We willen allemaal wel graag zegening van God ontvangen. Aan zijn straffen hebben we niet zo’n behoefte. Toch, als God bestraft, doet Hij dat als liefhebbend Vader, die wil dat wij deel krijgen aan zijn heiligheid.
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Shelach lecha (Stuur voor jezelf) zijn:
✡ Torahlezingen: Numeri 13 – 15,
✡ Profetenlezing: Jozua 2:1-24,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Hebreeën 3:7 – 4:11.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Gedeelten uit de Torahlezing
Tien van de twaalf verspieders waren na hun tocht door het land Kanaän teruggekeerd met angstige verhalen: ’Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, bestaat uit mannen van grote lengte. Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. Wij waren in onze eigen ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen.’ (Numeri 13:32-33)
Slechts twee mannen, Jozua en Kaleb, geloofden dat God hen het land kon en wilde geven.
Daarmee ontketenden deze tien verspieders ongeloof en verzet tegen Moses en Aaron: ’Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden van de vijand? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren? En zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren!’ (14:3-4).
Daarop bood de Heer Moses aan, dit opstandige volk te doden en Moses tot een groot volk te maken. Maar Moses bad voor het volk, en pleitte op basis van Gods eigen woorden: ’ De HEERE is geduldig en rijk aan goedertierenheid, Hij vergeeft de ongerechtigheid en de overtreding, Hij houdt de schuldige zeker niet voor onschuldig.’ (14:18).
Als straf mocht niemand van het volk, ouder dan 20 jaar, het beloofde land betreden, behalve Jozua en Kaleb. ’Uw kinderen zullen veertig jaar in deze woestijn rondzwerven’ (14:33).
Wat doe je, wanneer je zo’n straf over je hoort uitspreken? Tegen Gods oordeel kun je niet in beroep gaan. Je hebt de verdiende straf maar te aanvaarden. Je hebt het er immers zelf naar gemaakt.
Maar daar was niet iedereen het mee eens. Akkoord, ze hadden gezondigd door hun ongeloof en opstandigheid. Dat erkenden ze. Dat was toch genoeg? Dus laten we nu optrekken naar Kanaän….
Mozes sprak deze woorden tot al de Israëlieten. Toen treurde het volk zeer. Zij stonden ’s morgens vroeg op en klommen naar de top van de berg en zeiden: Zie, hier zijn wij, wij zullen op weg gaan naar de plaats waarvan de HEERE gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.
Maar Mozes zei: Waarom overtreedt u zo het bevel van de HEERE? Want dat zal niet voorspoedig verlopen. Ga niet op weg, want de HEERE zal niet in uw midden zijn, zodat u niet door uw vijanden verslagen wordt. Want de Amalekieten en de Kanaänieten staan daar vóór u, en u zult door het zwaard vallen, want omdat u zich van achter de HEERE afgekeerd hebt, zal de HEERE niet met u zijn.
Toch probeerden zij overmoedig naar de top van de berg te klimmen, maar de ark van het verbond van de HEERE en Mozes weken niet uit het midden van het kamp. Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat bergland woonden, naar beneden en versloegen hen, en zij verpletterden hen, tot Horma toe.
Numeri 14:39-45 (HSV).
Een gedeelte uit de Profetenlezing
Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem gestuurd heeft aan de rest van de oudsten van de ballingen, aan de priesters, aan de profeten en aan heel het volk dat Nebukadnezar van Jeruzalem in ballingschap had gevoerd naar Babel.
Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd: Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan, neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet in aantal. Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.
Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet bedriegen. Luister niet naar uw dromers die u laat dromen, want met leugen profeteren zij tegen u in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.
Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats. Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven. Dan zult u Mij aanroepen en heengaan, u zult tot Mij bidden en Ik zal naar u luisteren. U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart. Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE, Ik zal een omkeer brengen in uw gevangenschap en u bijeen brengen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen Ik u verdreven heb, spreekt de HEERE, en Ik zal u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb gevoerd.
Jeremia 29:1, 4-14 (HSV).
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo’n menigte van getuigen omringd worden, afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemakkelijk verstrikt. En laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt, terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God.
Want let toch scherp op Hem Die zo’n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verzwakt en bezwijkt in uw zielen. U hebt nog niet tot bloedens toe weerstand geboden in uw strijd tegen de zonde. En u bent de vermaning vergeten waarmee u als kinderen wordt aangesproken: Mijn zoon, acht de bestraffing van de Heere niet gering en bezwijk niet, als u door Hem terechtgewezen wordt. Want de Heere bestraft wie Hij liefheeft, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt.
