Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 4:27-5:15

white and blue cloudy sky

Gelovigen kennen meestal de hoofdlijnen van de Bijbel wel, maar zijn niet altijd bekend met bijzonderheden die naar voren komen in opmerkelijke teksten. Kennis van de grondtekst en de context kan dan nieuw licht werpen op de bedoeling van de opsteller van een Bijbelgeschrift. Maar cruciaal is ook om daarbij begrip te hebben van de centraliteit van de Torah. Dat kan helpen deze teksten beter te doorgronden, waardoor soms een betere of andere kijk op geloofszaken kan worden verkregen.

In de vorige lessen over de Galatenbrief kwam het volgende naar voren, dat Paulos (hoofdauteur van deze brief):
• Ernstig teleurgesteld is dat de gelovigen in Galatië zich laten beïnvloeden door een Judaïstische verdraaiing van het evangelie
• Exclusivisme (Gods heil beperken tot Isra‘El) als fundamenteel strijdig met het Beriet Chadasjah (B”Ch: het Nieuwe Verbond) veroordeelt. Gods heil is voor alle volken bedoeld
• Zelfrechtvaardiging door Torahnavolging of anderszins zelfverzonnen religiositeit afwijst als vals
• Een talmied (leerling van de Here Jezus) die (weer) toetreedt tot het Judaïsme, met die daad de door de Here Jezus verkregen verzoening met God veracht en breekt met het B”Ch!
• Torahnavolging in het kader van het B”Ch ziet als afsterven aan jezelf, wat juist een kernelement is van dat Verbond. Geest (het spirituele) moet gaan domineren over vlees (het aardse)
• Fysieke afstamming van ‘Avraham niet relevant acht, maar dat het erom gaat om hem als geloofsvader te hebben (d.i. net als ‘Avraham op God vertrouwen, voorafgaande aan de verplichting van Torahnavolging)
• Stelt dat over allen (Jood of niet) die geloven in wat de Here Jezus van Zijn Vader heeft verkregen de vervloeking – het onder de zondemacht zijn – is opgeheven
• Judaïsme net als heidendom ziet. Beiden wijzen op onvolwassenheid/kinderlijkheid in spirituele zin.
• Vaststelt dat de gelovigen in Galatië de Torah(navolging) niet begrijpen. Mosjéh (Mozes) gaat uit van het godsdienstige leven ‘onder de zondemacht’, zonder zelf een weg naar verlossing te bieden. Die verlossing van de zondemacht is echter het fundament van het B”Ch, wat terecht ‘nieuw’ wordt genoemd.

H4 (vervolg): Paulos citeert een tekst uit Jesjajahoe (Jes 54:1; vers 27). Op het eerste gezicht heeft dit geen verbinding met het voorgaande (het contrast dat hij naar voren bracht tussen Hagar, de Egyptische slavin van ‘Avraham, met ‘Avrahams eigen vrouw Sarah (Gal 4:22-26)). Immers, als dit over Sarah gaat dan is die tekst uit Jesjajahoe (over een onvruchtbare) niet van toepassing, want zij bleek uiteindelijk wel een zoon te kunnen voortbrengen.

Jesjajahoe heeft het over het aardse Jeroesjalajim in zijn dagen. Hij stelde vast dat haar bezoekers (d.i. de Tempelgangers) on-geestelijk waren en dat zelfs na hun bezoek aan de Tempel ook bleven! Ze bleken spiritueel onvruchtbaar. In dat Jeroesjalajim vond blijkbaar in zijn dagen niet meer plaats waartoe het bestond: tot omkeer en geestelijke ontluiking brengen. Maar hij ziet toch een glorieus toekomstperspectief. In die plaats – in Jeroesjalajim – zou een geestelijke opwekking komen, waardoor het geestelijke kinderen zou voortbrengen. Paulos benoemt het aardse Jeroesjalajim op vier manieren:
– steira – onvruchtbaar
– ou tiktousa – niet barende (kinderen)
– ouk oodinousa – niet hebbende geboorteweeën
– tis erimou – de eenzame/verlatene (door God)

De laatste woorden in dit vers ‘die een man heeft’[1] slaan ook op dat aardse Jeroesjalajim. God had haar echter verlaten om haar hoererende gedrag met andere mannen (lees: heidense natiën). Interessant is dat deze woorden ook een profetische betekenis hebben[2]. De Galatenbrief was geschreven rond 52 CE. Dat is 18 jaar voor de tweede verwoesting van de Tempelstad. Dit keer door de Romeinen. Zijn woorden lijken de aanstaande galoet (verstrooiing van Isra‘El) aan te kondigen, maar ook dat God Zijn volk een multi-etnisch karakter (niet langer hoofdzakelijk Isra‘El) zou verschaffen/vormen. Isra‘El had immers al God verlaten door Zijn verbond te verbreken (vers 27).

