Sjabbats­lezingen: Een volk dat afgezonderd woont

Torahrol Bij de intocht en verovering van het land kregen de Israëlieten de opdracht, de inwoners te verdrijven en hun afgoden te vernietigen. Nalatigheid bracht hen in verleiding tot afgodendienst, en eeuwenlange ballingschap was het gevolg.

Bij de intocht en verovering van het land kregen de Israëlieten de opdracht, de inwoners te verdrijven en hun afgoden te vernietigen. Nalatigheid bracht hen in verleiding tot afgodendienst, en eeuwenlange ballingschap was het gevolg.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Mattot (Stammen) en Masse (Tochten) zijn:
✡ Torahlezing: Numeri 30-36,
✡ Profetenlezing: Jeremia 1:1 – 2:28 + 3:4,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Handelingen 9:1-22 en Jakobus 4:1-12
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
En de HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, (ter hoogte) van Jericho: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän, dan moet u alle inwoners van het land van vóór u(w ogen) verdrijven, en al hun beeld­houw­werken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen. En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen. En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, over­een­kom­stig uw geslachten: voor hen die met velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die met weinigen zijn, moet u hun erfelijk bezit minder groot maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u (het land) in erfbezit nemen.
Maar als u de inwoners van het land niet van voor u(w ogen) verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet over­blij­ven, als dorens zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont. En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen.

Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw ogen verdreven heeft, de Hethieten, de Girga­sieten, de Amo­rie­ten, de Kanaä­nie­ten, de Fere­zieten, de Hevie­ten en de Jebu­sie­ten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u,en wanneer de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn. U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u al snel wegvaagt. Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.
Numeri 33:50-56, Deuteronomium 7:1-5 (HSV)

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Het gebeurde na vele dagen, nadat de HEERE Israël rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom, en Jozua oud en op dagen gekomen was, dat Jozua heel Israël, zijn oudsten, zijn stamhoofden, zijn rechters en zijn beambten bijeenriep. Hij zei tegen hen: Ík ben oud geworden en op dagen gekomen, en ú hebt alles gezien wat de HEERE, uw God, voor uw ogen gedaan heeft aan al deze volken, want de HEERE, uw God Zelf is het Die voor u gestreden heeft.
Zie, ik heb deze overgebleven volken, samen met al de volken die ik uitgeroeid heb, vanaf de Jordaan tot aan de Grote Zee, waar de zon ondergaat, aan u door het lot doen toevallen als erfelijk bezit voor uw stammen. En de HEERE uw God Zelf zal hen van voor uw ogen verja­gen, en Hij zal hen van voor uw ogen verdrij­ven, en u zult hun land in bezit nemen, zoals de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft. Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links, en zodat u zich niet inlaat met deze volken, deze hier die bij u overgebleven zijn. U mag niet aan de naam van hun goden denken en er niet bij laten zweren. U mag ze niet dienen en u er niet voor neerbuigen. (…)
Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt. Want als u zich op enigerlei wijze hiervan afkeert en u vastklampt aan de rest van deze volken, deze hier die bij u overgebleven zijn, en u huwelijksbanden met hen aangaat, en u zich met hen zult inlaten en zij met u, weet dan zeker dat de HEERE, uw God, niet zal doorgaan met het verdrijven van deze volken uit hun bezit van voor uw ogen. Maar zij zullen een strik en een val voor u zijn, een gesel op uw zijden en prikkels in uw ogen, tot u verdwenen bent uit dit goede land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.

Jozua 23:1-7 en 11-13 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wette­loos­heid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis? En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige? Of welk verband is er tussen de tempel van God en de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. Ga daarom uit hun midden weg en zonder u af, zegt de Heere, en raak het onreine niet aan, en Ik zal u aannemen,en Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
2 Korinthe 6:14-18 (HSV)

Een volk dat afgezonderd woont
Alle inwoners van het land verdrijven. Kan dat wel? Dat is toch in strijd met het internationaal recht en Jezus’ liefdegebod? Dat kun je toch zomaar niet doen?
En toch was het noodzakelijk in Gods ogen. Wanneer de Israëlieten tussen afgodendienaars wonen, zullen zij er door beïnvloed – zeg maar besmet – raken, zij zullen ook die afgoden gaan dienen, en ophouden Gods eigen geheiligde volk te zijn, waarmee Hij alle volken, de gehele wereld, wil zegenen.
Daarom was (en is) het noodzakelijk, dat Israël een volk is ‘dat afgezonderd woont en zich niet rekent onder de heidenvolken’ (Bileam, Numeri 24:9b)

Bij de verovering van het land Kanaän onder de leiding van Jozua slaagden de Israëlieten er niet in, alle heiden­volken te verdrijven. Richters 1:21-36 somt op, welke volken niet waren verdreven. En dat is een heel lange lijst. En na de dood van Jozua en van de generatie die de grote daden van de HEERE hadden gezien, ’toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäl. Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen (…) en gingen achter andere goden aan, de goden van de volken die rondom hen woonden’ (Richters 2:11-12)

Na vele jaren van waarschuwingen door richters en profeten, nadat het volk keer op keer terugkeerde naar God en toch weer afdwaalde naar de afgoden, handelde God zoals Hij gezegd had: ‘En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen’ (Numeri 33:56): zij werden verdreven uit het land en in ballingschap gezonden. Een ballingschap die bijna 2000 jaar duurde.

Een gedwongen of vrijwillige verplaatsing van bevol­kings­groe­pen is niet nieuw in de geschie­de­nis. Denk aan de ‘grote volks­ver­hui­zing’. Na de Tweede Wereldoorlog werden alle etnische Duitsers uit Tsjechië (Sudetenland) verdreven. Toen de Britse kolonie India onafhankelijk werd en zich splitste in een Hindoeïstisch India en twee Islamitische gebieden Pakistan, heeft een grote uitruil van bevol­kings­groe­pen plaatsgevonden, met veel geweld en een miljoen doden. De burgeroorlogen in Syrië, Soedan en andere gebieden hebben ook tot grote verplaatsingen van bevolkingsgroepen geleid.
Tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 zijn ongeveer 700.000 Arabische inwoners vertrokken, deels op aanraden van de aanvallende landen, deels verdreven of uit angst vertrokken. En zo’n 800.000 tot 900.000 Joodse inwoners van Islamitische landen werden gedwongen hun biezen te pakken – of alles achter te laten. Twee-derden van hen vestigden zich in de nieuwe Joodse Staat.
Misschien is het een goede zaak, wanneer Arabie­ren die niet in vrede naast of in Israël willen wonen, hun toekomst elders gaan zoeken.
Bid dat de huidige conflicten in en rond Israël het Joodse volk tot nadenken en inkeer brengen: ‘Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links.’ (Jozua 23:6)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Houd uw (verkiezings)beloften, Numeri 30,
De zonde bleef niet ongestraft, Numeri 31,
Plaats je niet buiten de gemeenschap, Numeri 32,
Verricht de u opgedragen taak, Numeri 32,
Een terugblik op de levensreis, Numeri 33.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: Een volk dat afgezonderd woont"

Geef een reactie