Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
Enkele punten die in de vorige lessen over de Galatenbrief naar voren kwamen, namelijk dat Paulos:
• teleurgesteld is dat de Galaten zich laten beïnvloeden door een valse verdraaiing van het evangelie van de Here Jezus door Judaïsten. Hij waarschuwt voor deze ‘binnendringers’[1]
• over de meeste gelovigen stelt dat ze de belangrijke zaken van het B”Ch niet kennen of willen geloven
• erop wijst dat gelovigen niet langer moeten gehoorzamen aan de wetmatigheid van vleselijke begeerten, maar aan de Geest[2]. Die twee – vleselijkheid en de Geest – sluiten elkaar uit
• stelt dat Torahnavolging de door God gegeven enige remedie is om naar de Geest te leven
• het woord nomos gebruikt voor verschillende soorten wetmatigheid. Alleen soms voor Torah[3]
H6 (vervolg vers 4): Hoe hoort een talmied zich te gedragen? Paulos stelt dat diens werk (ergon – daad) diens gedrag zal aantonen (dokimadzetoo). Hij heeft het natuurlijk alleen over werken van Torahnavolging[4]. Dan zal diegene voor zichzelf iets hebben om trots op te zijn (kauchima). Maar dan volgt nog een belangrijke toevoeging: kai ouk eis ton heteron – en/maar niet tot de andere. Hier zit een algemene boodschap in, namelijk dat het niet gaat om het vereren van anderen en/of zich mooier/vromer voor te doen. Het gaat erom aan zichzelf te werken[5].
Dit is vooral ook toe te passen op de hoofdboodschap van deze brief: de dwaalleraren die beweren dat zij, door de Joodse wijze van Torahnavolging (lees: de onjuiste wijze, namelijk op basis van zelfrechtvaardigende en zelfverzonnen bepalingen) te volgen, die daardoor beweren beter/vromer te zijn dan de talmiediem van de Here Jezus. Zij eisen daarvoor eer op (vers 4).
Het volgende vers begint weer met het woord ‘gar’, net als vers 3. Het verbindingswoord met het vorige vers. Elk zal diens eigen last (fortion – vracht/lading) dragen. Dit is een ander woord dan tabari in vers 2. Het gaat dus niet om overtredingen (vers 1), maar moet in verband met vers 4 opgevat worden, waarin het ging om iemands Torah werken.
Het woord fortion moet dus vooral dynamisch opgevat worden. Iets wat een talmied opbouwt voor God. Niet in zelfgenoegzame of zelfrechtvaardigende zin, maar het gaat om wat hiervoor (vers 2) door Paulos werd genoemd, het groeien tot volwassenheid in het onderricht van de Here Jezus[6] over Torahnavolging en daardoor steeds beter van nut voor God, de Vader, te zijn. Dat Hij in staat is Zijn talmied beter te gebruiken.
Dit vers is dus op groei gericht (positief bedoeld) in plaats van de interpretatie dat ieder diens eigen kruisstrijd/problemen/schuld moet dragen (negatief). Echter, dit laatste is hoe het in de christenheid wordt geïnterpreteerd[7]. Een talmied is opgedragen een zegen te zijn en daardoor zegen te ontvangen.
De last van de Here Jezus (Zijn onderricht) is licht, omdat Hij daarmee helpt om de ware last – die van Torahnavolging – te dragen (leren/verwerken/toepassen). Maar dit vers leert ook: bemoei je niet met andermans Torah werken (d.i. veronderstelde vroomheid door nog Godsdienstiger te zijn).
Toch staat dit vers zeker ook voor de strijd van de talmied, want het ging in de voorafgaande vier verzen over een overtreding doen, moeilijkheden (erdoor) ondergaan. Dat is waar elke talmied mee om moet leren gaan en leren leven. Groeien naar volwassenheid is een weg van training, oefenen, vallen en opstaan en leren. In die zin gaat het in dit vers ook over het moeten leren accepteren dat dit bij het geloofsleven hoort. In die zin kan fortion (lading) ook als ‘last’ worden opgevat, maar dit is niet de hoofdbetekenis. Er zijn dus meerdere facetten aan dit vers en niet slechts één[8] (vers 5).