Als u bestraffing verdraagt, behandelt God u als kinderen. Want welk kind is er dat niet door zijn vader bestraft wordt? Maar als u zonder bestraffing bent, waar allen deel aan hebben gekregen, bent u bastaarden en geen kinderen.
En verder hadden wij onze aardse vaders als opvoeders, en wij hadden ontzag voor hen. Zullen wij ons dan niet veel meer onderwerpen aan de Vader van de geesten, en leven?
Want zij hebben ons wel voor een korte tijd naar het hun goeddacht bestraft, maar Hij doet dat tot ons nut, opdat wij deel krijgen aan Zijn heiligheid. En elke bestraffing schijnt op het moment zelf wel geen reden tot blijdschap te zijn, maar tot droefheid. Maar later geeft zij hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht van gerechtigheid.
Hebreeën 12:1-11 (HSV)
Buigen onder Gods oordeel
’Wij zullen op weg gaan naar de plaats waarvan de HEERE gesproken heeft, want wij hebben gezondigd’, zeiden de Israëlieten nadat Moses Gods oordeel had uitgesproken. Dat klonk heel vroom, maar al lijkt het goede elementen van gehoorzaamheid te bevatten, het was niet meer dan schijn, het was eigenwillige vroomheid, waarop Gods zegen niet kon rusten. In plaats van te buigen onder Gods oordeel, en terug te gaan, de woestijn in, beklommen de mannen de bergen om het land te veroveren. De strijd tegen de Kanaänieten liep uit op een ramp. De mannen werden verslagen en moesten vluchten. Het begin van jarenlang zwerven door de wildernis, totdat het volk had geleerd op zijn God te vertrouwen en alleen op zijn bevel te handelen.
Aan wie schreef de profeet Jeremia zijn brief? De inwoners van Juda en Benjamin waren hun God ontrouw geworden. Ze luisterden niet meer naar Gods onderwijzing, en waren andere goden gaan dienen naast de HEERE. Ze waren vergeten wat Moses hen had gezegd: ’Maar als uw hart zich afkeert en u niet luistert, en u zich laat verleiden om u voor andere goden neer te buigen en die te dienen, dan verkondig ik u heden dat u zeker zult omkomen; u zult uw dagen niet verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om er te komen en het in bezit te nemen.’ (Deuteronomium 30:17-18).
Dit werd eeuwen later werkelijkheid. De Chaldeeuwse koning Nebukadnezar kwam, versloeg de opstandige vazalstaat Juda, verwoestte Jeruzalem en voerde een groot deel van de bevolking in ballingschap naar Babel.
Daar was het al snel afgelopen met het dienen van de afgoden. In plaats daarvan vroeg het volk aan God, en aan de profeten: hoe lang gaat dit nog duren? Wanneer kunnen wij terugkeren naar Jeruzalem? Valse profeten wekten valse hoop dat dit spoedig zou zijn. Maar in zijn brief waarschuwt de profeet Jeremia de ballingen, niet naar die profeten te luisteren, maar te berusten in de ballingschap en het welzijn voor de stad en voor de Joodse gemeenschap te zoeken.
We willen allemaal wel graag zegeningen en voorspoed van God ontvangen. Aan zijn straffen en vermaningen hebben we niet zo’n behoefte. Toch, als God bestraft, is dat de bestraffing van een liefhebbend Vader, die straft met een doel: deel krijgen aan zijn heiligheid.
Ik denk tenslotte, dat de titel ‘buigen onder Gods oordeel’, ook van toepassing is op de volken en legers die in deze tijd tegen Israël hebben samengespannen. Zij hebben met hun woorden en daden Gods volk vervloekt, en zij ondervinden nu zelf een vloek, waaronder zij vooralsnog weigeren te buigen.
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Geloof in God of in eigen kunnen?, Numeri 13,
Verstaan wij onze opdracht?, Numeri 13,
Vijanden van buiten en vijanden van binnen, Numeri 13,
Geen geloof, geen eensgezindheid, Numeri 13-14,
God laat zich niet dwingen, Numeri 14,
Draag tsitsit, als een heilig volk, Numeri 15.


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: Buigen onder Gods oordeel"