Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
Enkele punten die in de vorige lessen over de Galatenbrief naar voren kwamen, namelijk dat Paulos:
• teleurgesteld is dat de Galaten zich laten beïnvloeden door een valse verdraaiing van het evangelie van de Here Jezus door Judaïsten. Hij waarschuwt voor deze ‘binnendringers’
• exclusivisme (het heil beperken tot een groep of tot Isra‘El) fundamenteel strijdig noemt met het Beriet Chadasjah (B”Ch: Nieuwe Verbond). Gods heil is voor alle volken bedoeld
• zelfrechtvaardigende Torahnavolging of zelfverzonnen religiositeit afwijst
• leert dat Torahnavolging het ontvangen van de Heilige Geest vereist en dat dit ook over afsterven aan vleselijkheid (begeerten) gaat
• het woord nomos gebruikt voor verschillende soorten wetmatigheid. Soms voor Torah[1]
• over de meeste gelovigen stelt dat ze de belangrijke zaken van het B”Ch niet kennen of willen geloven
• stelt dat wanneer een talmied (leerling van de Here Jezus) toetreedt tot het Judaïsme, die daarmee de door de Here Jezus verkregen verzoening met God veracht en breekt met het B”Ch
H5 (vervolg): Paulos komt met een regel in verband met het hoofdonderwerp van deze brief: dat gelovigen zouden moeten leven naar de Geest (van God; pneumati peripateite – wandelen naar de Geest) en zich niet moeten laten leiden door vleselijk begeren (epithumian sarkos ou me telesite – richt je helemaal niet op vleselijke begeerten). Opvallend is natuurlijk het woord peripateite, want ‘wandelen’ wijst zeker op Torahnavolging.
Deze regel vertolkt de bekende inwendige strijd van gelovigen. Deze strijd zal voortgaan tot het overlijden. Daarom is de naamgeving ‘overlijden’ ook treffend[2]. Het is diens worsteling met de corrupte schepping waar die deel van uitmaakt. Op de eerste plaats met diens eigen lichaam (vers 16).
Paulos openbaart een element van de scheppingsorde door de val van ‘Adam: dat de begeerten (epithumei) van het vlees lijnrecht (antikeitai) ingaan tegen Gods Geest. Dit toont het blijvende belang van Torahnavolging en omdat alle gelovigen (Joods of niet) met deze strijd te maken hebben geldt die navolging logischerwijs ook van allen. Het is de door God gegeven remedie. Paulos omschrijft het zo, dat de wil van de gelovigen steeds getoetst moet worden. Die wil is dus niet volledig ‘vrij’. Of omgekeerd, de ware vrijheid is: diens wil onder het gezag van Torah brengen/houden (vers 17).
Dan volgt een belangrijke conclusie:
• ei pneumati agesthe – als jullie worden geleid (naar) Geest[, dan]
• ouk este hupo nomon – zijn jullie niet onder een wetmatigheid.
De meeste vertalingen kiezen ervoor om, net als het woord pneumati, deze woorden bepaald en interpretatief om te vatten. De woorden pneumati en nomon zijn dus vertaald als ‘de Geest’ en ‘de wet’[3]. Maar de woorden zijn beiden onbepaald opgeschreven. Bovendien is een onbevangen vertaling is ook mogelijk. De Here Jezus stelde dat “de Geest (het godsvruchtige leven) wil, maar dat het vlees zwak is (toegeeft aan diens begeerten)” (Mat 26:41). De Here Jezus liet Zich echter als eerste Mens volkomen leiden door de wil van de Geest en dat sluit, logischerwijs volgens hierboven genoemde scheppingsorde (Geest tegenovergestelde vlees), vleselijke begeerten uit.
Dit betekent dus dat de wil van de Geest gehoorzaamheid aan de Torah geeft. De gangbare, traditionele vertaling is dus allesbehalve realistisch. Het onbepaalde woord nomon moet dus over iets anders gaan dan Torah. Over welke wetmatigheid dan? Over die van de begeerten van het vlees natuurlijk die over elk mens heerst vanaf diens geboorte. Het is de wetmatigheid van de corrumpering van de schepping, waaraan de mens als schepsel onderworpen is (vers 18).
Paulos geeft vervolgens 15 voorbeelden van de uitwerking van deze ‘nomon’ (erga tis sarkos – werken van het vlees; verzen 19-21)[4]. Het is opvallend dat de eerste voorbeelden betrekking hebben op seksualiteit en afgoderij, zoals ook de apostelen, in het bijzonder aan de niet-Joden, opdroegen zich juist daarvan af te keren (Hand 15:20).
