Sjabbatslezingen: Veilig in Jezus onze Vrijstad

Vlucht naar de vrijstad Jan van t Hoff Ter bescherming van een man, die zonder opzet iemand doodt, tegen de bloed­wreker, werden zes Vrij­ste­den aange­wezen. Voor de gelo­vi­gen is Christus de vrijstad, waar hij veilig is voor de aanvallen van de boze.

Ter bescherming van een man, die zonder opzet iemand doodt, tegen de bloed­wreker, werden zes Vrij­ste­den aange­wezen. Voor de gelo­vi­gen is Christus de vrijstad, waar hij veilig is voor de aanvallen van de boze.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat Shofetiem (Rechters) zijn:
✡ Torahlezingen: Deuteronomium 16:18 – 21:9,
✡ Profetenlezing: Jesaja 51:12 – 52:12,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: Matteüs 3:1-17.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Gedeelten uit de Torahlezing
Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont, dan moet u voor uzelf drie steden afzon­deren, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen. U moet de weg voor u gereed­ma­ken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verde­len. Dit moet gebeu­ren zodat ieder­een die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.
Dit is de zaak die iemand betreft die een doodslag begaan heeft en daarheen vlucht om in leven te blijven: iemand die zijn naaste niet met voor­be­dach­ten rade doodge­sla­gen heeft en die hij tevo­ren niet haatte, – bijvoorbeeld iemand die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven. Anders zou de bloed­wreker degene die een doodslag begaan heeft, achter­vol­gen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de dood­straf verdiend heeft, want hij haatte hem tevoren niet. Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonde­ren.

Ook in het nog te veroveren gebied ten westen van de Jordaan moesten drie vrijsteden worden aangewezen.

Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinder­laag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en dan naar een van die steden vlucht, dan moeten de oudsten van zijn stad boden sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloed­wre­ker geven, zodat hij sterft. Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschul­dige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.

De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloed­wreker, en de gemeen­schap moet hem laten terug­keren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hoge­pries­ter, die men met de heilige olie gezalfd heeft
Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even over­schrijdt, en de bloed­wreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloed­wreker hem die een dood­slag begaan heeft, doden; dan is het voor hem geen bloed­schuld. Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hoge­pries­ter; pas na de dood van de hoge­pries­ter mag hij terug­keren naar het land dat hij bezit.

Deuteronomium 19:1-7 en 11-13, Numeri 35:25-28 (HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
Verder sprak de HEERE tot Jozua: Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wijs voor uzelf de vrijste­den aan waarover Ik door de dienst van Mozes met u gesproken heb, zodat iemand die een doodslag heeft begaan, die iemand zonder opzet, niet met voorbe­dach­ten rade, om het leven heeft gebracht, daarheen kan vluchten, opdat ze voor u tot een toevlucht zijn tegen de bloed­wreker.
Als hij naar een van die steden vlucht, moet hij bij de ingang van de stads­poort gaan staan en zijn woorden spreken ten aanhoren van de oudsten van die stad. Vervolgens moeten zij hem bij zich in de stad opne­men en hem een plaats geven, zodat hij bij hen kan wonen. En als de bloed­wreker hem achter­volgt, mogen zij hem die de doodslag begaan heeft, niet in zijn hand over­le­ve­ren, omdat hij zijn naaste niet met voor­be­dach­ten rade doodgeslagen heeft, en hem tevoren niet haatte.
Dan moet hij in die stad blijven wonen, totdat hij terecht zal staan voor de gemeen­schap, totdat de hoge­priester die er in die dagen zijn zal, sterft. Daarna mag hij die de doodslag begaan heeft, terug­keren en weer naar zijn stad gaan, en naar zijn huis, naar de stad waaruit hij gevlucht was.

Jozua 20:1-6 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heils­goe­de­ren. Hij is door de meerdere en meer volmaakte taber­nakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is. Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnen­gegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlos­sing teweeggebracht.
Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de veront­rei­nig­den gespren­keld, hen heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smette­loos aan God geof­ferd heeft, uw gewe­ten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!
En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaats­ge­von­den tot verzoe­ning van de over­tre­din­gen die er onder het eerste verbond waren, de geroe­pe­nen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.

