tempel



206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Peqoedej gaat over de parallel tussen de ingebruikname van de Tent van samenkomst door Mozes en de ingebruikname van de Tempel door koning Salomo. De Tempel door Salomo in gebruik genomen Deze haftarah gaat verder waar de vorige (Wajjaqhel) eindigde. Het beantwoord ook de vraag uit van de vorige haftarah wat met de onderdelen van het heiligdom Mosjéh (Mozes) gebeurde. Koning Sjelomoh (Salomo) bracht die en waarschijnlijk ook nog andere die zijn vader Dawied aan God had gewijd allemaal naar de schatkamer van de Tempel (1 K 7:51). Toen brak de dag aan dat de Tempel in gebruik genomen zou worden. Het was de zevende maand van de Bijbelse kalender. Alle oudsten, stamhoofden, verhevenen en vaderen kwamen naar Sjelomoh. Samen zouden ze de kist van het getuigenis begeleiden op weg naar diens nieuwe plaats in het Tempelhuis. De Tent van samenkomst stond toen in de Stad van Dawied op een lager gelegen vlak deel van de berg Tsion. Zodra de kist in het Heilige der Heilige was neergezet en de kohaniem (Isra‘Elitisch priesters) het Tempelhuis hadden verlaten vulde een wolk het huis. Het liet de heerlijkheid van God zien. Het Tempelhuis werd volledig gevuld door die wolk. Zo zelfs dat de kohaniem de Tempel uit moesten gaan. Parallellen Sidra‘ Peqoedej (Ex 38:21-40:38) gaat over het maken van de onderdelen van het heiligdom gebruikmakende van alle materialen die de Isra‘Eliem schonken. De haftarah (1 K 7:51-8:21) heeft als parallel met de sidra‘ dat de ark van het getuigenis als eerste geplaatst moest worden in het heiligdom. Opvallend is dat Sjelomoh dit deed in de zevende maand (1 K 8:2), terwijl God Mosjéh had opgedragen dit op de eerste van de eerste maand te doen (Ex 40:2). Daarom werd de Tempel van Sjelomoh waarschijnlijk ook op de eerste van de zevende maand in gebruik genomen. De andere parallel is dat meteen nadat het heiligdom was ingericht een wolk (hé’anan), die Gods heerlijkheid (kevod) vertegenwoordigde, het vervulde. Zo zelfs dat de dienstdoende kohaniem eruit moesten gaan (Ex 40:34-35; 1 K 8:10-11; vergelijk Opb 15:8). Zoals in de vorige haftarah aangegeven lijkt er een parallel te zijn tussen Mosjéh, die de Tent der samenkomst inrichtte, en Sjelomoh, die het Tempelhuis lijkt in te richten. (In werkelijkheid deden dat natuurlijk de kohaniem. Sjelomoh mocht, ondanks dat hij koning was, het Tempelhuis niet betreden. Zoals gesteld in de vorige haftarah: de Tempel van Sjelomoh was slechts een afschaduwing van de Tent van samenkomst. Sjelomoh was immers ook slechts een afschaduwing van Mosjéh. Sjelomoh was ook geen geestelijk leider, maar een politiek leider. Hij stond ‘onder’ het gezag van de dienstdoende kohen gadol (Isra‘Elitisch hogepriester, ’Azarjah (1 Kr 6:10)). Geen mens vertegenwoordigde God zoals Mosjéh dat deed aan Isra‘El. Hij was door God zelfs ‘boven’ de kohen gadol gesteld. Daarom ligt het ook voor de hand dat Mosjéh moest verdwijnen toen de eredienst van God in het beloofde Land zou worden gehouden. Hij moest plaats maken voor het ambt van de kohen gadol. Die zou Isra‘Els enige geestelijk leider zou zijn: het hoofd van de gemeenschap van Isra‘El. In de Bijbel staan maar weinig gebeden beschreven op de plechtige momenten in de Tempel. Echter het gebed van Sjelomoh, dat hij uitsprak nadat de Tempel klaar was om in gebruik te worden genomen staat wel in de Bijbel (1 K 8:12-21). Juist in de haftarot ligt de aandacht op unieke zaken. Van Mosjéh is niet bekend dat hij een gebed heeft uitgesproken bij het oprichten van de Tent van samenkomst. Maar het ligt wel voor de hand. Misschien geeft het gebed van Sjelomoh weer wat Mosjéh gezegd heeft. Het kan zijn dat de kohaniem het gebed van Mosjéh hebben opgeschreven en overgeleverd. De woorden “God heeft gezegd te zullen verblijven in een donkere wolk (HaSjem ‘amar lisjkon ba’arafél) lijken het bewijs van zo’n overlevering van Mosjéh (Ex 20:21; Dt 5:22). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • 39:43 Isra‘El volbracht nauwkeurig alle bevelen van God over het maken van de onderdelen van het heiligdom. Toen Mosjéh die onderdelen zag stemde die overeen met het model ervan dat God hem had getoond en hij zegende de onderdelen. • 40:2 De Tent van samenkomst moest opgericht worden op de eerste van de eerste maand: het begin van de Bijbelse kalender. Zo is het ook gebeurd (40:17). • 40:10 Het koperen offeraltaar was het centrale altaar voor Isra‘El. Mosjéh zalfde het en wijdde het aan God. Het altaar was de heiligheid van de gewijdenen (qodésj qadasjiem). • 40:13-15 Mosjéh bekleedde de kohen gadol, zalfde hem en wijdde hem aan God. Mosjéh bekleedde ook de kohaniem en zalfde hen. • 40:20 Mosjéh plaatste het getuigenis – de twee stenen platen – in de kist, plaatste er de draagstokken aan en legde het verzoendeksel erop. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen geen mitswot. De rabbijnen stellen dat er 111 mitswot in het boek Sjemot (Exodus) voorkomen, terwijl er in deze haftarot amper 70 torot zijn gevonden. Volgende week: Wajjiqra‘ over parallellen met Isra‘Els verplichting de door God bepaalde offers van de eredienst te brengen. Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Peqoedej – (De) opgelegden

