Sjabbats­lezingen: ‘Zie aan dat deze natie Uw volk is’

04 haggadah Zo kort na de uittocht uit Egypte, na de door­tocht door de Schelf­zee, gaat het al mis. Maar God laat zich door Moses verbid­den en is zijn volk Israël gena­dig, Hij belooft bij hen te blijven en ontzag­wek­ken­de daden te doen.

Zo kort na de uittocht uit Egypte, na de door­tocht door de Schelf­zee, gaat het al mis. Maar God laat zich door Moses verbid­den en is zijn volk Israël gena­dig, Hij belooft bij hen te blijven en ontzag­wek­ken­de daden te doen.

De Bijbelgedeelten voor de sjabbat van Pesach zijn:
✡ Torahlezing: Exodus 33:12 – 34:26 en Numeri 28:19-25,
✡ Profetenlezing: Ezechiël 36:37 – 37:14,
✡ Brit Chadashah, Nieuwe Testament: (o.a.) Johannes 11:28-57.
In verband met het onderwerp wijken we daar van af.

Een gedeelte uit de Torahlezing
Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verder trekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij mee­zendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij (uw) naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen. Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is.
En Hij zei: Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen? Toen zei hij tegen Hem: Als Uw aan­ge­zicht niet meegaat, laat ons (dan) van hier niet verder trekken. Want hoe moet het anders bekend worden dat ik genade gevon­den heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daardoor dat U met ons meegaat? Daar­door zullen wij, ik en Uw volk, afge­zon­derd zijn van alle volken die er op de aard­bo­dem zijn. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Ook dit woord dat u spreekt, zal Ik doen, want u hebt genade gevonden in Mijn ogen en Ik ken u bij uw naam.

In Gods opdracht hakte Mozes opnieuw twee stenen tafelen uit, waarop God de woor­den zou schrij­ven die op de eerste stenen tafe­len stonden, en hij klom de berg Sinai op.
Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit. Toen de HEERE bij hem voorbij­kwam, riep Hij: HEERE, HEERE, God, barm­har­tig en gena­dig, gedul­dig en rijk aan goeder­tie­ren­heid en trouw, Die goeder­tie­ren­heid blijft bewij­zen aan duizen­den, Die onge­rech­tig­heid, over­treding en zonde vergeeft, maar Die (de schuldige) zeker niet voor onschul­dig houdt en de onge­rech­tig­heid van de vaders vergeldt aan de kinde­ren en klein­kin­de­ren, tot in het derde en vierde (geslacht).
Toen haastte Mozes zich, knielde ter aarde, boog zich neer en zei: Heere, als ik nu genade in Uw ogen gevon­den heb, laat de Heere dan toch in ons midden mee­gaan. Zeker, het is een hals­star­rig volk, maar vergeef onze onge­rech­tig­heid en onze zonde, en neem ons aan als (Uw) erfelijk bezit.
Toen zei Hij: Zie, Ik sluit een verbond; ten over­staan van heel uw volk zal Ik wonde­ren doen, zoals die op de hele aarde en onder welk volk ook nog nooit tot stand gebracht zijn. Ja, heel het volk, in het midden waarvan u verkeert, zal de daden van de HEERE zien, want het is ontzag­wek­kend wat Ik met u ga doen.

Exodus 33:12-17 en 34:5-10 (HSV).

Een gedeelte uit de Profetenlezing
En u, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, en zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand over u gezegd heeft: Haha! Zelfs de eeuwige hoogten zijn ons tot erfe­lijk bezit geworden, profe­teer daarom, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opge­slokt heeft, zodat u een erfelijk bezit werd voor het over­blijf­sel van de heiden­vol­ken, u over de tong ging en er kwaad gerucht bij het volk was – luister daarom, bergen van Israël, naar het woord van de Heere HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de water­stro­men en tegen de dalen, tegen de verwoeste puin­ho­pen en tegen de verla­ten steden, die tot buit en tot een voor­werp van spot gewor­den zijn voor het over­blijf­sel van de heiden­vol­ken die rondom u zijn –daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voor­waar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gespro­ken tot het over­blijf­sel van de heiden­vol­ken en tot heel Edom, die zich­zelf Mijn land tot erfe­lijk bezit hebben gege­ven met de blijd­schap van heel hun hart, met leed­ver­maak, zodat zijn weide­grond tot buit zou zijn.
Profeteer daarom over het land van Israël, en zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de water­stromen en tegen de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, in Mijn na-ijver en in Mijn grimmig­heid heb Ik gespro­ken, omdat u de smaad van de heiden­vol­ken gedra­gen hebt. Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ík heb gezwo­ren: Voor­waar, de heiden­vol­ken die rondom u zijn, zullen zelf hun schande dragen! Maar u, bergen van Israël, u zult uw takken weer voort­bren­gen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen nader­bij. Want zie, Ik kom naar u toe, Ik zal Mij naar u toewen­den, en u zult bewerkt en bezaaid worden. Ik zal de mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puin­ho­pen zullen her­bouwd worden. Ik zal mens en dier op u tal­rijk maken, zij zullen talrijk worden en vrucht­baar zijn. Ik zal u doen bewo­nen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goed­doen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Ezechiël 36:1-11 (HSV).