Paulos maakt vervolgens een bepaling bekend die al het de Tenach wordt genoemd, namelijk hoe talmiediem om horen te gaan met hun Bijbelleraren. Sommige vertalingen doen het overkomen dat het gaat om wederzijds meedelen (van woorden). Dat kan echter niet bedoeld zijn. Het gaat erom dat deze Torah leraren de eer ontvangen van hen en dat die leraren alles krijgen wat ze nodig hebben; eten, drinken, onderdak en een slaapplaats. Dat geldt voor Paulos en zijn medewerkers, maar ook voor elke Bijbelleraar in de geloofsgemeenschap of die hen bezoekt (vers 6).
Bij de bepaling van vers 6 plaatst hij ook een waarschuwing. Met God valt niet te spotten. Het onderstreept dat het ambt van Bijbelleraar niet veracht mag worden[9]. Dat Paulos in deze brief de valse leraren (judaïsten) bestrijdt en veroordeelt, moet dat geen reden zijn om elke Bijbelleraar onder een loep te leggen en als hij iets benoemt wat slechts valt dan ook maar hard aan te pakken.
De geloofsgemeenschap ontvangt van Godswege (gelukkig) leraren en zij komen de eer toe die passend is, omdat zij Gods woord verkondigen en uitleggen (Torah onderricht geven) wat heel erg nodig is. Paulos waarschuwt voor de scheppingsorde: wat een mens zaait zal die ook oogsten. Dat zaaien slaat in dit verband dus bovenal op de Bijbelleraren die in deze brief centraal staan. De leraar moet zich wel bewust zijn van wat hij doet en hoe. Maar evenzo de talmiediem die zijn onderricht ontvangen (vers 7).
Paulos verklaart de bepaling nader in twee mogelijkheden:
• De zaaier tot/naar (Grieks: eis) diens vlees oogst uit het vlees afbraak/ondergang/sterfelijkheid (fthoran)
• De zaaier tot/naar de Geest oogst uit de Geest een oneindig leven[10] (dzooin aioonion)
Let op het contrast tussen ondergang (het vlees) en opgang (de Geest) en tussen het vlees van zichzelf (heautou) en de Geest Die blijkbaar niet van zichzelf is. De natuurlijke mens heeft die immers kwijtgeraakt. God moest Die Geest teruggeven.
Paulos doet een oproep om te zaaien (speiroon), maar wel op een Godvruchtige manier. Wie dat niet doen worden ernstig gewaarschuwd. De eerste wijze van zaaien – wat alle mensen van geboorte doen (zaaien tot/door diens vlees) – moet opgegeven worden en ingeruild door de tweede wijze (tot/door de Geest).
Belangrijk is de boodschap van Paulos juist op te vatten. Hij draagt dus op om te zaaien. Algemeen opgevat als verkondigen van Gods woord, dat is de zaaiopdracht van Bijbelleraren. Maar ‘zaaien’ moet hier toch veel breder worden opgevat: arbeiden/dienen/werken. ‘Zaaien naar/tot’ is gebruikmakende van zaaisel (potentieel kiemend materiaal) wijd verspreid investeren/voeden met de verwachting/hoop op oogst.
‘Zaaien tot’ diens vlees: naar de begeerten van het vlees luisteren en eraan toegeven. ‘Zaaien naar’ diens vlees: werken doen die passen bij de vleselijke begeerten. Uitsluitend voor eigen gewin dingen doen. Zaaien tot/naar de Geest is natuurlijk Gods wil doen. Of, alleen werken voor Gods gewin. Dat dit (zaaien én oogsten) toch kan in een schepping die onder de satans macht is en door hem gecorrumpeerd wordt is een wonder en een genade (vers 8).
Paulos roept op om niet te verslappen/zwak te worden in het doen van het juiste[11]. Als talmiediem die oproep opvolgen, dan zullen ze op het door God gegeven juiste moment (kairoo) oogsten. Paulos geeft dus impliciet aan dat het oogsten wel eens vanuit menselijk optiek lang kan duren.
Opvallend is het vergelijk:
• Egkakoomen – ontmoedigd worden
• Ekloumenoi – op-/overgeven.
Het laatste lijkt op het eerste te volgen. Maar in veel vertalingen komt die chronologie/logische opvolging niet goed naar voren. Paulos geeft dus aan dat de kans groot is dat talmiediem, die leven in de corrupte wereld, ontmoedigd worden en daardoor hun gang over de Weg opgeven. Zijn oproep is dus voorwaardelijk. Hij zegt dus eigenlijk: blijf uitzien naar de kairoo – gunstige tijd Gods – waarin geoogst zal gaan worden (vers 9).