Hebreeën 9:11-15 (HSV)

Veilig in Jezus onze Vrijstad
Zes vrijsteden, allemaal op goed bereikbare afstand, moesten worden aangewezen, drie ten oosten van de Jordaan en drie aan de west­kant. Ze vormden een bescher­ming tegen de bloed­wreker, een familielid van de gedode persoon, die even wilde afrekenen. Daar­mee werd een onnodige cyclus van bloedvergieten voorkomen. Het laat ons iets zien van Gods karakter: Hij is een ontfer­men­de God, die ons welzijn zoekt. Hij beschermt de gevluchte tegen de dood, en de moge­lij­ke bloed­wreker tegen het plegen van een moord.
De vrijsteden vormden niet alleen een vrijplaats voor de Israë­lieten, ook voor de vreem­de­lin­gen die bij hen woon­den.

Opzettelijke moordenaars waren niet beschermd in de vrijsteden. Wie vluchtte naar een vrijstad, moet zich voor de gemeen­schap verant­woor­den voor zijn daad, en een opzettelijke moor­de­naar werd berecht en gedood.
Het altaar bij de tabernakel, en later bij de tempel, fungeer­de ook als een vrijstad. In 1 Koningen 2:28 lezen we dat leger­overste Joab de hoornen van het altaar vast­grijpt, maar in opdracht van koning Salomo wordt gedood wegens hoogver­raad. Zo zei Jezus later, dat er geen vergeving is voor de zonde tegen de heilige Geest, een bewust opzet­te­lijk ingaan tegen Gods spreken (Matteüs 12:31-32).

De vrijsteden waren een toevluchtsoord voor mensen die per ongeluk iemand hebben gedood. Iemand die waarde hecht aan het mense­lijk leven zal altijd de nodige voor­zorgs­maat­re­ge­len nemen. Onopzet­te­lijke schuld is immers ook schuld: heb ik mijn bijl wel goed gecon­tro­leerd? Heb ik een hek op mijn platte dak aange­bracht? De offers in Leviticus 4 en 5 golden als verzoe­ning van een schuld, die iemand per ongeluk op zich had gela­den. Zonde, al of niet per ongeluk, bescha­digt de relatie tussen God en mens en tussen mensen onder­ling.

Na de dood van de hogepriester was een vluch­teling vrij om te gaan waarheen hij wil. Was het de bedoeling, dat hij daar om de spoedige dood van de hogepriester zou bidden? Dat geloof ik niet. Deze zin heeft een profetische betekenis.
De hoge­pries­ter verte­gen­woor­dig­de het gehele volk voor God. Blijk­baar hoorde daarbij, dat zijn dood voor het gehele volk ook een plaats­ver­van­gend karak­ter had. Dit is een sterke heen­wij­zing naar Jezus Christus, de grote Hoge­pries­ter, die door zijn offer niet alleen de zonden van de Joden, maar ook van de niet-Joodse volken verzoent. Zijn offer is plaats­ver­van­gend voor ieder­een, hoezeer en hoe zwaar hij ook heeft gezondigd.

Van een doodslager, die in een vrijstad verbleef, werd verwacht dat hij in die vrijstad bleef. Alleen daar genoot hij bescherming, niet daarbuiten. Dat betekent voor een gelovige: blijf dicht bij Jezus, luister naar zijn stem, en ga niet experimenteren met de zonde hoe ver je kunt gaan zonder er in verstrikt te raken.

De Naam van de HEERE is een sterke toren, een rechtvaardige snelt daarheen en wordt in een veilige vesting gezet. (Spreuken 18:10)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Rechtspreken onder politieke druk, Deuteronomium 16 en 17,
Wat zijn onze afgoden?, Deuteronomium 16, 17 en 18,
Een profeet uit uw midden, Deuteronomium 18,
Israël, strijder van en met God, Deuteronomium 20,
Ontheilig het land niet, Deuteronomium 21.
Bronnen o.a. Refoweb, Christipedia (afbeelding), boek Veilig in de Vrijstad.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbatslezingen: Veilig in Jezus onze Vrijstad"

Geef een reactie

Ontdek meer van MessiaNieuws

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder