Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.
Inleiding
De brief aan geloofsgemeenschappen in de Galatië is door de apostel Paulos geschreven en een van zijn belangrijkste brieven. Hierin zet hij namelijk zijn opdracht als apostel voor niet-Joden uiteen, maar vooral de leer over de plaats van niet-Joodse talmiediem (leerlingen van de Here Jezus) ten opzichte van Joodse.
De Galaten zouden Keltische stammen zijn geweest, waarvan er later naar Brittannië en Ierland zijn getrokken. Maar onder de gelovigen in Galatië bevonden zich ook Joden. Wat opvalt is dat Paulos zijn doelgroep goed kent en zij hem. Hij haalt dat diverse malen aan als argument, naast argumenten uit de Tenach. Ze kennen hem zelfs zo goed dat ze zijn handschrift schijnen te kennen (Gal 6:11).
Over de datering van de brief en daarmee de vermoedelijke plaats van schrijven is nogal wat discussie. Er zijn twee belangrijke overwegingen. Dat de apostelvergadering van 50 CE en diens uitkomst niet wordt genoemd en dat Paulos eigenlijk pas tijdens zijn derde zendingsreis door het centrale gebied van Galatië is getrokken. Het eerste punt pleit voor een datering eerder voor 50 CE en het tweede punt een datering na 55 CE. Volgens sommigen kan de doordenking van zijn leer voor de niet-Joden ook pas laat zijn ontstaan. Feit is wel dat de brief zeker vanaf het midden van de eerste eeuw is geschreven en hoort daarom tot de eerste brieven van de Beriet Chadasjah geschriften (Nieuwe Testament).
Argumenten tegen een late datering zijn:
• Als de brief na de apostelvergadering zou zijn geschreven dan zou zeker de uitkomst ervan zeker genoemd zijn en zou hij ook minder emotioneel hebben gereageerd. Hij zou zich dan immers gesteund weten door de belangrijkste leiders.
• Het gebied Galatië is een regio in centraal Anatolië. Het omvatte in het zuiden ook de steden Iconium, Lystra en Derbe die Paulos al tijdens zijn eerste zendingsreis (46-49 CE) had bezocht.
• Het is duidelijk vanuit Handelingen en andere brieven dat Paulos al van aanvang aan zijn leer had doordacht. Dat maakte waarom hij van aanvang aan als omstreden werd gezien en ook als apostel voor de heidenen werd aangewezen.
De aanleiding van de brief zou de invloed van zogenoemde Judaïsten zijn geweest. Dit zouden Joodse talmiediem zijn geweest die navolgers waren van de Torah en die navolging ook verplicht stelde aan alle niet-Joden. Zonder teveel vooruit te lopen moet hier gesteld worden dat in het navolgende commentaar hierover echter een heel andere realiteit naar voren komt. Deze brief blijkt dus vanuit een christelijk traditionele en dogmatische agenda te zijn vertaald. De inhoud is omgebogen om algemeen aangenomen beweringen over Judaïsten te bevestigen in plaats van een zuivere weergave te geven van de grondtekst en wat Paulos bedoeld te zeggen.
H1: Paulos begint zijn brief met te verklaren met welke intentie hij de aposteltitel gebruikt, namelijk:
• Niet om eer van mensen te ontvangen, indruk te maken of gezag af te dwingen. Kortom, niet vanuit het vlees.
• Niet zomaar, zelfverzonnen of door andere apostelen bepaald of beïnvloed.
Hij stelt door de Here Jezus en God, de Vader, aangesteld te zijn in het apostelambt (vers 1). Hij heeft deze brief ook niet solistisch opgesteld, maar namens alle mede-zendelingen die bij hem zijn. De brief is bedoeld voor de geloofsgemeenschappen (in een klein aantal plaatsen) die zich in de Romeinse provincie Galatia bevonden (vers 2). Hij wenst hen van Godswege chésed wesjalom (bijzondere genegenheid en welvaart) toe (vers 3).
Over de Here Jezus stelt hij dat Hij Zichzelf gaf (aan God), omwille van mensen die doodlopen in de zonde en om hen los te maken van de huidige wereldorde (ekselitai enestootos aioonos). In de meeste vertalingen staat echter ‘om/voor onze zonden’, maar dat doet de grondtekst geen recht. Er is sowieso verschil tussen ‘zonde’ (een staat waarin iets zich bevindt (tegenwoordige tijd)) en ‘zonden’ (verrichte verkeerde daden (verleden tijd)).