Volgens Paulos zijn de talmiediem in Galaten (Joods of niet) nakomelingen van het hemelse Jeroesjalajim en dus met recht Torahnavolgende Isra‘Eliem (vers 28). Hij openbaart een spiritueel principe. De ongelovigen, zij die vleselijk leven – de illegitiemen (heidenen) en zij die tegen Gods wil zijn (afvallige/ongelovige Joden) – vervolgen de kinderen van God (Joods of niet) – de legitiemen en zij die Gods wil doen – die vanuit de Geest leven (vers 29).

Paulos roept op om de Judaïsten weg te sturen, zodat zij ook niet delen in de geestelijke zegeningen die bestemd zijn voor de talmiediem. Maar ook omdat ze een gevaar vormen voor de geloofsgemeenschap (vers 30).

Hij herhaalt vers 28, maar ook zijn eerdere woorden (bijvoorbeeld Gal 3:7, 9, 14, 26, 29; 4:6, 26). In profetische zin zou dit vers opgevat kunnen worden als: wij zijn geen volgelingen van welke religie ook, zoals het Judaïsme, maar wij zijn door God Zelf verwekt (vers 31).

H5: Paulos roept (1ste oproep) de gelovige Galaten op stand te houden in de vrijheid (eleutheria). Want het is de Here Jezus Die hen heeft vrijgemaakt (ileutheroosen)[3]. Hij roept hen ook op (2de oproep) niet opnieuw/nog een keer zich aan een juk van slavernij te onderwerpen. Deze oproepen vormen de kern van deze brief (vers 1).

Dan wordt Paulos heel concreet (ide egoo Paulos). Wie zich laat besnijden (peritemnisthe) met het doel om zo de gunst van God af te dwingen (vrijspraak te krijgen voor Zijn eindoordeel) door deze grote geloofsdaad[4] of als een voorwaarde daarvoor, dan heeft de Here Jezus voor diegene geen nut/betekenis meer. Dan is dat een daad van uittreding uit Gods volk en het Nieuwe Verbond (vers 2)[5]. Iemand kan namelijk, sinds de komst en het vervulde werk van de Here Jezus, alleen via de Hem bij God in de gunst komen[6]. Daarnaast getuigt zo’n daad, al is het een mitswah, niet van voorafgaande liefde voor God. Het gaat in tegen de juiste manier van Torahnavolging.

Het is echter een ernstige vergissing om dit vers als opdracht tot afschaffing of het niet langer relevant zijn van de beriet mielah[7] (besnijdenis van de voorhuid) op te vatten[8]. Wat Paulos betoogt is dat de beriet mielah, net zoals de Torah, door de verlossing van de zondemacht in een heel andere context is komen te staan[9].

Hij wijst nog op een ander belangrijk punt: zich laten besnijden heeft een prijs. Wie beriet mielah als godsdienstige plicht van Torahnavolging laat plaatsvinden vervuld daarmee één mitswah uit de Torah. Maar daarmee wordt meteen ook de hele Torah een verplichting, want beriet mielah is namelijk niet zomaar een mitswah. Het is het merkteken van Torahnavolgerschap (vers 3). Maar niet-Joden zijn na toetreding tot het B”Ch, en daarmee tot Gods volk, niet verplicht om meteen[10] de hele Torah op zich te nemen. Dat is een kernlering van Paulos, waardoor het gerucht ging dat hij de Torah zou hebben afgeschaft.

Belangrijker nog is het helemaal verkeerd begrijpen van de betekenis en nut van beriet mielah en Torahnavolging[11]. Namelijk de gedachte dat het doen van Torahbepalingen, zoals beriet mielah, rechtvaardiging/kwijtschelding van schuld/goedkeuring (dikaiousthe) van God zou geven. Zelfrechtvaardiging door werken van de Torah. Dat is totaal strijdig met de komst van de Here Jezus. Hij kwam juist omdat Isra‘El en welk mens (Jood of niet) dan ook niet in staat is zichzelf voor God te rechtvaardigen door de zondemacht die over hen heerst. Wie denkt dat beriet mielah dat kan verhelpen, loochent eigenlijk de noodzaak van de komst van de Here Jezus. Het toont ook het volgen van een ernstige dwaling (zie 1:6; 3:1). De Torah kan niet met God verzoenen en is daar ook niet voor bedoeld. Het nut en betekenis van de Torah ligt op een ander vlak. Door die dwaling aan te nemen komt diegene buiten Gods genade in heden en toekomst!

