Tienden geven van je inkomsten is toch wettisch, dat hoeft toch niet meer? Nee, u hoeft niet na te rekenen hoeveel u geeft. Maar geven is het tonen van dankbaarheid voor Gods grote gaven aan u. En wilt u daarin tekortschieten?
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Re’eh (Zie!) zijn:
✡ Torahlezing: Deuteronomium 11:26 – 16:17,
✡ Profetenlezing: Jesaja 54:11 – 55:5,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Johannes 7:37-52.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Een gedeelte uit de Torahlezing
Van heel de opbrengst van uw zaad, wat het veld jaar op jaar voortbrengt, moet u getrouw het tiende deel geven. Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen. Als de weg voor u te lang is, zodat u dat alles niet kunt meenemen, omdat de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, te ver bij u vandaan is, dan moet u, wanneer de HEERE, uw God, u gezegend heeft, het te gelde maken, het geld in een buidel meenemen en naar de plaats gaan die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Daar moet u dat geld besteden aan alles wat uw ziel verlangt: runderen en kleinvee, wijn en sterkedrank, ja, alles wat uw ziel maar wenst. Dan kunt u daar eten voor het aangezicht van de HEERE, uw God, en u verblijden, u en uw gezin.
Daarbij mag u de Leviet die binnen uw poorten is, niet in de steek laten. Hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u. Om de drie jaar moet u alle tienden van uw opbrengst van dat jaar brengen en opslaan binnen uw poorten. Dan kan de Leviet komen – hij heeft immers geen aandeel of erfelijk bezit samen met u – en de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn, en kunnen zij eten en verzadigd worden; opdat de HEERE, uw God, u zegent in al het werk dat u doet.
Deuteronomium 14:22-29 (HSV).
Een gedeelte uit de Profetenlezing
Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen, en hebt u ze niet in acht genomen. Keer terug naar Mij, en Ik zal naar u terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten. Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?
Zou een mens God beroven? Werkelijk, u berooft Mij! En dan zegt u: Waarvan beroven wij U? Van de tienden en het hefoffer! U bent door de vloek getroffen, omdat u Mij berooft, als volk in zijn geheel.
Breng al de tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in Mijn huis is. Beproef Mij toch hierin, zegt de HEERE van de legermachten, of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen, en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.
Ik zal ter wille van u de kaalvreter bestraffen, zodat hij de vrucht van de aardbodem bij u niet te gronde richt, en de wijnstok op het veld bij u niet zonder vrucht zal blijven, zegt de HEERE van de legermachten.
Alle heidenvolken zullen u gelukkig prijzen, want u zult een aangenaam land zijn, zegt de HEERE van de legermachten.
Maleachi 3:7-12 (HSV).
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Over de collecte voor de armen van de gemeente in Jeruzalem schreef de apostel Paulus in een uitgebreide aanbeveling:
En dit zeg ik: Wie karig zaait, zal ook karig oogsten; en wie zegenrijk zaait, zal ook zegenrijk oogsten. Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang, want God heeft een blijmoedige gever lief.
En God is bij machte elke vorm van genade overvloedig te maken in u, zodat u, wanneer u in alles altijd al het nodige bezit, overvloedig kunt zijn in elk goed werk. Zoals geschreven staat: Hij heeft uitgestrooid, hij heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid.
Hij nu Die de zaaier zaad verschaft, moge ook brood tot voedsel schenken en uw zaaigoed doen toenemen en de vruchten van uw gerechtigheid vermeerderen. Zo zult u in alles rijk worden, in staat tot alle vrijgevigheid, die door middel van ons dankzegging aan God teweegbrengt.
Want het betonen van deze dienst vult niet alleen de tekorten van de heiligen aan, maar is ook een overvloedige bron van vele dankzeggingen aan God, want door dit bewijs van dienstbetoon verheerlijken zij God vanwege de onderdanigheid aan het Evangelie van Christus, overeenkomstig uw belijdenis, en vanwege de gulle handreiking aan hen en aan allen. En in hun gebed voor u verlangen zij vurig naar u vanwege de allesovertreffende genade van God over u. Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!