Paulos stelt dat het hebben van het vooruitzicht op een kairon de talmiediem zou moeten aanzetten om het goede te doen voor allen. Maar het meest voor de familiegenoten van het geloofsvertrouwen (tous oikeioos tis pisteoos).
Helaas wordt dit vers meestal vertaald alsof de kairon al een voldongen feit is (al vervuld is), maar dat gaat tegen de context van dit vers in. Ook worden de laatste woorden (tous oikeioos tis pisteoos) vaak opgevat als ‘geloofsgenoten’, terwijl Paulos juist de nadruk legt op de huisgenoten en niet het woord gemeenschap (ekklesia) gebruikt. Met andere woorden het gaat niet om de talmoediem in individuele zin, maar om het volksverband dat zijn vormen[12]. Dit sluit aan bij het voorgaande en sluit aan bij het afsluiten van de brief. Paulos benadrukt ook hun onderlinge liefdeband als volksgenoten, want de geloofsgemeenschappen in Galatië dreigen uiteen te vallen door de valse leringen van de judaïsten (vers 10).
Hoewel deze brief is opgesteld door een schrijver en niet door Paulos zelf, wil hij niet afsluiten zonder een persoonlijk geschreven mitswah[13]. Hij is waarschijnlijk door ouderdom slechtziende (geworden) en daarom schrijft hij het met grote letters (vers 11).
Twee soorten mensen noemt hij die hij typeert als hosoi – als zij/zoveel als er zijn:
1. Die wensen (thelousin) zich goed voor te doen komen in vleselijke zin
2. Die naar dit principe (kainoni) zich gedragen/wandelen[14]
Ad.1: Omdat het de judaïsten vooral om beriet mielah[15] gaat (Gal 5:6) bedoelt Paulos niet ‘zich goed voor te doen’ in de zin van ijdelheid in algemene zin, zoals mooie woorden spreken, mooie kleding dragen en/of hooghartig zijn. Hij bedoelt ijdelheid in vrome zin. Typisch ook iets van de Fariziem (Farizeeën).
Maar de kwaadaardigheid van de judaïsten zit vooral in hun poging de talmiediem in Galatië van de wijs te brengen. Zij dringen hen erop aan dat ze besneden moeten worden vanuit de gedachte dat ze erdoor etnisch Isra‘Eliem worden. Hier wordt beriet mielah opgevat binnen het kader van de verwarring tussen godsdienst en etniciteit[16]. Beriet mielah werd in Bijbelse zin[17] opgedragen aan ‘Avraham toen de etniciteit Isra‘Eliet niet bestond, omdat dit volk Isra‘El ruim 400 later pas door God geschapen werd.
Op zichzelf is de oproep tot het ondergaan van beriet mielah juist en goed, maar volgens Paulos gebeurt dat door de judaïsten ‘in vleselijke zin’. Met de verkeerde intentie dus. Toetreden tot het volk Isra‘El brengt een talmied niet dichter bij God. Sterker, als dat met de verkeerde intentie en dito verwachtingen gebeurt kan/zal het zelfs tot geloofsafval leiden.
Paulos noemt vervolgens nog een andere kromheid. Het Griekse woord monon (enkel/alleen) wijst op eenzijdigheid in het doel. Isra‘Eliet worden kan nooit bedoeld zijn voor eenzijdigheid. Het woord diookoontai is in de meeste Bijbelvertalingen vertaald als ‘vervolging ondergaan’. Dat is een onbegrijpelijke vertaalkeuze. Er bestond namelijk in de dagen van Paulos nog geen vervolging om het kruis (too stauroo). Nee, want die vervolging begon pas in 64 CE. Velen jaren nadat deze brief aan de Galaten was geschreven. Wat wel bekend is dat religieuze Joden de zendelingen van de Here Jezus belemmerden om het voor hun afwijkende Jodendom[18]. Dat liep nogal eens uit op geweld en arrestatie.
Maar Paulos gaat het om iets anders. Wat dan? Er zijn de volgende opties. Dat de judaïsten:
1. de talmiediem wilde terughalen naar het traditionele Jodendom
2. nijdig/jaloers waren op het succes van de zendelingen van de Here Jezus onder de Joden en hun resultaat ongedaan wilde maken
3. het werk van de heilige Geest ongedaan wilde maken, Die talmiediem deelgenoot maakte van de verlossing van de zondemacht die de Here Jezus verkregen had van God, de Vader
Van de eerste twee opties blijkt niets uit de inhoud en de context van dit vers. Het woord diookoontai kan echter ook betekenen: navolgen/streven naar (het kruis). Dát willen deze strevers naar ijdele vroomheid voorkomen. Juist dat is hun hoofddoel (vers 12).