Opvallend is dat Paulos het huidige wereldsysteem zondig en zelfs boosaardig noemt. Vergelijk dit met het christelijke dogma daarover, wat veronderstelt dat de Here Jezus de wereld verlost en al het kwaad overwonnen heeft. Paulos stelt echter dat het losmaken van de huidige wereldorde geen voldongen feit is, maar voortgaand is (vers 4). Paulos sluit zijn briefopening Theocentrisch af en dat zet de toon (vers 5).
Paulos verbaast zich erover dat de Galaten zich zo kort na hun ontstaan weer afkeren (metatithesthe) van wat hij hun voorgehouden had. Hij blijkt op de hoogte te zijn dat ze zich zijn gaan bezig houden met een ander evangelie. Hij verzet zich tegen die andere leer. Hij benadrukt ook dat het niet om hem gaat, maar dat ze persoonlijk geroepen waren door de Here Jezus. Daarom is er ook geen andere leer die van Hem komt, maar dat zij nu dreigen die ene leer te vervangen door een andere (vers 6).
Hij noemt het zelfs een verdraaiing (inwendige verandering van het evangelie; metastepsai). Het gaat dus om een heel geraffineerde leer en niet een totaal andere. Dat wijst op Joodse beïnvloeding. Dit geeft begrijpelijkerwijs oproep (tarassontes) in de geloofsgemeenschappen, want daarbinnen bestond (nog) het diepe begrip dat de geloofsleer hun door Joden was aangereikt (vers 7). Helaas zijn de verzen 8-9 later vaak gebruikt om (Joodse) profeten of profetische Bijbelleraren in de geloofsgemeenschap weg te zetten als vals. Vooral als deze kritiek hebben tegen wat als algemeen aanvaard (gevestigde traditie) was bepaald over het evangelie van de Here Jezus. Maar een echte traditie bestond eigenlijk nog niet in de jonge geloofsgemeenschappen.
Paulos herhaalt zijn openingswoorden en voegt daar nog twee vragen aan toe, namelijk of hij mensen wil gehoorzamen of God en of hij soms mensen het naar hun zin wil maken. Als op een van deze twee vragen het antwoord ‘ja’ is, dan is hij geen dienstknecht van God (vers 10).
Dan geeft hij een kort getuigenis over zijn geschiedenis als Gods dienstknecht. Hij stelt zijn boodschap die hij hun leert niet uit een mens voortkomt, maar vanuit God (verzen 11-12). Hij zelf was immers een vurig verdediger van het Jodendom van de eerste eeuw (verzen 13-14). Het was God, de Vader, Die hem overtuigd heeft van wat anders. Toch stelt hij dat er van overtuigd te zijn dat Hij hem van de moederschoot aan afgezonderd had (aforisas (vergelijk het Hebreeuwse farasj – afzonderen, wat de basis is van de groepsnaam Fariziem, waartoe Paulos behoorde)). Hij ziet dus die voorgeschiedenis als van Godswege (vers 15).
Door genade is ook hij door God, de Vader, geroepen, maar dan wel om Hem onder de niet-Joden te verkondigen. Hij is daarna bij geen mens te rade gegaan over die bijzondere en voor het Jodendom nieuwe roeping (vers 16). Zelfs niet bij de eerste talmiediem (vooral hen die tot de 12 apostelen behoren). Hij heeft zich teruggetrokken naar een stille omgeving (de Romeinse provincie Arabia) voor overdenking en is daarna naar Damascus gegaan. De plaats van zijn confrontatie met de Here Jezus (Hnd 9:4-5; vers 17).
Daarna ging hij pas drie jaar later naar Jeroesjalajim en bezocht er Petros (een van die 12) en Ja’aqov, de broer van de Here Jezus (verzen 18-19). Opvallend is dat zijn getuigenis en opdracht om naar de niet-Joden te gaan niet door deze leidende broeders werd verboden of afgewezen, want meteen daarna ging hij naar Syrië en Anatolië om zendingswerk te doen (zie Hnd 11:25; 13:4 e.v.; verzen 21-24).
