De Moabitische weduwe Ruth was toch welkom in Israël na haar geloofsbelijdenis ’Uw God is mijn God’, zij trouwt met Boaz en in haar geslachtslijn staan koning David en Jezus. Hiermee laat God zien, dat ieder die in Hem gelooft, welkom is.
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Ki Tetze (Wanneer u uittrekt) zijn:
✡ Torahlezing: Deuteronomium 21:10 – 25:19,
✡ Profetenlezing: Jesaja 54:1–10,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: 1 Korinthe 5:1-5.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Gedeelten uit de Torahlezing
Dit gedeelte van Deuteronomium vormt een bonte verzameling van regels en voorschriften. Twee ervan spelen een rol in dezelfde geschiedenis: die van Naomi, Ruth en Boaz.
Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van de HEERE komen; zelfs hun (nakomelingen van de) tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van de HEERE komen, vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoet gekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken. De HEERE, uw God, echter wilde niet naar Bileam luisteren, maar de HEERE, uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad. U mag de vrede en het goede voor hen niet zoeken, al uw dagen, tot in eeuwigheid.
Wanneer broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag de vrouw van de gestorvene niet de vrouw van een vreemde man buiten de familie worden. Haar zwager moet bij haar komen en haar voor zichzelf tot vrouw nemen, en zo zijn zwagerplicht tegenover haar vervullen. En het moet zó zijn dat het eerste kind dat zij baart, op naam van zijn gestorven broer zal staan, zodat diens naam niet uit Israël wordt uitgewist.
Maar als deze man niet genegen is zijn schoonzuster tot vrouw te nemen, dan moet zijn schoonzuster naar de poort gaan, naar de oudsten, en zeggen: ‘Mijn zwager weigert een naam voor zijn broer in Israël in stand te houden. Hij wil zijn zwagerplicht tegenover mij niet vervullen’. Dan moeten de oudsten van zijn stad hem roepen en tot hem spreken; blijft hij bij zijn standpunt en zegt hij: ‘Ik ben niet genegen haar tot vrouw te nemen’, dan moet zijn schoonzuster voor de ogen van de oudsten naar hem toe gaan, zijn schoen van zijn voet trekken, hem in het gezicht spuwen, en daarbij het woord nemen en zeggen: ‘Zo wordt met de man gedaan die het gezin van zijn broer niet wil bouwen.’
Deuteronomium 23:3-6 en 25:5-9 (HSV).
Gedeelten uit de Profetenlezing
Naomi was met haar man en twee zonen naar Moab gehuisd, wegens een hongersnood in Israël. Daar overleden haar man en haar zonen. Toen God weer voorspoed en graanoogst had gegeven in Israël, keerde Naomi terug met haar schoondochter Ruth. Maar zou zij niet gelukkiger zijn in haar eigen land?
Maar Ruth klampte zich aan haar vast. Daarom zei zij: ‘Zie, je schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk en naar haar goden. Keer ook terug, je schoonzuster achterna’. Maar Ruth zei: ‘Dring er bij mij niet langer op aan u te verlaten en terug te gaan, bij u vandaan. Want waar u heen gaat, zal ik ook gaan, en waar u overnacht, zal ik overnachten. Uw volk is mijn volk en uw God mijn God. Waar u sterft, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden. De HEERE mag zó en nog veel erger doen: voorzeker, alleen de dood zal scheiding maken tussen mij en u’.
Toen zij zag dat zij zich vast voorgenomen had met haar mee te gaan, hield zij op tot haar te spreken. Zo gingen zij samen verder, tot zij in Bethlehem kwamen.
Door toeval – of laten we het maar Gods leiding noemen – gaat Ruth tijdens de gerstoogst aren oprapen op de akker van Boaz. Deze blijkt een vermogend familielid van de overleden man van Naomi. Hij krijgt veel waardering voor de ijver en toewijding van Ruth. Hij beschouwt de Moabitische Ruth door haar eerdere huwelijk en haar geloofsbelijdenis ’Uw God is mijn God’ als ‘ingeburgerd’, en wil wel als losser van Naomi optreden. Dat betekent, dat hij de bezittingen van, en de zorg voor Naomi op zich neemt, en hij wil wel voor nageslacht voor de weduwe Ruth zorgen door met haar trouwen. Maar er was nog een losser, die een nader familielid was. Die ging voor.
Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: ‘Kom eens hier en ga hier zitten, u daar, hoe u ook heet’. En hij kwam daarheen en ging zitten. En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: ‘Gaat u hier zitten’. En zij gingen zitten. Toen zei hij tegen de losser: ‘Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht. En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u’. Toen zei hij: ‘Ik zal het lossen’.
Maar Boaz zei: ‘Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden’. Toen zei de losser: ‘Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan het niet lossen’. Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil de gewoonte om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël. Dus zei de losser tegen Boaz: ‘Koopt u het voor uzelf’. En hij trok zijn schoen uit.