+++
[1] Sommige uitleggers beweren dat deze judaïsten niet-Joodse talmiediem zijn. Een sneer naar de Messiaanse gelovigen. De benaming ‘binnendringers’ (pareisaktoes; d.i. zij die niet gerekend worden tot de talmiediem, dus het zijn geen (voormalige) talmiediem met een andere opvatting), valse broeders (pseudadelfous) en hun kennis van de Torah zijn toch doorslaggevende karakteristieken van Joden.
[2] Helaas ligt de focus van de christenheid bij deze opdracht op de valse vertaling van het Griekse woord nomos (wetmatigheid) als ‘wet’, dus dat de christenen de Torah niet moeten gehoorzamen. De vleselijke begeerten worden dan ook nog eens verbonden aan Torahnavolging.
[3] In de meeste ‘vertalingen’ is dit wordt bijna altijd vertaald als ‘wet’ (d.i. Torah).
[4] Helaas denken christenen daar expliciet niet aan. Werken van Torahnavolging wordt in de christenheid (vooral door protestanten) verafschuwd, omdat zij menen dat dit strijdig zou zijn met Gods genade. Maar het kunnen doen van werken van Torahnavolging is juist genade van God om Hem daarmee van nut te kunnen zijn. Er is geen andere manier om gebruik te maken van Zijn genade en om door Hem op juiste wijze gebruikt te kunnen worden.
[5] Daarbij is de ander (de naaste) wel nodig natuurlijk. Er kan van de ander geleerd worden over hoe jezelf ontwikkeld, maar ook moet Torah ook in de omgang met andere beoefend worden. God wil dat wij Hem lief hebben, maar dat moet dan ook blijken in onze liefde voor de naaste. Wat Paulos hier bedoelt is dat een ander maar beperkt kan bijdrage tot de eigen groei. Iedere gelovige moet vooral zichzelf ontwikkelen in Torahnavolging. Een uitzondering hierop is de leraar die nodig is om de gelovige te onderrichten en te trainen. Zonder een Torahleraar kan iemand amper tot wasdom komen.
[6] In Nederlands Bijbelvertalingen onjuist ‘de wet van Christus’ genoemd.
[7] Zoals blijkt uit de tekstkopjes die boven de tekstgedeelten in de Bijbelvertalingen staan.
[8] Dit is zo bij meerdere uitspraken in de Bijbel. Daarom is het van belang dat een Torahleraar de talmied daarbij helpt en prioriteit en balans aangeeft.
[9] Helaas is dat vaak wel het geval. Niet alleen worden Bijbelleraren vaak als deurmatten behandeld, maar ook zijn er nogal wat Bijbelleraren die zich onwaardig gedragen of buiten het door God aan hen opgelegde kader treden. Elke leraar kent immers diens eigen mandaat en niveau/plaats binnen Gods volk.
[10] Een leven dat van betekenis is voor vele generaties/erfgenaam van de nieuwe schepping (zie ook Gal 5:22).
[11] Kalos – wordt onterecht steevast vertaald als ‘wat goed is’, waar dat is voor geestelijk daden alleen zo als dat volgens God zo is (dat zijn alleen daden van Torah). Kalos is een ander woord dan agathois – goede/passende/toegevoegde waarde hebbende (zie verzen 6 en 10). Maar in de meeste vertalingen worden kalos en agathois allebei hetzelfde vertaald.
[12] Helaas is dit volksverband onbekend in de christenheid.
[13] Dat is een bevel van God. Mitswot behoren tot de zwaarstwegende Torahbepalingen.
[14] Opnieuw: wandelen is in het Hebreeuws halachah, wat Torahnavolging betekent.
[15] De besnijdenis van vrome mannen.
[16] Dit is een wijdverspreide verwarring, zowel in het Judaïsme als in de christenheid. Maar de Isra‘Elitische godsdienst en het volk Isra‘El zijn twee verschillende zaken. Net zoals Gods volk en het Joodse volk, die vaak ook aan elkaar gelijk worden gesteld.
[17] Het is niet zeker over beriet mielah niet al veel eerder bestond. Zo zou ‘Adam besneden zijn geschapen en dit al hebben toegepast op zijn zonen.
[18] Veel Joden dachten dat de talmiediem verkondigde dat de Here Jezus de Messias was en in dat ambt de Torah had afgeschaft.
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 6:4-12


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 6:4-12"