‘Maak ze aan uw kinderen en kindskinderen bekend’, zei Moses in zijn aansporing om de Wet, Gods onderwijzing, te onderhouden. Lees die ook elke zeven jaar voor bij de viering van het Loofhuttenfeest.
De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Wayelech (En hij ging) zijn:
✡ Torahlezing: Deuteronomium 31:1-30,
✡ Profetenlezing: Jesaja 55:6 – 56:8,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Romeinen 10:1-17.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.
Een gedeelte uit de Torahlezing
En Mozes schreef deze wet op en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, en aan alle oudsten van Israël. En Mozes gebood hun: Na verloop van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest, als heel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen, moet u deze wet ten aanhoren van heel Israël voorlezen. Roep het volk bijeen, de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, en de vreemdeling die binnen uw poorten is, om te horen, en om te leren de HEERE, uw God, te vrezen en alle woorden van deze wet nauwlettend te houden. Zodat hun kinderen die het niet weten, het ook horen, en leren de HEERE, uw God, te vrezen, al de dagen dat u leeft in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.
Deuteronomium 31:9-13 (HSV)
Gedeelten uit de Profetenlezing
Bij het herstel van de Tempel, in opdracht van de goede koning Josia, werd het wetboek gevonden, en de koning riep het volk bijeen, las er uit voor, en liet alles dat met de afgoden te maken had uit de tempel verwijderen en verbranden.
Toen stuurde de koning boden, en al de oudsten van Juda en Jeruzalem verzamelden zich bij hem. De koning ging naar het huis van de HEERE, en met hem iedere man uit Juda en alle inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en heel het volk, van de kleinste tot de grootste. En hij las ten aanhoren van hen al de woorden van het boek van het verbond dat in het huis van de HEERE gevonden was. De koning ging bij de pilaar staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE, om de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen met heel zijn hart en met heel zijn ziel in acht te nemen, door de woorden van dit verbond die in deze boekrol beschreven zijn, uit te voeren. En het hele volk trad toe tot dit verbond.
Na de terugkeer uit de ballingschap las de priester Ezra het volk de Wet van Moses voor, en daarna vierden zij, in gehoorzaamheid, het Loofhuttenfeest.
Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden waren, verzamelde heel het volk zich als één man op het plein dat voor de Waterpoort ligt; en zij zeiden tegen Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek moest brengen met de wet van Mozes, die de HEERE Israël had geboden.
Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen en al wie wat zijn verstand betrof in staat was ernaar te luisteren, op de eerste dag van de zevende maand. Hij las daaruit voor, voor het plein dat voor de Waterpoort ligt, vanaf het morgenlicht tot de middag, ten overstaan van de mannen, de vrouwen en van hen die wat hun verstand betrof in staat waren ernaar te luisteren. De oren van heel het volk waren gericht op het wetboek.
Ezra opende het boek voor de ogen van heel het volk, want hij stond hoger dan heel het volk. Toen hij het opende, ging heel het volk staan. En Ezra loofde de HEERE, de grote God, en heel het volk antwoordde, onder het opheffen van hun handen: Amen, amen! Zij knielden en bogen zich neer voor de HEERE met het gezicht ter aarde. Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja en de Levieten onderwezen het volk in de wet, en het volk stond op zijn plaats. Zij lazen uit het boek voor, uit de wet van God, gaven uitleg en verklaarden de betekenis, zodat men de voorlezing begreep.
2 Koningen 23:1-3, Nehemia 8:1-4 en 6-9 (HSV).
Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid. Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht. Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen.
Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft. Want Mozes schrijft over de gerechtigheid die uit de wet is: De mens die deze dingen gedaan heeft, zal daardoor leven.
De gerechtigheid echter die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen? Dat is Christus naar beneden brengen. Of: Wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden naar boven brengen. Maar wat zegt zij? Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken: Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden. Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot zaligheid. Want de Schrift zegt: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
Er is immers geen enkel onderscheid tussen Jood en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen. Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? En hoe zullen zij in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt? En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven staat: Hoe lieflijk zijn de voeten van hen die vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen!
Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest. Jesaja zegt namelijk: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.
Romeinen 10:1-17 (HSV)
Het geloof is uit het gehoor
Voorlezen van lange gedeelten uit de Schriften was en is een gewoonte in de Joodse synagogen.
Lang voor het ontstaan van de synagogen gaf Moses al opdracht, na verloop van zeven jaar tijdens de viering van het Loofhuttenfeest de Wet, Gods onderwijzing zoals Moses die opschreef in het boek Deuteronomium, voor te lezen, op de plaats die Hij zal uitkiezen’. Dat was nog niet meteen Jeruzalem; de Tabernakel met de Ark van het Verbond heeft eerst op meerdere plaatsen gestaan, zoals in Silo (1 Samuël 1), totdat David deze naar Jeruzalem liet overbrengen.
In de geschiedenissen van landvoogd Nehemia en de priester Ezra, en van de hervorming onder koning Josia, zie je dat een terugkeer naar God ook een terugkeer naar zijn Woord inhoudt, voorlezen en luisteren, en een verlangen om daarnaar te handelen.
De gewoonte, in synagogen samen te komen en uit de Torah voor te lezen is waarschijnlijk uit noodzaak ontstaan: voor de uitvinding van de boekdrukkunst moesten alle teksten met de hand worden overgeschreven. Alleen synagogen konden zich een dure Torahrol veroorloven, dus alleen door voorlezen en luisteren (en uitleggen) kon het volk worden onderwezen.
Voor deze voorlezing werden later, in de derde eeuw voor Christus, de vijf boeken van Moses, de Pentateuch, ingedeeld in wekelijks te lezen gedeelten: in Israël in ongeveer 150 delen, sidrot, die in drie jaar werden voorgelezen; later werd in de Babylonische ballingschap deze cyclus verkort tot één jaar, en werd de Pentateuch ingedeeld in 54 sidrot. Die werden tijdens het voorlezen verdeeld in zeven gedeelten, waarvoor zeven verschillende mannen werden opgeroepen om ieder een gedeelte voor te lezen. Het wordt als een eer beschouwd, te mogen voorlezen.
In veel protestantse kerken worden gewoonlijk elke zondag de Tien Geboden voorgelezen, waarvan het boek Deuteronomium een uitgebreide uitwerking is. Een goede zaak.
Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Jozua, voorafschaduwing van Jezus,
Vergeet Gods geboden niet,
Leiderswisseling met veranderingen.
Zie ook de Hebreeuwse les Simchat Torah.


Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: Het geloof is uit het gehoor"