Toen zei Boaz tegen de oudsten en heel het volk: ‘U bent vandaag getuigen dat ik van de hand van Naomi alles gekocht heb wat van Elimelech geweest is, en alles wat van Chiljon en Machlon geweest is. Daarbij neem ik voor mijzelf Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, tot vrouw om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden, opdat de naam van de gestorvene niet zal worden uitgewist onder zijn broeders en in de poort van zijn woonplaats. U bent vandaag getuigen’. En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: ‘Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben’.
Ruth 1:14a-19a, 4:1-11a (HSV)
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Om deze reden ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent, als u tenminste gehoord hebt van de uitdeling van de genade van God die aan mij gegeven is ten behoeve van u, dat Hij mij door openbaring dit geheimenis bekend gemaakt heeft (zoals ik eerder in het kort geschreven heb; waaraan u, als u dit leest, mijn inzicht kunt bemerken in het geheimenis van Christus), dat in andere tijden niet bekend gemaakt is aan de mensenkinderen, zoals het nu geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest, namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen zijn en tot hetzelfde lichaam behoren en mede-deelgenoten zijn van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben.
Efeze 3:1-7a (HSV)
Het heil is ook voor de heidenen
Eigenlijk had Ruth niets te zoeken in Israël. Zij behoorde toch tot de Moabieten, een stam die het volk Israël bij de intocht bepaald niet had verwelkomd, en zelfs de magiër Bileam had ingehuurd om Israël te vervloeken. Tot in de tiende generatie waren Moabieten niet welkom in de gemeente van Israël.
Toch is Ruth welkom in Bethlehem, en wij vinden haar naam zelfs terug in het geslachtsregister van Jezus: Boaz verwekte Obed bij Ruth (Matteüs 1:5b).
Wat was er gebeurd met Ruth? Zij had in het gezin van Elimelech en Naomi gewoond. Zij had gezien hoe die de HEERE dienden. Zij had gehoord van de wonderen die Hij had gedaan bij de uittocht uit Egypte. Zij had gemerkt, dat het niet mogelijk was, het volk Israël met een vloek te treffen, want het is een door God gezegend volk. Zo kwam zij tot de uitroep ’Uw God is mijn God’. En met deze geloofsbelijdenis was zij welkom.
Boaz had in de liefdevolle houding van Ruth gezien, dat zij de God van Israël liefheeft. Daarom wil hij wel als losser optreden en een huwelijk aangaan met haar. Eigenlijk combineert de slimme Boaz hier twee wetten van Moses: het lossen (terugkopen in de familie, Leviticus 25:23-25) van een stuk verkocht land, en het zwager-huwelijk, het zorgen voor nageslacht voor de weduwe van een naast familielid, opdat het geslacht niet uitsterft, en haar kind of kinderen voor haar zorgen wanneer zij oud is en hulp nodig heeft.
Daarmee is Ruth een type, een voorafschaduwing, van Gods handelen na de Pinksterdag. Het heil, de vergeving van zonden, de toegang tot God en de directe relatie met Hem, werden ook toegankelijk voor de heidenen, de niet-Joden.
Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt, breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen van de getrouwde, zegt de HEERE. (Jesaja 54:1)
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Bescherming van kwetsbare vrouwen, Deuteronomium 21,
Kies dan heden wie u dienen zult, Deuteronomium 22,
Onze God is een heilig God, Deuteronomium 23 en 25,
Geen rente maar barmhartigheid, Deuteronomium 23,
Neem beloften aan God serieus, Deuteronomium 23,
Amalek accepteert Israëls bestaan niet, Deuteronomium 25
Zie ook Het boek Ruth en het volk Israël.


Shalom Marco,
Mee eens met je aanvulling op de ‘lezing’, maar naar mijn idee nog niet af/ compleet.
Je geeft terecht aan dat mensen die net als Ruth zich omkeren naar Gods weg en het heidendom de rug toekeren, worden ingeënt in het volk van God t.w.; Israël. Specifiek; Israël die; Volledig het Woord en God volgend, erend en bewakend en gelovend doen.
Maar daar gaat de Bijbel mijns inziens een stap verder, wat heeft te maken met het einddoel en of het herstelplan van YHWH. Dit einddoel wat te lezen is in Openb.21 is het herstel van alle dingen, herstel naar de toestand voor de zonde. Dus terug naar Eden, naar de Levensboom, naar Zijn Zaad, Zijn Leven. Geen huidige wereld of een fractie daarvan, geen boom van kennis, geen zaad van satan of gemengd zaad, eeuwig leven, dood weggedaan. Dit komt pas na het duizend jaar vrederijk en het vrederijk komt pas na de grote verdrukking, bij Zijn terugkomst op de wolken en de 1ste opstanding.
Je hebt het over twee groepen (ex heidenen en de aparte groep bekend als de Joden) en dat is nu ook het probleem. Het Koninkrijk (elk koninkrijk) is pas een koninkrijk, als er 1Koning is, 1 Volk, 1 Wet, 1 land. Wat in je conclusie niet duidelijk uit de verf komt, is dat de hele Bijbel vol staat met de twee die 1 moeten worden. Beginnend met de scheiding van de 12 stammen in 10+2, het originele koninkrijk wat hersteld moet worden onder 1 Koning. Israël (10 stammen) die nooit meer in haar geheel is teruggekomen. Jer.16:13 Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven. De breuk die menselijkerwijs onherstelbaar is maar Bij God mogelijk.
