Sjabbatslezingen: De kleren maken de man

Torahrol Wie de beschrijving leest van de kleding van de hogepriester, raakt onder de indruk van de schoon­heid van de ontwer­pen en de gekozen mate­ria­len. Blijkbaar hecht God er aan, dat mensen respec­ta­bel gekleed zijn.

Wie de beschrijving leest van de kleding van de hogepriester, raakt onder de indruk van de schoon­heid van de ontwer­pen en de gekozen mate­ria­len. Blijkbaar hecht God er aan, dat mensen respec­ta­bel gekleed zijn.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Tetzaveh (U zult bevelen) zijn:
✡ Torahlezingen: Exodus 27:20 – 30:10,
✡ Profetenlezing: Ezechiël 43:10-27
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Hebreeën 13:10-16.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Een gedeelte uit de Torahlezing
U moet ook het bovenkleed van de efod geheel van blauw­pur­peren wol maken. Zijn hals­ope­ning moet dan in het midden ervan zijn. Zijn opening moet rondom een zoom hebben, werk van een wever. Het moet net zo’n opening hebben als bij een leren pantser, zodat het niet kan inscheuren.
Vervolgens moet u op de zomen ervan granaat­appels van blauw­purpe­ren, rood­pur­pe­ren en schar­laken­rode wol maken, dus rondom op zijn zomen, en daar­tus­senin gouden belletjes, rondom. Een gouden belletje, daarna een granaat­appel, dan weer een gouden belle­tje en een granaat­appel, rondom op de zomen van het boven­kleed.
Aäron moet dat namelijk dragen wanneer hij dienst doet, zodat het geluid ervan gehoord wordt als hij in het heilig­dom binnen­komt voor het aan­ge­zicht van de HEERE, en als hij naar buiten gaat, opdat hij niet zal sterven.

U moet ook een plaat maken van zuiver goud en daarin graveren, zoals men zegels graveert: DE HEILIG­HEID VAN DE HEERE. U moet die beves­ti­gen met een blauw­pur­pe­ren koord, zodat hij aan de tul­band vastzit. Hij moet aan de voor­kant van de tulband zitten. Hij moet namelijk op het voor­hoofd van Aäron zijn, zodat Aäron de onge­rech­tig­heid kan dragen van de gehei­lig­de gaven die de Israë­lieten brengen, ja, van al hun geheiligde geschen­ken. Hij moet name­lijk voort­durend op zijn voorhoofd zijn om hen aange­naam te maken voor het aan­ge­zicht van de HEERE.

U moet vervolgens het onderkleed weven, van fijn linnen. U moet ook een tulband van fijn linnen maken, maar de gordel moet u van borduur­werk maken. U moet voor de zonen van Aäron ook onder­kleren maken en u moet voor hen gordels maken. Ook moet u voor hen hoofd­doeken maken die hun waar­dig­heid en aanzien geven. U moet ze uw broer Aäron en zijn zonen met hem aan­trek­ken en hen zalven, wijden en heili­gen, zodat zij Mij als priester kunnen dienen. Vervol­gens moet u linnen broeken voor hen maken om de schaam­delen te bedek­ken; ze moeten van de heupen tot op de dijen reiken. Aäron en zijn zonen moeten ze name­lijk dragen, als zij de tent van ontmoe­ting binnen­komen, of als zij tot het altaar naderen om in het heilig­dom te dienen, opdat zij geen onge­rech­tig­heid op zich laden en sterven. Dit is een eeuwige veror­de­ning voor hem en voor zijn nage­slacht na hem.
Exodus 28:31-43 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Hij liet mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond. (…) Nu was Jozua in vuile kleren gekleed, terwijl hij voor het aangezicht van de Engel stond. Toen nam Hij het woord en zei tegen hen die voor Zijn aangezicht stonden: Trek hem de vuile kleren uit! Daarop zei Hij tegen hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en zal u feestkleren aantrekken. Vervolgens zei Ik: Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten. Daarop zetten zij de reine tulband op zijn hoofd en trokken hem kleren aan.
Zacharia 3:1a, 3-5 (HSV)

