Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
Enkele punten die in de vorige lessen over de Galatenbrief naar voren kwamen, namelijk dat Paulos:
• teleurgesteld is dat de gelovigen in Galatië zich laten beïnvloeden door een valse verdraaiing van het evangelie van de Here Jezus door Judaïsten[1]. Hij waarschuwt voor deze ‘binnendringers’
• erop wijst dat gelovigen niet langer moeten gehoorzamen aan de wetmatigheid van vleselijke begeerten, maar aan de Geest. Die twee – vleselijkheid en de Geest – sluiten elkaar uit
• stelt dat Torahnavolging de door God gegeven enige remedie is om naar de Geest te leven
• Torahnavolging in het kader van het B”Ch (Beriet Chadasjah – Nieuwe Verbond) ziet als afsterven aan jezelf, wat juist een kernelement is van dat Verbond. Geest (het spirituele) moet gaan domineren over vlees (het aardse)
H6 (vervolg): In vers 12 typeerde Paulos twee soorten mensen door het gebruik van het Griekse woord hosoi – als zij/zoveel als er zijn:
1. Die wensen (thelousin) zich goed voor te doen komen in vleselijke zin
2. Die naar dit principe (kainoni) zich gedragen/wandelen[2]
In de verzen 12-15 bespreekt hij de eerste soort. Gelovigen die zich heel vroom voor doen. Hij heeft dan vooral de Judaïsten op het oog die binnengedrongen zijn in de geloofsgemeenschappen van Galatië. Ze willen de gelovige broeders zover krijgen dat ze beriet mielah (besnijdenis) ondergaan met het doel dat ze Joods worden, wat zij zien als vereiste van de Bijbelse Godsdienst.
Alleen heeft beriet mielah niets met Joods-zijn te maken, maar daarover bestaat nogal wat verwarring[3]. Joods-zijn vanuit Gods optiek betekent vooral Isra‘Elitisch-zijn (d.i. leven volgens de Bijbelse godsdienst) als Jood. Maar Isra‘Elitisch-zijn heeft in het B”Ch niet meer Joods-zijn als vereiste[4]. Dat was alleen zo in het kader van het Mozaïsche verbond, maar dat verbond is niet meer relevant[5]. God bepaalt welk verbond van Hem van toepassing is en op dit moment is dat het Nieuwe Verbond die de Here Jezus heeft bemiddeld.
In vers 13 wordt een belangrijk verband gelegd met de in het vorige artikel voorgestelde vertaling van het woord diookoontai. Namelijk nomon fulassousin – navolgen van Torah met streven naar het kruis[6]. Immers, in het kader van het Nieuwe Verbond, dat in de kern het gevolg is van de verlossing van de zondemacht (lees: satans macht over de mens), is Torahnavolging werkelijk mogelijk geworden voor alle talmiediem (Joods of niet). (Talmiediem zijn Isra‘Elitische (lees: Torahnavolgende) leerlingen van de Here Jezus). Torah komt daardoor tot diens recht. Het wordt nagevolgd op de manier waarop het altijd bedoeld was, namelijk vrij van de wetmatigheid van de vleselijkheid (lees: zonde). Maar de christenheid negeert[7] dat juist, gelooft dat niet[8] en gaat zelfs zo ver om dit te verwerpen[9]. Daarom wordt diookoontai zo vertaald dat het vers een heel onverwachte en onjuiste betekenis krijgt; een fictieve vervolging om het kruis in de dagen van Paulos. Alleen vonden die vervolgingen om het kruis pas later plaats dan in de dagen van Paulos.
Paulos stelt echter iets wat nog veel ernstiger is voor wat betreft Torahnavolging in dit vers. Iets wat vrijwel alle Bijbelvertalingen niet doorgeven. Namelijk over hen uit de talmiediem in Galatië die zich lieten overtuigen om beriet mielah te moeten ondergaan.
Nogmaals, op zich is het ondergaan van beriet mielah een juiste beslissing, maar dat moet, zoals alle Torahbepalingen wel plaatsvinden onder bepaalde voorwaarden. Volgens Paulos voldeden deze niet-Joodse talmiediem helemaal niet aan die voorwaarden! Waarom niet? Omdat beriet mielah de uitwendige uitdrukking moet zijn van de inwendige mielah (d.i. de besnijdenis van het hart), wat juist inwendig aanzet tot Torahnavolging (lees: door de Geest van God gedreven).
Daarmee wordt de in de vorige les voorgestelde uitleg van het Griekse woord diookoontai in dit vers als ‘navolgen/streven naar (het kruis)’ bevestigd. Dat is namelijk het kwalijke punt waar Paulos met eigen hand bevestigend op wijst. Torahnavolging zonder verband met het kruis van de Here Jezus (d.i. de verlossing van de zondemacht die Hij daardoor van God, de Vader, verkreeg) is ijdele vroomheid. De nieuwe besnedenen worden dus door hun foutieve/ongeldige beriet mielah daarmee slechts ‘gelijk’ aan de Judaïsten en verliezen daarmee hun status als talmiediem van de Here Jezus!
Zoals al eerder gesteld door Paulos, zijn de Judaïsten geen Bijbelleraren van God zijn, maar valse Bijbelleraren. Ze verstoren Gods werk en willen het verwoesten. Daarmee zijn ze satan ten dienste. Hij verwijt hen dus dat ze het evangelie van de Here Jezus verdraaien en hij gaat zelfs zo ver om hen te vervloeken (Gal 1:9).
Paulos stelt uitdrukkelijk dat beriet mielah betekent dat iemand Isra‘Eliet wordt[10], wat in de zin van het B”Ch niet anders betekent dat die gelovige zich committeert de hele Torah na te gaan volgen (Gal 5:3).
Maar waartoe de Judaïsten oproepen is wat anders, namelijk leden worden van het Joodse volk. In feite is dat heidens, want God vraagt dat niet van niet-Joden en die daad is gebaseerd om vleselijkheid in plaats van spiritualiteit. De Judaïsten zijn ook nog eens trots op hun resultaat: dat ze niet-Joodse talmiediem zover krijgen om weer terug te keren naar vleselijke zaken. Het bewijst dat ze tegen Gods wil ingaan (vers 13).
Paulos ziet verwerpt deze trots van de Judaïsten op wat ze blijkbaar voor elkaar krijgen. Veel vertalingen geven het Griekse woord kauchisoovtai op een positieve manier weer, zoals door het te vertalen als ‘roemen’, maar het moet juist niet positief maar negatief opgevat worden.
Hij wijst er weer op hoe beriet mielah wel bedoeld is. Hij verwerpt de besnijdenis dus niet, maar laat zien dat het strikte voorwaarden kent. Namelijk als het in verband met het kruis staat. Met andere woorden, dat deze daad van Torahnavolging staat voor het afsterven van het vlees/de vleselijkheid. Hij brengt in dit vers dus vleselijkheid heel terecht in verband met de kosmos (de schepping/wereld). Hij beschouwt het hele universum als nutteloos voor God (vers 14).
Hij trekt dit verband met de kosmos door naar elke talmied. Volgens Paulos is die een kaini ktisis – een nieuw schepsel. Daarmee plaatst hij dus de talmied buiten de huidige gevallen kosmos. In die nieuwe kosmos is voor vleselijkheid niet langer een plaats. Ook geen valse vroomheid (vers 15).
Dan komt Paulos uit bij de tweede soort gelovigen: zij die naar dit principe (kainoni) zich gedragen/wandelen. Hij richt zich met een handgeschreven tekst aan de talmiediem. ‘Wandelen’ verwijst natuurlijk naar het op de Weg van God (d.i. Torahnavolgen) zijn.
Het principe waarop hij doelt kwam al in de vorige verzen naar voren: naar het kruis van onze Heer (tooi staurooi tou kuriou himoon). Voor talmiediem die zo leven spreekt hij de wens uit dat sjalom over hen is (eirini ep’ autous) en ontferming (kai eloos).
Paulos voegt daaraan toe: kai epi ton Israil tou Theou – en over het Isra‘El van God. Aan deze toevoeging vallen twee zaken op:
– Paulos onderscheidt dus hosoi – elk een van het Isra‘El Gods. Dit lijkt te verwijzen naar Joden die God wel dienen. Paulos leefde immers nog voorafgaande aan de galoet (verstrooiing) en gaat ervan uit dat er onder zijn volk ook nog Joden zijn die de Torahnavolgen zoals het bedoeld is, waaronder hijzelf. Die Joden bevinden zich in de gunstige situatie dat ze al wel de hele Torahnavolgen, in tegenstelling tot bekeerde niet-Joden die nog niet zover zijn.
– Paulos gebruikt de woorden tou Theou, waarmee hij op God, de Vader, doelt en niet op Zijn Zoon
Over het Isra‘El van God wordt van alles beweerd, maar echter meestal niet wat Paulos ermee bedoeld. Wat zou dat kunnen zijn? Het gaat om de hoofdregel om een nieuwe schepping te zijn. Dat zijn alle talmiediem die wedergeboren zijn uit Gods Geest. Paulos noemt als aparte groep echter het Isra‘El van God. Dat is typisch Paulos, want ondanks dat hij apostel van de niet-Joden is ligt zijn hart bij het Joodse volk. Hij weet dat zij van God afgevallen zijn en dat dit betekent dat het slecht met hen zal aflopen. Dat ze onder Gods toorn zijn (1 Tess 2:16). Met het noemen van het Isra‘El van God drukt hij zijn verlangen uit dat ook zij eens nieuwe schepselen zullen worden (lees: collectief terugkeren tot God) (vers 16).