De gelijkenis met de verloren zoon verteld exact wat het probleem is. De verloren zoon (Israël) die uit de wereld komt, wordt niet geaccepteerd door de zoon (Juda) die thuis is gebleven. Op de mond van twee of drie getuigen zal de getuigenis pas bestaan en of waar zijn. Het is de gelijkenis van de twee stokken die in Zijn hand 1 worden, ten top. De huidige takken op de edele olijf zijn geënt op 1Wortel en helaas wordt dat pas duidelijk met de start van de grote verdrukking.
Net als met het volk in de tijd van Mozes moet ook het huidige volk kennis maken met YHWH, de Hij was, is en komen zal. Hij is nu meer bekend als de God van de vaderen Abraham, Izaäk en Jacob. De kennis moet worden omgezet in relatie, waarbij de Vader dan door beide pas wordt gezien als de ‘Ik Ben’, de Schepper, Koning der koningen.
Net als bij Mozes en het volk zullen er vele heidenen toestromen en door ingeënt te zijn als 1 volk met Hem ‘wandelen’. Dan gaat Hij Zijn volk weer voor. Jer.16:14 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd! 15 Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
De tijd die zeker gaat komen zal niet gezellig worden, maar het komt en brengt Zijn Koninkrijk met Zich mee.
Ik hoop dat dit tot zegen is.
Shabbat Shalom. Raymond
Marco, bedankt voor deze goede aanvulling.
Floor
Dit artikel eindigt met een juiste conclusie: door het volbrachte werk van de Here Jezus de Weg tot God (ook) toegankelijk werd voor de heidenen, de niet-Joden. Alleen niet om vervolgens gewoon heidenen te blijven, zoals de christenheid een religie voor heidengelovigen is. Nee, om net als Roet (Ruth) ingelijfd te worden in het volk van de God van Isra’El. Ze moeten dus het heidendom de rug toe keren en het als drek beschouwen. Net zoals Roet Isra’El en diens God volledig omarmde.
Komen ze daardoor niet in het luchtledige terecht? Zonder volksverband, familie en culturele inbedding? Nee, zeker niet. God laat hen niet verweesd achter, maar ze worden hartelijk opgenomen in het geheel van Gods volk. Ze worden Isra’Eliem, zij die al eerder de Weg (d.i. Torah) waren gewezen. Ze zijn dus niet alleen gered voor de komende toorn van God, maar hier en nu erfgenamen van de Bijbelse beloften en medeburgers van Gods Isra’Elitische Koninkrijk.
Moeten ze dan Joden worden? Volstrekt niet. Sterker, dat zou wellicht een last voor hen worden die te zwaar is om te dragen. Iets dat veel verder gaat dan wat God niet-Joden vraagt en daardoor bedenkelijk is.
Gods geloofsgemeenschap van Joodse en niet-Joodse maakt dan wel dat beiden Isra’Eliem zijn (d.i. Torahnavolgers), maar niet dat hun identiteiten vergaan. Nederlandse niet-Joodse leerlingen van de Here Jezus blijven, zolang Nederland als natie bestaat, Nederlanders. Maar met een ander volksverband, namelijk dat is door hun bekering Isra’El geworden. Ze zijn in Nederland en dat bepaald hun identiteit. Maar ze zijn, als het goed is, niet (meer) van Nederland (d.i. diens cultuur e.d.).
Hoe zit het dan met Nederlandse Joodse leerlingen? Ja, zij hebben een dubbele identiteit, waarvan de een ‘boven’ de andere uitgaat. Maar zolang de Joodse Godsdienstige natie nog niet bestaat – de huidige Staat Israël is seculier en dat dus niet – is die hogere identiteit ‘slapende’.
De geloofsgemeenschap is dus één en moet dat ook borgen, maar Joden vormen daarbinnen toch een uitzonderlijke groep. Dat is niet iets wat ze zelf zo graag willen, maar staat in verband met hun voorgeschiedenis met God, waarmee Hij rekent.
Daarin ligt voor sommige niet-Joden helaas ook steeds weer het vertrekpunt van anti-Joodse overtuigingen. Ze kunnen maar niet accepteren dat er ook nog een aparte groep is binnen hun gelederen. Maar dat is feitelijk geen verzet tegen het bestaan van Joden, maar tegen de wil van God Die het Joodse volk immers Zelf geschapen en gewild heeft.
Laten niet-Joodse en Joodse leerlingen van de Here Jezus zich samen dus toeleggen op het leren kennen en toepassen van hun gedeelde Isra’Elitische erfgoed (d.i. Bijbelse Godsdienst), zodat de God van Isra’El de eer ontvangt Die hun toekomt en Hij gediend wordt in het realiseren van Zijn Plan.
Een goede kabbalat Sjabbat toegewenst.
Groet, Marco van Putten