Sjabbatslezingen: De een is niet meer dan de ander

juni tabernakel We vieren deze dagen het Pinksterfeest, waarop we de uitstorting van de heilige Geest vieren. Welke van zijn gaven is het belangrijkste? Geen enkele is belangrijker dan een andere, ze hebben elk hun plaats in de gemeente.

We vieren deze dagen het Pinksterfeest, waarop we de uitstorting van de heilige Geest vieren. Welke van zijn gaven is het belangrijkste? Geen enkele is belangrijker dan een andere, ze hebben elk hun plaats in de gemeente.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Naso (Tel, verhef) zijn:
✡ Torahlezingen: Numeri 4:21 – 7:89,
✡ Profetenlezing: Rechters 13:2-25,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Johannes 12:20-36.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Een gedeelte uit de Torahlezing
En het gebeurde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste dag van de maand, dat de taber­nakel opge­bouwd werd.

Het was op de dag dat Mozes gereed was met het opbouwen van de taber­na­kel, dat hij die zalfde en die heiligde met alle bijbe­ho­ren­de voor­wer­pen, samen met het altaar en alle bijbe­ho­ren­de voor­wer­pen; hij zalfde die en heiligde die.
En de leiders van Israël, de hoofden van hun families, boden offer­gaven aan; zij waren de leiders van de stam­men, zij stonden boven hen die geteld waren. Zij brach­ten hun offer­gave voor het aan­ge­zicht van de HEERE: zes over­dekte wagens en twaalf runde­ren; één wagen per twee leiders en één rund voor ieder afzon­der­lijk; ze boden die aan vóór de tabernakel.
En de HEERE sprak tot Mozes: Neem ze van hen aan; ze zijn bestemd om de dienst van de tent van ontmoe­ting te verrich­ten. U moet ze aan de Levieten geven, ieder overeenkomstig zijn dienst.
En Mozes nam die wagens en die runde­ren, en gaf ze aan de Levieten. Twee wagens en vier runde­ren gaf hij aan de zonen van Gerson, over­een­kom­stig hun dienst. En vier wagens en acht runde­ren gaf hij aan de zonen van Merari, overeen­kom­stig hun dienst, onder leiding van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester.
Maar aan de zonen van Kahath gaf hij niets, want de dienst van de heilige dingen was hun toege­we­zen. Zij moesten die op de schouders dragen.
En de leiders boden hun offergave ter inwijding van het altaar aan, op de dag dat dit werd gezalfd; de leiders boden hun offergave vóór het altaar aan. En de HEERE zei tegen Mozes: Laat telkens één leider per dag zijn offergave aanbieden ter inwijding van het altaar.
Het was Nahesson, de zoon van Amminadab, die op de eerste dag zijn offer­gave aanbood, voor de stam Juda. Zijn offer­gave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd­dertig sikkel was; één zilveren spreng­bekken van zeventig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heilig­dom; ze waren beide vol meelbloem gemengd met olie, als graan­offer.
Verder één schaal van tien gouden sikkel, vol reukwerk; één jonge stier – het jong van een rund – één ram, één lam van een jaar oud, als brand­offer; één geiten­bok als zondoffer. En als dank­offer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf lamme­ren van een jaar oud. Dit was de offer­gave van Nahesson, de zoon van Amminadab.

Op de tweede dag bood Nethaneël, de zoon van Zuar, de leider van Issaschar, zijn offergave aan. {enzovoorts}
Exodus 40:17, Numeri 7:1-18 (HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Toen zei de HEERE tegen Samuel: Hoelang rouwt u om Saul, die Ík immers verworpen heb, zodat hij geen koning over Israël meer zal zijn? Vul uw hoorn met olie, en ga op weg; Ik zend u naar Isaï, de Bethle­hemiet, want Ik heb een koning voor Mij gezien onder zijn zonen. Maar Samuel zei: Hoe kan ik daarheen gaan? Saul zal het horen en mij doden. Toen zei de HEERE: Neem een kalf van de runderen met u mee en zeg: Ik ben gekomen om de HEERE een offer te brengen. Dan moet u Isaï voor het offer uitno­di­gen en zal Ik u te kennen geven wat u doen moet: u moet voor Mij zalven die Ik u zeggen zal.
En Samuel deed wat de HEERE gesproken had en kwam in Bethle­hem. Toen kwamen de oudsten van de stad hem bevend tege­moet en zeiden: Is uw komst met vrede? Hij zei: Met vrede; ik ben gekomen om voor de HEERE een offer te brengen; heilig u en kom met mij naar het offer. Hij heiligde Isaï en zijn zonen en nodigde hen uit voor het offer.
En het gebeurde, toen zij kwamen, dat hij Eliab zag en dacht: Deze is vast en zeker voor de HEERE Zijn gezalfde. Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan. Toen riep Isaï Abinadab en hij deed hem voorbij Samuel gaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen. Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan, maar hij zei: De HEERE heeft ook deze niet uitgekozen. Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij Samuel gaan, maar Samuel zei tegen Isaï: De HEERE heeft dezen niet uitgekozen.
Toen zei Samuel tegen Isaï: Zijn dit al de jongens? En hij zei: De jongste is nog achtergebleven; zie, hij weidt de schapen. Samuel zei tegen Isaï: Stuur een bode en laat hem halen, want wij zullen niet rond de tafel gaan zitten, totdat hij hier gekomen is. Toen stuurde hij een bode en bracht hem. Hij was rossig, had mooie ogen en was knap om te zien. De HEERE zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. Toen nam Samuel de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broers. En de Geest van de HEERE werd vaardig over David vanaf die dag en voortaan. Daarna stond Samuel op en ging naar Rama.