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
In een gelijkenis vertelde Jezus over een koning, die voor zijn zoon een bruiloft bereid had. Een van de gasten dacht, dat hij zo wel kon komen, zondig als hij was, onge­hoor­zaam, en dat hij Gods genade en ver­ge­ving niet nodig had.
Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te over­zien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruilofts­kleding. En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnen­ge­ko­men terwijl u geen bruilofts­kleding aan hebt? En hij zweeg. Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buiten­ste duister­nis; daar zal gejam­mer zijn en tanden­geknars.
Matteüs 22:11-13 (HSV)

De kleren maken de man
Wie de hoofdstukken leest over de opdrachten tot het bouwen van de Tabernakel en het maken van de priester­kleding, en de uitvoe­ring daarvan (Exodus 25-28 en 36-39), raakt onder de indruk van de schoon­heid van de ontwer­pen, de precisie en de geko­zen mate­ria­len en kleuren: goud, zilver, brons, edel­stenen, wit, blauw­pur­per en rood­purper. Dit alles bracht glorie en pracht, schoon­heid en majesteit; passend bij het Huis van God. Dat zijn zaken die wenselijk en zelfs belangrijk zijn bij het dienen van God en bij het bouwen van de tabernakel en de latere tempel. Mensen die opgingen naar de tempel, voelden een sterk ontzag voor God bij het binnengaan van de poort!

De priesters, vooral de hogepriester, zijn op een speciale manier gekleed. In de nabijheid van God komen vereist dat je scheiding maakt tussen het heilige, de dienst aan God, en het gewone dagelijkse leven. De priester­kleding dient ook om indruk te maken en publiek respect te krijgen. Door hun kleding lijken de priesters verhe­ven boven het volk. Denk ook aan de latere profeten, die her­ken­baar waren aan een haren mantel.

In bijna elke religie kun je al snel de leider herkennen aan zijn bijzondere kleding. Denk aan de toga van een predikant, en de uitbundige gewaden in de katholieke kerken. Die kleding schept eer en respect – en diezelfde kleding herinnert de priester of leider eraan, zijn functie en verant­woor­de­lijk­heden serieus te nemen. Hij vertegen­woor­digt iets groters dan hemzelf.

Wat betekent dit voor ons? Maakt het voor God wat uit hoe we ons kleden? In zekere zin wel. Wanneer we naar de kerk of samen­komst gaan, om deel uit te maken van de gemeente, om daar God te ontmoeten en te bidden, mogen we er best netjes uitzien, schoon en respec­ta­bel gekleed. U kent het spreek­woord: ‘De kleren maken de man’.
Verandering van kleding symboliseert vaak een veran­de­ring van status. Denk aan Josef, die met zijn veel­kleu­rige mantel ook zijn status verloor. Denk aan de verloren zoon, die in lompen gehuld de varkens hoedde, maar van zijn vader nieuwe kleren kreeg. Denk aan David, die de kleding van kroon­prins Jonathan kreeg – en later koning werd (1 Sam. 18). Denk aan Elisa, die de profe­ten­man­tel van Elia erfde.

Maar met onze kleding moeten we niet over­drijven. We moeten ons niet voort­durend bezig houden met hoe we ons kleden en of we er wel netjes genoeg uitzien. Kijk om je heen, naar de schoon­heid van Gods schepping: ‘En wat bent u bezorgd over de kleding? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spin­nen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heer­lijk­heid niet gekleed ging als één van deze.’ (Matteüs 6:28-29)

Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil, de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. (Jesaja 61:10a)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Priester tussen God en mensen, Exodus 28,
Hoe kun je God raadplegen?, Exodus 28,
Jezus is onze Hogepriester, Exodus 29,
Elke dag tijd voor Bijbel en gebed, Exodus 29,
Breng God een lofoffer, Exodus 30,
God hoort naar onze gebeden, Exodus 30.
Zie ook: Jair-bijbelstudies.
Met dank aan Joseph Shulam.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: De kleren maken de man"

Geef een reactie