Belangrijke punten in verband met dit eerste hoofdstuk:
1. Blijkbaar waren de Joods-godsdienstige autoriteiten nog niet klaar met de bestrijding van het evangelie van de Here Jezus, nadat ze Hem ter dood hadden veroordeeld en Hij het veld had geruimd (naar de hemel teruggekeerd). Paulos, een van de diepst doorgedrongene binnen die Joods-godsdienstige wereld (Gal 1:14), werd aangesteld als belangrijkste uitvoerder van de vervolging van de talmiediem (Hnd 8:3; Gal 1:13). Hij had zelfs volmacht ontvangen van de kohen gadol om naar Damascus gevluchte Joodse talmiediem en ook al leden van de lokale geloofsgemeenschap daar te arresteren en naar Jeroesjalajim af te voeren. Hij wilde namens de Joodse godsdienstige leiders het zendingswerk van de Here Jezus tot in de verste uithoeken grondig verwoesten (Hnd 9:1-2).
2. Paulos staat positief tegenover zijn Fariziem bagage en getuigt ook dat God Joden roept. Zelfs als die Joden, zoals Paulos, op dat moment nog Gods vijanden zijn. Ook de Here Jezus staat positief tegenover dat wat Fariziem leerden (Mat 23:3). De Here Jezus verwierp echter hun boosaardigheid (ze miste de gezindheid van God), Torahafvalligheid (ze paste de Torah juist tegengesteld toe) en dubbelhartigheid (wat ze leerden deden ze zelf niet (Mat 23:4)), dat ze aan haarkloverij neigden (de juiste prioriteiten verwarden; hoofd en bijzaken omwisselen (Mat 23:23)) en leringen opstelden die vanuit vleselijkheid voortkwamen (leringen van of naar de mensen).
Belangrijk is wel dat het gaat om Fariziem tot aan 50 CE, waaronder nog mensen zoals Nicodemus waren, en dat er binnen deze Joodse groepering heel divers gedacht werd. Na de verwoesting van de Tempel (70 CE) trad de Godsverduistering in en toen ging het snel bergafwaarts onder de Fariziem. Overigens, ook onder de talmiediem.
3. Joden zijn toe om de volgende twee belangrijke zaken te accepteren, namelijk:
a. Dat God, de Vader, een hemelse Zoon heeft.
b. Dat God, de Vader, ook onder de natiën verkondigd moet worden.
Het zijn zaken die de fundamenten van het Jodendom lijken aan te tasten (d.i. als uiterst bedriegend worden opgevat). Maar vergeten wordt dat deze twee belangrijke zaken herhaaldelijk in de Tenach staan en dat het hedendaagse Judaïsme (rabbinaal Jodendom) strijdig is met de Bijbelse godsdienst.
4. Waarom staat in Handelingen schijnbaar een andere beschrijving over de periode tussen de ommekeer tot de Here Jezus van Paulos en zijn eerste zendingsreis (Hnd 9:20-30; 11:25; 13:2)? Belangrijk is te realiseren dat het Bijbelboek Handelingen pas ruim een decennium later werd geschreven dan Paulos zijn Galatenbrief schreef en een andere auteur heeft die logischerwijs andere accenten legt.
De aannemelijke verklaring van het verschil is dat Paulos blijkbaar na zijn ommekeer (eerste gedeelte Hnd 9:19) direct naar Arabia is gegaan voor overdenking van zijn traumatische belevenis. Na enige tijd (wellicht enkele dagen of weken) keerde hij terug naar Damascus. Daar pikt het tweede deel van Handelingen 9:19 op. Blijkbaar wilde de auteur van Handelingen die overdenkingstijd niet (opnieuw) noemen of was hij er niet van op de hoogte.
5. Waarom staat in Handelingen 9:27-28 dat Barnabas Paulos meenam naar apostelen in Jeroesjalajim en met hen overlegde, terwijl Paulos in Galaten 1:17 stelt dat hij na zijn ommekeer en roeping juist niet naar die apostelen ging? Meteen na het ontvangen van de opdracht om de God, de Vader, aan de niet-Joden te verkondigen (Gal 1:16) lijkt hij dit eerst te moeten overdenken. Dit is ook logisch, want die opdracht lijkt volledig strijdig met het toenmalige Jodendom.
Hij verliet meteen Damascus en ging naar de provincie Arabia. Toen hij de opdracht voldoende had overdacht, aanvaard en begreep, keerde hij terug. Dat hij na drie jaar contact had met Sjim’on Kefa en Ja’aqov, de broer van de Here Jezus, en zij zijn opdracht aanvaardde laat zien dat ook zij zijn opdracht begrepen en als van Godswege accepteerde. Te meer, omdat Paulos prioriteit bleef geven aan de zending naar de Joden (Hnd 19:20, 29), wat uitdrukking geeft aan de centrale plaats van Isra‘El.
Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 1


Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 1"