Paulos brengt in herinnering wat hij de geloofsgemeenschap voor heeft gehouden. Alle gelovigen die deze dingen blijven doen zullen het hun beloofde koninkrijk Gods niet in ontvangst nemen (vers 21).
Hij stelt echter tegenover de genoemde zaken negen soorten opbrengst (karpos) van de Geest[5]. Sommige manuscripten voegen nog toe: agneia – morel zuiverheid[6] (vers 22).
Over deze opbrengst van de Geest stelt Paulos: kata toon toioutoon[7] ouk estin nomos – voor deze zaken is er geen wetmatigheid/norm/maat/bepaling. Opnieuw vatten vrijwel alle christelijke vertalingen het woord ‘nomos’ op als ‘wet’ (van Mosjéh). Om dit te bereiken moet weer met de grondtekst worden geknutseld en deze worden omgebogen, zodat ‘de vertaling’ heel anders is dan wat er letterlijk staat.
Maar inhoudelijk en contextueel is de vertaling ‘wet’ onhoudbaar[8]. Niet alleen komt de christelijke vertaling van dit vers op zichzelf te staan (los van de context)[9], maar het brengt ‘wet’ (van Mosjéh) opnieuw in verband gebracht met het voorafgaande (d.i. de werken van het vlees)[10], maar dat is juist wat Torah verbiedt en bestrijdt. Impliciet dus veroordeelt.
Als Paulos hier werkelijk Torah zou bedoelen, dan suggereert dat ook dat Torah tegenover de Geest zou staan of elkaar zouden uitsluiten. Deze tegenstrijdigheid suggereert dat God tegen Zichzelf gekeerd zou zijn, terwijl Torah juist de afspiegeling van Gods wil is. Als toch Torah bedoelt zou zijn, wat dus niet voor de hand ligt, dan zou dit vers opgevat moeten worden als: over deze zaken gaat Torah niet. Maar ook dat is niet waar, want de Torahbepalingen gaan daar juist ook over.
Wat Paulos met deze bijzin – want vers 23 is dat – stelt is dus een herhaling van wat hij in vers 18 schrijft. Dat ‘nomos’ staat voor de wetmatigheid van de corrumpering van de schepping; dat mensen, maar ook planten en dieren, de natuurlijke orde natuur willen afbreken/tegenwerken/misbruiken en zo verder corrumperen. Dit is een anti-goddelijk streven.
De King James vertaling (KJV) zit in de goede richting: “Against such there is no law.” (d.i. tegen zulken is er geen wet). Dat kan opgevat worden als: Voor zulken (de wedergeboren Torahnavolgers) is deze wetmatigheid (van vleselijke begeerten/ verdere corrumpering) niet van toepassing. Alleen is de opbrengst van de Geest het onderwerp van dit vers en niet de werken van het vlees. De KJV stelt dus impliciet dat er geen verband zou zijn tussen die opbrengt van de Geest en Torah, maar die is er expliciet juist wel.
Dat bovenstaande – dat de vleselijke begeerten centraal staan in wat Paulos wil overbrengen – juist is blijkt ook het volgende vers (vers 24). Paulos houdt de gelovigen voor dat zij die van de Here Jezus zijn het vlees hebben gekruisigd (estauroosan), namelijk de passies (pathimasin) en begeerten (epithumiais). Vergelijk dit met de verzen 16-17.
Paulos stelt dat als gelovigen naar de Geest leven (d.i. al diens voorrechten uitnutten), zij zich ook dienen te gedragen (stoichoomen) overeenkomstig Die Geest (vers 25). Hij herhaalt dus wat gelovigen niet meer zouden moeten doen. Hij gebruikt het woord ginoometha (zelfrechtvaardigende werken van Torah). Daarmee verwijst hij weer naar diegene onder de gelovigen in Galatië die op de toen gangbare Joodse wijze de Torah willen toepassen. Hiermee keert Paulos dus weer terug naar het hoofdpunt van deze brief. Paulos noemt over dit opkomende Judaïsme:
• kenodoksoi – verwaand/opschepperig
• allilous prokaloumenoi – elkaar kwaad makend
• allilous fthonountes – elkaar benijden/haatdragend zijn (vergelijk hetzelfde woord dat hij gebruikt in vers 21 fthonoi)
Paulos voorzag dit of vermoedde het, maar het kan ook zijn dat hij dit te horen was gekomen dat dit onder de Galaten plaatsvond. Maar het kan ook zijn dat hij die karakteristieken van het Jodendom kende uit zijn eigen tijd daarbinnen.
