecht, maar levenswijze (dzes). Het zegt dat Petros inconsequent is in godsdienstige zin en daardoor verwarring schept onder niet-Joden. Paulos benadrukt immers dat het boven alle twijfel staat dat niet-Joden op Joodse wijze moeten gaan leven[5]. Dat blijkt uit het woord anagkadzeis – aandringen/erop staan in verband met Torahnavolging[6]. Niet-Joden Torahnavolging afdwingen is niet toegestaan. Met de openlijke terechtwijzing van Petros werd echter ook aan de broeders uit de kring van Ja’aqov (Jeroesjalajim) die in Antiochië op bezoek kwamen duidelijk dat hij wel heel vrij was omgegaan met de niet-Joden (vs 14).

Uitwijding: levenswijze
Het is belangrijk te begrijpen dat er in de Bijbel maar één weg (levenswijze) bestaat om voor God te leven. Er bestaat immers maar Één God. Deze levenswijze heeft een kader, met daarbinnen bepalingen met ruimte voor lokale gebruiken. Maar deze weg is niet statisch. In de tijd van Paulos was het Judaïsme in opkomst en daar konden de talmiediem niet omheen of het negeren. Sterker, de Here Jezus roept op om het te respecteren (Mt 23:3). Ook in verband met de zending onder Joden. Toch lijkt het er op dat Paulos beiden levenswijzen, dat van de niet-Joden (werelds) en van de Joden (Judaïsme) afkeurt als aards (niet-spiritueel).

Paulos legt uit waarom de huichelarij van Petros en anderen zo fout is. Hij stelt dat geboren Joden:
• Geen zondaars zijn, zoals niet-Joden
• Weten dat de rechtvaardiging (in Gods Ogen) niet uit (eks) werken van Torah is, maar door (dia) geloofsvertrouwen
Maar er waren Joodse gelovigen die het ware Bijbelse geloofsvertrouwen leken te hebben aangenomen. Blijkbaar geen gegeven in het Jodendom. Hij stelt daarbij de regel: vlees (d.i. de niet-spirituele mens) kan niet nuttig/van belang zijn voor God. Ook niet als die Gods bepalingen (Zijn weg) uit zichzelf tracht na te volgen. Paulos stelt dat zulk zelf rechtvaardigende religie zinloos is. Met die uitspraak wijst hij niet alleen Judaïsme (feitelijk een wettische religie) scherp af. Maar ook een afwijzing van religiositeit buiten God om. God staat altijd aan het begin en centraal in ware, nuttige godsdienst (d.i. dienstbaarheid aan God) (vss 15-16).

Paulos vraagt Petros en de andere huichelaars: als Joodse-talmiediem zondigen zoals niet-Joden, blijft de zondemacht dan ondanks de komst van de Here Jezus in stand?! Nee, dat is een leugen (het loochent de kernboodschap van het evangelie). Dit is een pittige berisping van Petros en de andere huichelaars (vs 17).

+++
[1] De beweging van talmiediem werd onder de Joden de Natsriem (Nazarenen) genoemd. Zelfs vandaag de dag wordt die benaming van christenen gebruikt, naast de minder populaire benaming Masjiechiem (Messianen) gezien de begrijpelijke Joodse verwerping dat de Here Jezus de Messias zou zijn.
[2] Mensen zijn dus niet langer van geboorte kinderen van God (Mat 13:38-39).
[3] Isra‘Els centrale positie veranderd niet in het B”Ch.
[4] Het onderwerp waarover christenen voortdurend ruzie maken.
[5] Alleen dient hen tijd daarvoor gegund te worden.
[6] Dit erop aandringen geldt alleen voor Joden.

Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 2"

Geef een reactie