Na dit gezegd te hebben stelt Paulos tou loipou – het betreffende/voor wat betreft het voorgaande. Hij waarschuwt dat niemand hierover problemen met hem veroorzaakt (mideis parechetoo kopous moi). Hij is immers apostel. Maar dat laat hij impliciet. Hij voert een argument op in verband met zijn punt in het voorgaande: Torahnavolgen in verband met het kruis van de Here Jezus door te schrijven dat hij de (kruis)wonden van de Here Jezus in zijn lichaam ondergaat. Met andere woorden, hij ondergaat innerlijke en uitwendige strijd met de vleselijkheid door Torahnavolging.
De meeste vertalingen geven de woorden tou loipou heel anders weer, namelijk bijvoorbeeld ‘Van nu af aan’ (KJV), ‘Overigens’ (NBG’51) of ‘Voorts’ (SV). Dan lijkt het alsof Paulos in dit vers het over een ander onderwerp heeft. Zo wordt gesuggereerd dat dit vers een opzichzelfstaand iets bericht, terwijl het evident is dat het juist naar het voorgaande verwijst (vers 17).
Paulos wenst de broeders in Galatië de gunst (Hebr.: chesed) toe van de Here Jezus overgedragen aan hun geest. Dat dit laatste vers een gebed is van Paulos tot God blijkt uit het afsluitende woord ‘Amen’ (vers 18).
+++
[1] Dat zijn Joodse gelovigen die zich als talmiediem (Isra‘Elitische leerlingen) van de Here Jezus voordoen, maar blijkbaar niet-verlost zijn en Gods Geest niet hebben ontvangen. Zij stellen het Jodendom en daardoor ook het Joodse volk centraal zouden staan en willen dat niet-Joden proselieten van het Jodendom worden (vergelijk: Hand 15:1). Maar daardoor halen ze talmiediem bij de Here Jezus weg en maken die effectief tot hun leerlingen (Gal 4:17). Ze hebben niet door dat het Nieuwe Verbond op dit punt fundamenteel anders is dan het Verbond dat Mosjéh bemiddelde. Alle volken krijgen sindsdien vrij toegang tot Bijbelse Godsdienst, dus Joods worden is niet meer nodig. Het gaat niet om etniciteit (Joods-zijn), maar om Godsdienst (Isra‘Elitisch-zijn, maar dat is wat anders dan Jodendom).
[2] Opnieuw: wandelen is in het Hebreeuws halachah, wat Torahnavolging betekent.
[3] De meeste mensen denken dat besnijdenis iets is van het Jodendom en Joden beweren dat zelf ook. Wie zich laat besnijden zou Jood worden. Maar het is een feit dat de meeste besneden mannen op aarde geen Jood zijn. Denk bijvoorbeeld aan het grote aantal moslim mannen in de wereld. Dat is het bewijs dat ook deze populaire gedachte – wie besneden is, is Jood – simpelweg onwaar is.
[4] Het betekent echter niet dat het B”Ch niet rekent met het behoren tot het Joodse volk. Diens volksverband, voorrechten en speciale nationale verplichtingen zijn ‘doorgezet’ van het Mozaïsche naar het B’Ch verbond.
[5] Met uitzondering van het collectief van het Joodse volk dat door God in de galoet (verstrooiing) is gezonden. Die galoet is immers een gevolg/strafbepaling van het Mozaïsche verbond (Lev 26:33; Dt 4:27; 28:64).
[6] Vrijwel alle Bijbelvertalingen hebben iets anders in de strekking van ‘houden van de wet’.
[7] Dat kan bewust mijden zijn of onbewust over het hoofd zien (blindheid).
[8] Vindt Torahnavolging te beperkt, te wettisch.
[9] De christenheid vindt Torahnavolging alleen iets voor Isra‘Eliem en vindt Isra‘El ook als fout, vervloekt en vervangen door de kerk. Bovendien zou het uitleven van Godsdienst (een eredienst aan God) Zijn genade bespotten/negeren.
[10] Het gaat niet om toetreden tot het Joodse volk, maar om een daad van geloof (d.i. Bijbelse Godsdienst). Vergelijkbaar met het dopen.
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 6:4-13-18


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 6:4-13-18"