H6: Paulos gaat afsluiten. De volgende vijf verzen horen bij elkaar. Hij roept op om iemand die op een overtreding (paraptoomati – verkeerd handelen[11]) wordt betrapt te herstellen (katartidzete – rechtzetten). De talmiediem zijn immers spiritueel (pneumatikoi). Elke talmied kan ook in verleiding komen (peirasthis van het woord peiras – poging/neigen tot). Rechtzetten moet daarom gebeuren in een geest van nederigheid (en pneumati prautitos). Zichzelf overwegend (skopion seautou) (vers 1).
Het terugzetten op het pad (Torahnavolging) van vervolmaking is ook het doel van Paulos met deze brief. Maar of de toon van deze brief ook getuigt van een geest van nederigheid is twijfelachtig. Paulos is dan ook geen gewone broeder onder de gelovigen in Galatië, maar een apostel. In deze brief richt hij zich tegen dwalenden en dwaalleraars, maar vanaf hier richt hij zich ook tot die talmiediem die op het rechte pad zijn gebleven. Zij worden bevolen om elkaars lasten te dragen (ta bari bastadzete – verdragen/wegdragen).
Waarom? Om de Torahnavolging die door het werk van de Here Jezus van Godswege mogelijk is geworden. Paulos gebuikt het woord anapliroosete. Het voorvoegsel ana- (opnieuw) is van belang, maar vrijwel geen enkele vertaling geeft dat door. Het woord betekent daardoor ‘opnieuw completeren/volwassen worden’[12] in plaats van ‘vervullen’, wat veel Bijbelvertalingen hebben. Sommigen manuscripten hebben in plaats van ‘ana-’ het voorvoegsel ‘apo’ (door middel van/in verband met).
De woord ‘ton nomon tou Christou – de Torah van de Gezalfde (Gods). Hier moet nomon vooral opgevat worden als onderricht (van Torah) en niet de Torah zelf. De Here Jezus is immers Zelf talmied van Torah. Het is dus niet aannemelijk dat het hier niet om een andere Torah gaat[13], dan die bekend vanuit de Tenach[14]. Anders zou Hij daarmee een stichter zijn van een nieuwe godsdienst en een vervanger van wat voorafging. De christenheid en buitenstaanders zijn helaas overtuigd dat dit wel het geval is[15] (vers 2).
Dan volgt een merkwaardig vers dat begint met het Griekse woord gar, dat in dit geval niet vertaald moet als ‘maar’ of ‘want’, zoals vaak wel juist is. Gezien de context moet het als ‘namelijk’ of ‘sinds’ vertaald worden. Het woordje verbindt dit vers met het vorige vers. Paulus geeft dus een toelichting op het volwassen worden in het doen van het onderricht van de Here Jezus. Als iemand denkt (dokei – verondersteld) een navolger van Zijn onderricht te zijn (zowel in positieve/juiste zin of in tegenstelde zin (de judaïsten in Galatië)), maar dat feitelijk niet is (miden oon) die bedriegt zichzelf. Daarmee benadrukt Paulos dus dat het toch niet zo eenvoudig is om Zijn onderricht na te volgen.
Het is dan wel eenvoudiger om te doen (Mat 11:30) dan het navolgen van Gods Torah, wat veel moeilijker/zwaarder is, maar ze liggen wel in elkaars verlengde. Zijn onderricht is steevast gericht op Torah (Rom 10:4). Hier ligt een verband met vers 1. Iedereen kan onderuit gaan en schuldig worden aan een overtreding van Torah. Ook als het onderricht over Torah eenvoudig/licht is. Paulos waarschuwt dus om niet arrogant te zijn en zeker niet te denken dat zelfrechtvaardiging een manier is van navolging[16]. Maar mensen doen dit wel gauw en zijn ertoe geneigd (vers 3).
+++
[1] Terwijl Bijbelvertalers tot nu toe steevast altijd het woord vertalen als ‘wet’ (van Mosjéh).
[2] Die strijd tegen het vlees is in zekere zin een lijden aan zichzelf. Dat is niet zielig, maar gewoon onderdeel van het leven van elke talmied. Het is het vasthoudend kiezen voor de wijding aan God.
