Sjabbats­lezingen: Amalek accepteert Israëls bestaan niet

Torahrol Zoals in de dagen van Moses Israël streed tegen de Ama­le­kie­ten, en in deze tijd tegen hun opvolgers, zo moeten wij ook strijden tegen de vijand die 'zonde' heet en ons wil afhouden van Gods Koninkrijk.

Zoals in de dagen van Moses Israël streed tegen de Ama­le­kie­ten, en in deze tijd tegen hun opvolgers, zo moeten wij ook strijden tegen de vijand die ‘zonde’ heet en ons wil afhouden van Gods Koninkrijk.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Ki Tetze (Wanneer u uittrekt) zijn:
✡ Torahlezing: Deuteronomium 21:10 – 25:19,
✡ Profetenlezing: Jesaja 54:1–10,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: 1 Korinthe 5:1-5.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok: hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achter­hoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitge­put was; en hij vreesde God niet. Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijan­den van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het zó zijn dat u de gedachte­nis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!
En wanneer u in het land komt, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft …

Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim. Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand. Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.
En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de over­hand had, maar als hij zijn hand neer­liet, dat Amalek de overhand had.
De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere kant. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging. Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.
Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedach­te­nis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herin­ne­ring aan Amalek van onder de hemel geheel zal uit­wis­sen.
De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!

Deuteronomium 25:17 – 26:1a, Exodus 17:8-14, 16b (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Toen zei Samuel tegen Saul: De HEERE heeft mij gezon­den om u tot koning te zalven over Zijn volk, over Israël. Luister daarom nu naar de woorden van de HEERE. Zo zegt de HEERE van de legermachten: Ik heb acht geslagen op wat Amalek Israël aangedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gekeerd heeft op de weg, toen hij uit Egypte kwam. Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuige­ling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel. Saul riep het volk op en telde hen in Telaïm: twee­honderd­{duizend} man voetvolk, en tien{­duizend} mannen van Juda. Toen Saul bij de stad van Amalek kwam, legde hij een hinderlaag in het dal,
Saul versloeg de Amalekieten vanaf Havila tot in de richting van Sur, dat tegenover Egypte ligt. Agag, de koning van de Ama­le­kie­ten, greep hij levend, maar al het volk sloeg hij met de ban, met de scherpte van het zwaard.

{Lees voor ‘duizend’, ‘groep strijders’}
1 Samuël 15:1-5 en 6-8 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen. En stel uw leden niet ter beschik­king aan de zonde als wapens van onge­rech­tig­heid, maar stel uzelf ter beschik­king aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerech­tig­heid zijn voor God. Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschik­king stelt tot gehoor­zaam­heid, u slaaf bent van wie u gehoor­zaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoor­zaam­heid, tot gerechtigheid? Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoor­zaam gewor­den aan het voor­beeld van de leer waaraan u over­ge­ge­ven bent. En, vrijge­maakt van de zonde, bent u dienst­baar gemaakt aan de gerechtig­heid.
Romeinen 6:12-18 (HSV)

Amalek accepteert Israëls bestaan niet
Vandaag een commentaar, dat rabbijn Benjamin Evers/Benjamin ben-Perach schreef voor het Parasja-project van het Centrum voor Israël Studies.
Direct na de gekozen tekst uit Deuteronomium over aartsvijand Amalek gaat het over het wonen in het land. Is er een causaal verband tussen beide ogenschijnlijk geheel verschil­lende zaken?
Het antwoord lijkt vrij duidelijk: Amalek kan het niet verdragen dat het Joodse volk zijn eigen staat, zijn eigen land, zijn eigen toekomst heeft. Het probeert dat telkens opnieuw dwars te zitten. Het Joodse volk mag er van Amalek ten diepste niet zijn.
Ik noem vijf historische gebeurtenissen:
a. De aartsvader Jacob, het hoofd van een groot gezin, wil terug naar het eigen land. Esau, de groot­vader van Amalek (Genesis 36:12), treedt hem tege­moet met 400 soldaten (Genesis 32:7). Het is geen hartelijk ontvangstcomité. Uiteindelijk loopt het goed af. Esau (lees: Amalek) heeft niet gewonnen.
b. Het Joodse volk trekt uit Egypte. Op weg naar het Joodse land wordt het in de rug aangevallen door Amalek (Exodus 17:8). De strijd die erop volgt, wordt door niemand gewonnen. Amalek is slechts ‘verslapt’.
c. Het Joodse volk wordt een koninkrijk. Ook dan wordt strijd geleverd tegen Amalek. De Amalekieten worden bijna door koning Saul overwonnen. De koning van Amalek, Agag, blijft tijdelijk in leven (1 Samuel 15:8). Volgens een oude Joodse overlevering kwam de vrouw van Agag die nacht bij hem. Daar­door kon de dood van Agag de continuïteit van Amalek niet voorkomen.
d. Het Joodse volk gaat in Babylonische ballingschap (zie bijv. Jeremia 38). Na enige decennia mag het volk weer terug naar het oude vader­land (zie bijv. Ezra 1). In deze tijd speelt ook de geschie­denis van het Bijbel­boek Esther. Een slechtaard staat op: Haman. In het boek Esther staat vijf keer dat Haman afstamt van Agag, de Amalekiet. Haman en zijn zonen worden uitein­delijk verslagen. Het gedachte­goed van Amalek is echter nog spring­levend.
e. In de afgelopen eeuw keert het Joodse volk op­nieuw terug naar het oude vaderland. Nog eenmaal, tussen 1939 en 1945, slaat Amalek toe. Zes miljoen Joden komen om het leven. Het kan de oprichting van de Joodse staat niet voorkomen.
Nog steeds geldt: de eeuwenlange strijd van G’d tegen Amalek (Exodus 17:16) is niet afgelopen. Amalek is nog niet dood, máár het Joodse volk leeft!

Welnu dan, laten ook wij, nu wij door zo’n menigte van getuigen omringd worden, afleggen alle last en de zonde, die ons zo gemak­ke­lijk verstrikt. En laten wij met volhar­ding de wedloop lopen die voor ons ligt. (Hebreeën 12:1)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Bescherming van kwetsbare vrouwen, Deuteronomium 21,
Kies dan heden wie u dienen zult, Deuteronomium 22,
Onze God is een heilig God, Deuteronomium 23 en 25,
Geen rente maar barmhartigheid, Deuteronomium 23,
Neem beloften aan God serieus, Deuteronomium 23.

Bronnen/zie ook: Waarom verdient Amalek het, te worden uitgewist?, De chiastische structuur in Exodus 17:8-13 en Deuteronomium 25:17-19, op blz. 9-12.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Amalek accepteert Israëls bestaan niet"

Geef een reactie