Vorige week vond u hier bij vergissing de Bijbelgedeelten voor deze week met een uitleg, daarom vandaag de gedeelten die vorige week, tijdens Sjavoe’ot, het Wekenfeest, aan de beurt waren.
Gods spreken is niet beperkt tot Moses, of tot de vele profeten die God tot zijn volk zond. God sprak door het zenden van zijn Zoon Jezus, en door het zenden van zijn heilige Geest, die Gods woorden in ons hart legt.
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Shavoe’ot, (Wekenfeest) zijn:
✡ Torahlezing: Exodus 19:1 – 20:23,
✡ Profetenlezing: Ezechiël 1:1-28,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Joh 1:32-34, Matt 3:11-17.
Gedeelten uit de Torahlezing
En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde. Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg. De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig. Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem. Toen daalde de HEERE neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. De HEERE riep Mozes naar de top van de berg en Mozes klom naar boven.
Toen sprak God al deze woorden: Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft. U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.
Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt. Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. Dan zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienares, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.
Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.
U zult niet doodslaan.
U zult niet echtbreken.
U zult niet stelen.
U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienares, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.
Exodus 19:16-20, 20:1-18 (HSV).
Een gedeelte uit de Profetenlezing
Ook de profeet Ezechiel mocht iets zien van de majesteit van de Heer, waarna hij de opdracht kreeg tot het volk te spreken.
In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het dat de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.
Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin – kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.
Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan kwam iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur. Uit het midden daarvan kwam een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens. Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels. Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper. Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels gold van alle vier: Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit. Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend. Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee vleugels die hun lichaam bedekten. Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, daarheen gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.
Ezechiël 1:1-12 (HSV)
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen. En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en (dat) vervulde heel het huis waar zij zaten.
En aan hen werden tongen als van vuur gezien, die zich verdeelden, en het zat op ieder van hen. En zij werden allen vervuld met (de) Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn. Toen dan dit geluid klonk, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? En hoe (kunnen) wij (hen dan) horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parthen, Meden en Elamieten en zij die inwoners zijn van Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus en Asia, Frygië, Pamfylië, Egypte, en de streken van Libië, dat bij Cyrene (ligt), alsook de (nu) hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als proselieten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken.
En zij waren allen buiten zichzelf en raakten in onzekerheid, en de één zei tegen de ander: Wat wil dit toch zeggen? Anderen zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.
Handelingen 2:1-12 (HSV)
God spreekt telkens opnieuw
Het was een machtig schouwspel bij de berg, waarbij het volk Israël zijn tenten had opgeslagen. Er klonken donderslagen en zeer sterk bazuingeschal, ze zagen bliksemflitsen en een zware rookwolk als van een vuur. Het volk beefde van ontzag, maar Moses stelde hen gerust en leidde het volk naar de voet van de berg, God tegemoet.
Toen sprak God en gaf het volk zijn wetten, de Tien Woorden (of Tien Geboden), waarmee Hij een verbond sloot met zijn volk: Hij droeg hen op zich aan deze geboden te houden, en beloofde van zijn kant ‘barmhartigheid aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.’
Een verbond, waaraan iedereen deel mag hebben. De Tien Woorden zijn immers niet gegeven in het land Kanaän, zodat ze alleen voor het volk Israël zouden zijn, maar in de woestijn, land van niemand, opdat ze zouden gelden voor iedereen, voor elk volk, ook voor ons.
In later eeuwen heeft God gesproken door vele tientallen profeten. De profeet Ezechiël was een van hen. Hij werd op een bijzondere manier tot zijn ambt geroepen, met een visioen van vier levende wezens, die we ook weer tegenkomen in het boek Openbaring, hoofdstuk 4, waar de troon van God wordt beschreven.
’Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft’, schreef de apostel Paulus aan het Joodse volk (Hebreeën 1:1-2) Jezus was meer dan de profeten, zijn bediening was krachtiger dan die van een van hen, en zijn verzoenen sterven voorzag in de vergeving van zonden en herstel van de directe relatie van de mensen met God.
Daarmee is het spreken van God niet opgehouden.
Zeven weken (dat is 50 dagen, in het Grieks Πεντηκόστα pentecosta, Pinksteren) na Pesach, het Paasfeest, moest het volk Israël weer samenkomen in Jeruzalem voor een oogstfeest, het Wekenfeest of Sjavoe’ot. De tarweoogst was binnengehaald, en het eerste graan werd als een dankoffer naar de tempel gebracht. Dit was een van de drie grote feesten, opgedragen in Leviticus 23. Men is dit feest ook gaan vieren als het feest van de Wetgeving, omdat Moses op of omstreeks die dag de Tien Woorden van God ontving.
Op die dag was het druk in Jeruzalem. Veel Joden uit tal van landen woonden in Jeruzalem, of waren er voor het feest heen gegaan. Ook Jezus’ volgelingen waren naar Jeruzalem gekomen voor het feest, en waren waarschijnlijk in een deel van de tempel. Dat was het moment dat Jezus zijn belofte waar maakte, hen de heilige Geest te zenden: ‘En plotseling kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en (dat) vervulde heel het huis waar zij zaten. (…) En zij werden allen vervuld met (de) Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. God spreekt opnieuw, door zijn apostelen die God loven en spreken over Gods grootste geschenk aan de mensheid: zijn eigen Zoon. En dit feest werd een echt oogstfeest: na een preek van Petrus geloofden drieduizend mensen dat Jezus de beloofde Messias is, en lieten zich dopen.
Zie ook Sjawoe’ot een Joods feest


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: God spreekt telkens opnieuw"