Een gedeelte uit het Nieuwe Testament
Bij de geboorte van Johannes sprak zijn vader Zacharias deze profetische lofzang over Israël uit:
Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omge­zien en er verlos­sing voor tot stand gebracht. En Hij heeft een hoorn van zalig­heid voor ons opge­richt in het huis van David, Zijn knecht, zoals Hij gespro­ken had bij monde van Zijn heilige profe­ten, die er door de eeuwen heen geweest zijn, name­lijk verlos­sing van onze vijan­den en bevrij­ding uit de hand van allen die ons haten, om barm­har­tig­heid te bewijzen aan onze vade­ren en te denken aan Zijn heilig verbond, de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezwo­ren heeft om ons te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijan­den, Hem zouden dienen zonder vrees, in heilig­heid en gerech­tig­heid voor Hem alle dagen van ons leven.
Lukas 1:68-75 (HSV)

‘Zie aan dat deze natie Uw volk is’
Het volk Israël had gezondigd door een gouden kalf te maken en te aanbidden. Ze hadden beeld vereerd, zoals ze dat hadden gezien in Egypte. Ze hadden door hun daad Gods onderwijs kapot gegooid, zoals Moses letterlijk deed met de twee stenen platen, waarop Gods Wet, Gods onderwijs, was gegrift! Hadden ze dan door de tien plagen, die over Egypte waren gekomen, nog niet geleerd dat andere goden dan de HEERE waar­de­loos zijn?
Dan bidt Moses voor het volk, ’Zie aan dat deze natie Uw volk is’. Met deze woorden herinnert Moses God aan zijn belof­ten en zijn eigen daden, dat Hij Israël tot zijn volk heeft uitge­ko­zen en gemaakt, door het na grote wonde­ren uit Egypte te leiden.
En God laat zich verbidden. Moses mag nieuwe stenen tafelen uit­hak­ken, God geeft opnieuw zijn tien leef­regels en belooft met het volk mee te gaan, in hun midden, als de God die won­de­ren doet.

God laat zijn volk niet in de steek. Beloofd is beloofd. Dat schreef ook de profeet Ezechiël, in de tijd van de Baby­lo­ni­sche over­heer­sing en de Judeese balling­schap. In zijn dagen was een deel van de bevol­king weg­ge­voerd naar Babel, en andere volken waren in het gebied van Israël gaan wonen. Dan schrijft de profeet Ezechiel: ‘Ik zal de mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puin­ho­pen zullen her­bouwd worden.’ En Gods belofte is wer­ke­lijk­heid gewor­den: door een besluit van de Perzische koning Kores mochten de ballin­gen van Israël (en van andere over­won­nen volken) terug­keren naar hun thuis­land.

Zacharias dankte God na de geboorte van zijn zoon Johannes, God had immers naar zijn volk omge­zien. Na de balling­schap was het grootste deel van de Joden terug­ge­keerd naar hun vader­land, en zij hadden er (onder Romeins toezicht) vrijheid om God te dienen. En nu is de Heer bezig zijn belofte uit te voeren, het zenden van de Verlos­ser, waarvan Johannes de heraut mag worden.

God wil graag dat wij Hem herinneren aan zijn woorden en daarop pleiten in onze gebeden. Wij mogen bidden voor Gods volk, dat in deze tijd van vier kanten wordt belaagd door vijanden, die grote schade aanrichten.
Op uw muren, Jeruzalem, heb Ik wachters aangesteld. Nooit zullen zij zwijgen, heel de dag en heel de nacht niet. U die het volk aan de HEERE doet denken, gun u geen rust. Ja, geef Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem gegrondvest heeft en gesteld heeft tot een lof op aarde. (Jesaja 62:6-7)

Zie ook deze Sjabbatslezingen:
Want ook ons Paaslam is geslacht, Exodus 12,
Pesach, teken van Gods Koninkrijk, Exodus 12,
Uit de dood tot het leven geroepen, Exodus 13,
Door een verheven hand geleid, Exodus 13 en 14
Dankliederen van bevrijding, Exodus 15,
God maakt een nieuw begin, Exodus 34,
Gedenk uw verlossing, Deuteronomium 16.

Wees de eerste die reageert op "Sjabbats­lezingen: ‘Zie aan dat deze natie Uw volk is’"

Geef een reactie