Haftarah Peqoedej gaat over de parallel tussen de ingebruikname van de Tent van samenkomst door Mozes en de ingebruikname van de Tempel door koning Salomo. De Tempel door Salomo in gebruik genomen Deze haftarah gaat…



206 01 0182 TopicalBkg Haftarah Teroemah gaat over de parallel tussen de bouw van Gods heiligdom ten tijde van Mozes en ten tijde van koning Salomo. Salomo bouwt Gods Tempel Sjelomoh (Salomo), koning van Isra‘El, begon met voorbereidingen voor de bouw van de eerste Tempel in Jeruzalem. God had hem daartoe wijsheid (chachmah) gegeven (1 K 5:12 (26)). Hij had met Chieram, de koning van Tyrus, een afspraak over de levering van bouwmaterialen en werkers. De bouw begon in c.967 BCE. Om de Tempel te bouwen deed Sjelomoh een lichting onder de Isra‘Eliem van 30 van een eenheid (‘éléf) mannen. (De meeste denken dat deze eenheid altijd voor 1000 man stond, maar dat is niet zo zeker.) Het Hebreeuwse woord mas doet vermoeden dat de lichting niet helemaal vrijwillig was. De lichting werd in drie ploegen verdeeld die elk een maand in Levanon (Libanon) moesten werken en daarna twee maanden vrij zouden zijn. Daarnaast had Sjelomoh nog 70 van een eenheid mannen lastdragers en 80 van een eenheid aan mannen die hakkers op de berg. De werkzaamheden stonden onder leiding van hoofdoversten (sarej hannitsaviem) zij werden bijgestaan door nog eens een grote groep mannen die direct leiding gaven over de werkers. Het fundament van de Tempel werd gevormd door grote, kostbare gehouwen stenen. Daarnaast werkten bouwlieden om het hout en de stenen te hakken voor het Tempelhuis. De bouw ervan werd begonnen in het 4de regeringsjaar van Sjelomoh, in de tweede maand van het godsdienstige jaar (april-mei). De omvang van de Tempel was anders dan die van de Woning (Misjkan) in de Tent van samenkomst (‘ohél mo’ed), het mobiele heiligdom dat Mosjéh (Mozes) moest oprichten bij de berg Chorev (Horeb) in de woestijn Sienaj (Sinaï). De Misjkan was 30 el lang, 9 el breed en 10 el hoog (Ex 26:15-18, 22), terwijl het Tempelhuis 60 el lang, 20 el breed en 30 el hoog werd (1 K 6:2). Waarschijnlijk is dezelfde lengtemaat el gebruikt. Ook werd het Tempelhuis voorzien van een voorhal (‘oelam), vensters (challon) en een aanbouw met drie verdiepingen. Hoe de Tempel er precies uitzag is onbekend, net zoals de Tent van samenkomst in de woestijn. Parallellen Sidra‘ Hammisjpatiem (Ex 25:1-27:19) gaat over de vrijwillige bijdrage (teroemah) die God vroeg van de Isra‘Eliem bestaande uit allerlei kostbare metalen, stoffen en huiden. Verder planken acaciahout, olie, specerijen, reukwerk en edelstenen. Dit zouden de materialen zijn voor een heiligdom dat gebouwd moest worden, zodat God in hun midden zou kunnen wonen. Vervolgens worden de onderdelen en de samenstelling van het heiligdom beschreven. De haftarah (1 K 5:12 (26)-6:13) heeft een overduidelijke parallel met de sidra‘. Beide Bijbelgedeelten gaan over de bouw van Gods heiligdom. Het belangrijke verschil is natuurlijk dat het eerste heiligdom in verband stond met de reis van Isra‘El op weg naar het