De talmiediem echter verwachten met groot verlangen de rechtvaardiging en vervolgens de rechtvaardigmaking door God en dat zij van nut voor God zullen worden/zijn. Volgens Paulos is die gunst van God (dikaiosunis) iets waarop gehoopt wordt, maar niet bewerkt kan worden door Torahnavolging (vers 4).

Paulos stelt dat door de Here Jezus doorslaggevende invloed (ischuei) bij God bestaat:
• Niet door beriet mielah te ondergaan (Joods worden)
• Niet door onbesneden (heiden) te zijn
• Maar door geloofsvertrouwen te hebben werkende door liefde (verzen 5 & 6)

Paulos brengt in herinnering dat de aanvang van de gelovigen in Galatië goed was. Maar wie is het die hen van die ware weg heeft weggeroepen (vers 7)? Dat kwam niet van Godswege. Paulos diskwalificeert dit wegroepen als on-Bijbels (vers 8). Hij verklaart de hele geloofsgemeenschap van Galatië als aangetast. Hij gebruikt een voorbeeld uit de bakkerswereld. Een beetje gist (dzuni) maakt dat de hele deegklomp (d.i. de geloofsgemeenschap) gaat gisten (vers 9)[12].

Hij neemt aan dat de geloven in Galatië het met hem eens zullen zijn. Maar dat is niet genoeg. Hij die hen in problemen brengt (ho tarassoon) zal het oordeel ondergaan. Ongeacht de status van die persoon (vers 10).

Paulos vraagt de gelovigen in Galatië waarom hij zo intensief vervolgt wordt (door Joden) als ook hij zou beweren dat beriet mielah verplicht is voor elke niet-Jood die toetreedt tot het Nieuwe Verbond? Maar zijn vervolging gaat veel verder. De leer van de Natsriem die hij verkondigt was de Bijbelse godsdienst en geen alternatieve weg[13].

Hij noemt zijn leer die van het kruis (tou staurou), wat aanstootgevend (skandalon) is voor het Judaïsme, omdat het erop wijst dat die religie geen verzoening met God geeft en geen daarvoor nodige verlossing van de zondemacht. Het zijn zaken die het Judaïsme ‘boven de pet’ gaat en dus verwerpt (vers 11).

Dan volgt een emotionele reactie van Paulos (vers 12). Hij wenst dat zij die de gelovigen in Galatië in problemen brengen zichzelf zouden snijden (apokopsontai). Dit laatste woord kan op twee manieren worden opgevat, zoals blijkt uit de verschillende vertalingen van dit woord:
• Zichzelf castreren (in verband met besnijden); NBG’51/KJV
• Zichzelf van de geloofsgemeenschap zouden afsnijden; SV
• Zichzelf zouden besnijden

De laatste interpretatie kan echter niet bedoeld zijn, want die Judaïsten waren Joden of Jodengenoten (meest waarschijnlijk) die juist met hun valse leer opriepen zich bij hen aan te sluiten. Zij moeten dus dan zelf al besneden zijn. Maar er is nog een reden waarom de laatste betekenis niet waar kan zijn. Als het laatste bedoeld was dan had hij een ander Grieks woord gebruikt (namelijk peritomin), zoals elders in deze brief.

De eerste vertaling lijkt dan de juiste. Daarom lijkt Paulos hen te bespotten, door hen op te roepen niet slechts de voorhuid te verwijderen maar zelfs het hele geslachtsdeel te verwijderen. Dit kan echter opgevat worden als bespotting van beriet mielah. Dat kan niet waar zijn (vergelijk b.v. Rom 2:25; 3:1). Ook zal Paulos niet mensen opgeroepen hebben om zichzelf dusdanig te beschadigen.

De tweede vertaling komt dan in beeld. Iets wat hij ook de gelovigen had opgedragen; deze Judaïsten uitwerpen. Dan zou de geloofsgemeenschap geen last meer van hen hebben en zij (de Judaïsten) buitengesloten zijn van de genadegaven van God (vers 12).

Paulos benadrukt een belangrijk punt over de roeping (eklithite): geroepen te zijn voor vrijheid. Maar deze vrijheid is niet onvoorwaardelijk. Een belangrijke grens/tegengesteld gebruik is als het aanleiding wordt voor het vlees (=begeerte en egocentrisme). Hij doelt juist op aanleiding voor de Geest, zoals door liefde elkaar dienen als slaven (douleiete). In de meeste manuscripten wordt de geest – als tegenhanger van het vlees – niet genoemd. Maar sommige manuscripten hebben ti agape tou pneumatos (de liefde van de geest; vers 13).