[3] De gangbare interpretatie van nomon is de ‘Torah van Mosjéh’. Maar inhoudelijk blijkt dat meestal niet overeen te stemmen met de context.
[4] Hieruit wordt duidelijk dat dit wel het tegenovergestelde is van wat Torah beoogd, maar het gaat daarin er zelfs ver bovenuit. Toch ziet de christenheid niet dat dit gedeelte (context) alleen gaat over de tegenstelling tussen Geest en vlees en dat Torah aan de kant van de wil van de Geest staat en dus niet bedoeld kan zijn in vers 18. Hoe christenen dan de begeerten van het vlees eronder krijgen is een raadsel. Dat hun het niet lukt blijkt uit wat in hun gelederen gebeurd: ze leven als onveranderde mensen. In hun doen en laten zelfs nog erger dan heidenen.
[5] Iets meer dan de helft van de lijst van uitwerkingen van het vlees. Dit lijkt opzettelijk om aan te geven dat deze lijst niet bedoeld is om met de andere lijst te vergelijken of die ermee in overstemming te brengen. De opbrengsten van de Geest hebben een heel andere aard. Het ene is een lijst van ‘werken’ en de andere van ‘opbrengst’ (vrucht/oogst). Een opbrengst is altijd voor de Eigenaar (d.i. God, de Vader) en niet voor diegene (d.i. de gelovige) die de opbrengst voortbrengt.
[6] Deze toevoeging lijkt ingegeven vanuit de onnodige gedachte dat het ronde getal 10 beter is, dan het getal negen.
[7] Nogal wat christelijke vertalingen vatten deze woorden ‘toon toioutoon’ als ‘deze mensen’, maar dat is niet wat deze woorden van de grondtekst betekenen. Dan zouden er namelijk heel andere Griekse woorden hebben gestaan.
[8] De lijst met opbrengst van de Geest geeft randvoorwaarden, maar heeft hetzelfde doel als Torah(navolging). Het woord ‘ouk – niet/geen’ op de Torah(navolging) toepassen gaat tegen wat Paulos overbrengt in. Toch hebben vrijwel alle vertalingen het zo!
[9] Helaas sluit Stern in zijn Complete Jewish Bible zich gewoon aan bij deze christelijke ombuiging van wat Paulos stelt, want volgens hem wijst Paulos in dit vers zelfrechtvaardigende gebruik van Torah af. Ook hij mist het punt dat Paulos in zijn geschriften het Griekse woord ‘nomos’ met verschillende betekenissen gebruikt en niet alleen in de betekenis Torah. Overigens, ligt het niet voor de hand dat Paulus de Torah ook alleen als een wetmatigheid opvatte, maar eerder als onderricht. Vooral omdat zijn boodschap juist was dat niet-Joden de tijd moest worden gegund om aan Torahnavolging te wennen.
[10] De christelijke interpretatie getuigt in die zin wel van een zekere logica en consistentie. Namelijk, in het misslaan van de spijker en dus in het juist tegenovergesteld overbrengen van wat Paulos hier leert.
[11] Verkeerd handelen moet hoofdzakelijk worden opgevat als Torah overtreden.
[12] Op de eerste plaats verwijst dit naar de terugkeer naar de val van ‘Adam (de gevallen mensheid), maar het kan ook wijzen op gelovigen die afgedwaald waren. In het laatste geval laat Paulos doorschemeren dat er een weg terug is. Dat gaat dan vooral om diegene die op een overtreding was betrapt (vers 1). Toch spreekt Paulos in algemene zin en dat is treffend. Als een lid overtreedt, dan is de hele lokale geloofsgemeenschap daarmee belast (1 Kor 12:26). Hij hanteert dan dus een collectieve maatstaf voor overtredingen, zoals dat gebruikelijk is in Isra‘El.
[13] Hoewel Hij wel Eigen torot heeft geleerd en een interpretatie van Torah die terugwees naar de oorsprong (bijvoorbeeld Mat 5:28, verzen 32, 39 en 44).
[14] Toch is dat wel wat de christenheid stelt. Namelijk dat de Torah van de Gezalfde een heel basale (eenvoudige) Torah zou zijn van slechts liefhebben, eventueel ook nog met de 10 Woorden erbij.
[15] Ook op dit punt geldt de regel dat de leugen regeert.
[16] Beiden – arrogantie en/of zelfrechtvaardiging – zijn feitelijk overtredingen van Torah en Zijn onderricht erover.


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 5:16-6:3"