2 Korinthe 9:6-15 (HSV)
Tienden, teken van dankbaarheid
Ik was verrast, toen ik het gedeelte uit Deuteronomium 14 las: zet een tiende deel van de opbrengst van je akkers opzij om er met een dankbaar hart feest mee te vieren op de plaats die God daarvoor zal uitkiezen, dat werd Jeruzalem. Eet daar met vreugde het vlees van het geslachte kalf, eet brood gemaakt van uw eigen graan, drink wijn van uw eigen druiven, en dank bij dit alles God die alles deed groeien.
Dit lijkt wel op de uitkering van het vakantiegeld in mei, waarmee velen hun binnen- of buitenlandse vakanties betalen. Een welverdiende vakantie? Of behoor je toch God te danken voor je baan, je bedrijf, een pensioen of uitkering?
Om de drie jaar kregen de tienden een andere bestemming: binnen de stad werden die ingezameld en opgeslagen, ten behoeve van de levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen. Een soort voorloper van de voedselbank.
We kunnen onze feestdagen niet eens goed vieren zonder onze handen uit te steken en vreugde te schenken aan degenen die het nodig hebben. Sterker nog, de Torah verklaart de oorlog aan onze zelfzucht en hebzucht. De Torah grijpt in in ons persoonlijke leven en onze financiën, met het oog op het welzijn van de samenleving.
Ten eerste, omdat wederzijdse verantwoordelijkheid zelfs de minderbedeelden in staat stelt om in waardigheid te leven – ongeacht of ze door eigen schuld in de problemen zijn geraakt of niet.
Ten tweede, om een gezondere samenleving op te bouwen, gebaseerd op wederzijdse verantwoordelijkheid en zorg.
Al eerder had Moses geschreven over de tienden. In Leviticus 27:30 lezen we: ’Alle tienden van het land, zowel van het zaaigoed van het land als van de vruchten aan de bomen, zijn voor de HEERE bestemd. Ze zijn heilig voor de HEERE’. Deze tienden vormden de inkomsten van de levieten, die geen eigen akkers hadden. Van deze tienden moesten de Levieten op hun beurt een tiende aan Aaron afstaan voor de dienst aan de Heer.
Het geven van de tienden gaat eigenlijk terug op Abraham, die aan de priester-koning Melchizedek de tienden gaf: ’En hij gaf hem van alles een tiende deel’ (Genesis 14:20b).
De profeet Maleachi trad op in de tijd na de ballingschap, toen de tempel was herbouwd, maar het volk niet echt was toegewijd aan de dienst aan de HEERE. Hij klaagt over minderwaardige offers, verwijt de priesters dat zij geen goed onderwijs geven, en het volk dat zij Hem beroven door niet de hefoffers en de tienden te brengen.
Het geven van de tienden is niet het geven van het overschot. Het wil de Israëliet (en ons) leren om God te vrezen en erop te vertrouwen dat de resterende 90 procent voldoende is om van te leven, en dat God voor elk jaar zal voorzien in onze behoeften. Dat hadden de Israëlieten eigenlijk al geleerd tijdens hun lange woestijnreis, waarin Hij dagelijks voorzag in manna.
Wie zich ontfermt over de arme, leent aan de HEERE, Hij zal hem zijn weldaad vergelden. (Spreuken 19:17)
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
God kiest het zwakke van de wereld, Deuteronomium 11,
Is het gemakkelijk de zegen te kiezen?, Deuteronomium 11,
Zonder bloedstorting geen vergeving, Deuteronomium 12,
Onthoudt u van bloed, Deuteronomium 12,
Neem hun afgoden niet over, Deuteronomium 12 en 13,
Toets de profetische uitleggingen, Deuteronomium 13.
Zie ook: Netivyah.


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: Tienden, teken van dankbaarheid"