beloofde Land en de eerste Tempel in verband stond met de vestiging van Isra‘El in dat Land. Het eerste heiligdom (hammiqdasj) is een Tent en het tweede heiligdom is een stenen Huis (Bejt hammiqdasj). Het eerste heiligdom werd vrij nauwkeurig voorgeschreven door God, maar het tweede heiligdom was een ‘uitvinding’ van koning Dawied (David) en waartoe God Sjelomoh wijsheid gaf. Maar er valt meer te zeggen. De haftarah begint met het uitvaardigen van een lichting van Isra‘El. Ook in de dagen van Mosjéh werd Isra‘El een bijdrage (teroemah) gevraagd. Dat niet alleen, er werden ook werkers aangesteld om te helpen bouwen aan de Tent van samenkomst. Net als in de dagen van Sjelomoh. Net zoals in de vorige haftarot is het van belang te kijken naar unieke zaken die erin genoemd worden die van toepassing kunnen zijn op de sidra‘. De bepaling die God stelde aan de bouw van de Tempel (1 K 6:12) is zo algemeen dat het voor elk heiligdom van Hem van toepassing is en dus ook op de Tent van samenkomst ten tijde van Mosjéh. Dit wordt bevestigd doordat het doel van de bouw van beide heiligdommen hetzelfde is: dat God onder de Isra‘Eliem zou wonen (Ex 25:8; 1 K 6:13). Torahgedeelten De volgende teksten uit deze sidra‘ kunnen opgevat worden als Torah: • *25:8 God beval de bouw van een heiligdom (miqdasj), zodat Hij onder Zijn volk kon wonen. • 25:9 Het heiligdom en al diens voorwerpen moesten gebouwd worden naar het model (‘et tavniet) en plan (misjpat) van De Woning (Hammisjkan) die God aan Mosjéh toonde op de berg Chorev (Ex 25:40; 26:30; 27:8). De met een * aangegeven bepalingen zijn door de rabbijnen vastgesteld als mitswot uit de 613. In deze sidra‘ staan volgens de rabbijnen nog twee andere mitswot (Ex 25:15, 30). Volgende week: Haftarah Tetsawwéh over parallellen met de kleding en wijding van de kohaniem (Isra‘Elitische priesters). Bijbelleraar Marco van Putten is gespecialiseerd in Judaïca en de rabbijnse wereld; in de wekelijkse Parasjah prikkelt hij gelovigen na te denken over de Hebreeuwse wortels van het geloof.

Haftarah – Teroemah – Een bijdrage

Haftarah Teroemah gaat over de parallel tussen de bouw van Gods heiligdom ten tijde van Mozes en ten tijde van koning Salomo. Salomo bouwt Gods Tempel Sjelomoh (Salomo), koning van Isra‘El, begon met voorbereidingen voor…


Menorah

Parasjah Peqoedej: de lossingen

Deze sidra‘ (Ex 38-40) beschrijft het afronden van de werkzaamheden aan het heiligdom. Al de objecten, onderdelen en gerijen werden aan Mozes aangeboden. Toen gebood God Mozes om het heiligdom op te richten en het…


Menorah

Muziekvideo: Zo zag de Tabernakel er uit

In de Shabbatslezingen gaat het deze week over het oprichten van de Tabernakel, de plaats waar God zijn volk wilde ontmoeten. In deze video beelden van een nagebouwde Tabernakel, met Hebreeuwse liederen, beginnend met de…





Menorah

Waarom er een Derde Tempel komt 

Door Alfred Muller in Jeruzalem Ik weet het: dit is een gevoelig onderwerp. Onder Joden en christenen is menig felle discussie gevoerd over de vraag of de tempel wel of niet moet of zal worden…