1 Samuel 16:1-13 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Want zoals het lichaam één is en veel leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, hoewel het er veel zijn, één lichaam zijn, zo is het ook met Christus. Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.
Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit vele. Als de voet zou zeggen: Omdat ik geen hand ben, ben ik niet van het lichaam, is hij daarom dan niet van het lichaam? En als het oor zou zeggen: Omdat ik geen oog ben, ben ik niet van het lichaam, is het daarom dan niet van het lichaam? Als het hele lichaam oog was, waar zou het gehoor zijn? Als het hele lichaam gehoor was, waar zou de reuk zijn?
Maar nu heeft God de leden, elk van hen afzonderlijk, in het lichaam een plaats gegeven zoals Hij gewild heeft. Als zij alle één lid waren, waar zou het lichaam zijn? Nu echter zijn er wel veel leden, maar is er slechts één lichaam. En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.

1 Korinthe 12:12-21 (HSV)

De een is niet meer dan de ander
Na de opbouw van de tabernakel boden de leiders van het volk hun gaven aan. Heel praktische zaken: zes wagens voor het vervoer van de taber­nakel, met twaalf trek­ossen om die door het woestijn­zand te trekken. Die werden naar behoefte verdeeld: de levieten­stam der Mera­rie­ten kreeg vier wagens voor het vervoer van de planken, de Gerso­nie­ten kregen twee wagens voor het vervoer van de dek­kle­den en de gordij­nen, en de Keha­tieten kregen niets, zij moesten de heilige voor­wer­pen van de taber­nakel persoon­lijk dragen. Ieder kreeg, naar wat hij nodig had voor zijn taak.

Daarna bood elke dag een stamhoofd zijn geschenken aan: een schotel, een sprengbekken, een schaal, en offerdieren. Ieder gaf het zelfde. Dat was gemakkelijk voor de schrijver van Numeri: ‘Control-c, control-v’, of ‘idem’. Maar nee, zo gebeurde het niet. De gaven van elk stamhoofd werd volledig beschreven, want iedereen is waardevol, iedereen telt mee. Rabbijn Shimon Evers schreef hierover: ‘Kijkende in de verhalende verklaring op de Torah – de Midrash – zien we dat elke stamvorst bij zijn offer een eigen intentie had. Met andere woorden, het was 12 keer hetzelfde, maar toch 12 keer anders’.

Toen de profeet Samuel de zonen van Isaï zag, dacht hij: Wat een prachtkerels! Daar zit vast een goede koning bij! Wie zou God aanwijzen?
Isaï had zijn jongste zoon maar thuis gelaten, om op de schapen te passen. Die telde niet mee, wat moest die bij een offermaaltijd? Maar bij God was hij niet minder­waardig. Die zag in David eigenschappen, die hem geschikt maakten om aanvoerder en koning van Israël te worden. Dus koos Hij David.

Op de Pinksterdag stortte God zijn gaven uit op zijn volgelingen. Toen, tijdens het Wekenfeest (Sjavoe’ot), tien dagen na Jezus’ hemelvaart, en daarna nog vele malen, ook in onze dagen. Ook wij mogen bidden om zijn Geest, en de kracht en de gaven die Hij aan een ieder wil geven. (N.B. Bekeerd zijn houdt niet auto­ma­tisch in, dat je de Geest hebt ontvangen; zie Handelingen 19:1-6).
En welke van die gaven van de Geest is het belang­rijk­ste? Dat is eigenlijk een onbe­lang­rijke vraag. God geeft de gaven die nodig zijn om als gemeente te func­tio­neren, en daarin heb je elkaar nodig en vul je elkaar aan.

Er ontstond een meningsverschil onder (de discipelen) over de vraag wie van hen de belang­rijkste was. Maar toen Jezus de over­weging van hun hart zag, nam Hij een kind en zette dat bij Zich. En Hij zei tegen hen: Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn. (Lukas 9:46-48 HSV)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Gaven gaf Hij aan de mensen, Numeri 4,
Wat is mijn taak?, Numeri 4,
Geef jaloersheid geen plaats, Numeri 5,
Richter Simson streed tegen Filistijnen, Numeri 6,
Het belang van de Aäronitische zegen, Numeri 6.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: De een is niet meer dan de ander"

Geef een reactie