Dan volgt een uitspraak die nog belangrijker is. De hele Torah (ho pas nomos) is nagevolgd (pliroutai) door de naaste (ton plision) lief te hebben als jezelf. Maar ook God lief te hebben boven alles. Het feit dat Paulos dit noemt bewijst dat hij Torahnavolging leert. Dat terwijl de christenheid juist leert dat de B”Ch en vooral deze brief leert dat vrijheid betekent: vrij om te kiezen om de Torah na te volgen en tot op welke hoogte. Vanuit de christelijke overtuiging is navolging niet nodig en zou immers niet te volbrengen zijn. Dat, terwijl ook andere B”Ch auteurs hetzelfde zeggen als Paulos, namelijk de verplichting voor alle talmiediem (Joods of niet) om de Torah volledig na te volgen (Mat 5:43-48; 19:17-24; Jak 2:10; 1 Joh 2:3).

Maar “de hele Torah navolgen” betekent niet letterlijk alle Torahbepalingen doen. Dat kan namelijk helemaal niet en zo is de Torah ook niet bedoeld. De Torahbepalingen hebben betrekking op allerlei levenssituaties van de gelovigen en geloofsgemeenschap die in letterlijke zin wel of niet van toepassing zijn op een bepaald moment. Ook kan gekozen worden een bepaalde situatie waarop Torahbepalingen betrekking hebben niet plaats te laten vinden, waardoor ze niet van toepassing zijn.

Een voorbeeld is de toepassing van vergeving voor een bepaalde situatie geven, waardoor specifieke Torahbepalingen niet geactiveerd worden. Een ander voorbeeld is, dat een gelovige ervoor kiest niet te trouwen, waardoor alle huwelijksbepalingen van de Torah op die persoon niet van toepassing worden.

“De hele Torah navolgen” betekent natuurlijk de intentie daartoe te hebben om zo volmaakt te zijn. Zonder Torahnavolging is dat immers onmogelijk, want het is de enige door God gewezen Weg daartoe (bijvoorbeeld Mat 5:48; vers 14).

Maar Paulos waarschuwt wel diegene die weigeren Torah te willen navolgen door ervoor te kiezen geen liefde op te brengen voor de geloofsgenoten. Hij waarschuwt dan op die manier niet tezamen ten onder te gaan (analoothite – jullie verteerd worden; vers 15).

+++
[1] God wordt in Bijbelse zin de ‘man’ van Jeroesjalajim genoemd.
[2] Natuurlijk wordt profetie tegenwoordig in twijfel getrokken en dus is het impliciet noemen van de verwoesting van Jeroesjalajim een argument om deze brief na 70 CE te dateren.
[3] Het gaat dus om de vrijheid die gekomen is door het verlost zijn van de zondemacht.
[4] Besnijdenis laten verrichten aan een volwassen man is een grote geloofsdaad. Het vergt immers moed en het doorstaan van langdurige pijn (Bijvoorbeeld: Gen 34:25; Joz 5:8).
[5] Hier lijkt Paulos iets heel verkeerds te stellen. Want besnijdenis was namelijk juist het teken van het toetreden tot Gods volk. Hieruit blijkt dat Paulos een heel andere benadering/kijk heeft op Gods volk.
[6] De Here Jezus is immers door God aangesteld als kohen gadol (Isra‘Eltisch hogepriester).
[7] De christenheid gaat er vanuit Jodendom te hebben vervangen. Specifiek voor de beriet mielah gaat het er vanuit dat het door de waterdoop vervangen is. Ondanks dat het fundamenteel verschillende zaken betreft. Beriet Mielah is de mitswah dat als het teken van Gods Verbond geldt. De waterdoop is de zelfbewuste demonstratie/intentieverklaring van geloof door gelovigen, maar dus geen mitswah.
[8] Deze ernstige vergissing is echter precies wat in de christenheid geleerd wordt.
[9] De christenheid heeft echter geconcludeerd dat de Here Jezus de hele Torah heeft opgeheven en bovendien stelt het dat zoiets als beriet mielah typisch alleen van toepassing is op Joden of behoort tot het Jodendom (Twee-wegentheorie). Wie de Torah navolgt en zich dus ook laat besnijden wordt gezien als afvallige van de christenheid, wat volledig strijdig is met de Bijbel.
[10] Maar uiteindelijk wel en dat met enige urgentie. Niemand weet wanneer die sterft en het is gunstig om dan zo vroom mogelijk te zijn.
[11] Eigenlijk ook de hele Torah.
[12] In het kader van de Tempeldienst is zo’n deegklomp niet meer bruikbaar voor de eredienst, want al het brood in die eredienst moet ongedesemd/ongerezen zijn (Lev 2:4).
[13] Het Judaïsme en de christenheid wijzen echter een alternatieve weg. De leer van de Natsriem is dus ook een aanklacht tegen deze wereldgodsdiensten.

Wees de eerste die reageert op "Beriet Chadasjah geschriften nader bekeken – Galaten – Hoofdstuk 4:27-5:15"

Geef een reactie